For most of us who work on the Internet, the Web is all we have ever really known. It’s almost impossible to imagine a world without browsers, URLs and HTTP. But in the years leading up to Tim Berners-Lee’s world-changing invention, a few visionary information scientists were exploring alternative systems that often bore little resemblance to the Web as we know it today.
In this presentation, author and information architect Alex Wright will explore the heritage of these almost-forgotten systems in search of promising ideas left by the historical wayside. The presentation will focus on the pioneering work of Paul Otlet, Vannevar Bush, and Doug Engelbart, forebears of the 1960s and 1970s like Ted Nelson, Andries van Dam, and the Xerox PARC team, and more recent forays like Brown’s Intermedia system. We’ll trace the heritage of these systems and the solutions they suggest to present day Web quandaries, in hopes of finding clues to the future in the recent technological past.
Alex Wright
Alex Wright is an information architect at the New York Times and the author of Glut: Mastering Information Through the Ages . His writing has appeared in the New York Times, Salon.com, Harvard Magazine and the Christian Science Monitor, among others. Alex has led information architecture engagements for The Long Now Foundation, California Digital Library, Harvard University, IBM, Microsoft, Rollyo and Sun Microsystems, among others. He maintains a personal Web site at www.alexwright.org.
Mijn grootvader hoor ik nog altijd Lale Andersens Es geht alles vorüber fluiten en zingen: ik heb dat van hem denk ik, dat ik praktisch altijd wel iets aan het neuriën of zingen of fluiten ben. Luidkeels of binnensmonds, maar wel bijna altijd.
Er zijn twee liedjes die ik al een hele tijd meer dan andere liedjes fluit en/of zing. Tot grote ergernis van mijn treincompagnon barst ik in de gang onder Brussel-Centraal wel eens hardop in Do not forsake me oh my darlin’ uit:
En op de fiets fluit en keel ik meestal zéér hardop The Ballad of Rock Ridge:
Um. Maar: is dat eigenlijk niet twee keer dezelfde hetzelfde liedje?
Ik had vorige maand al tsures met DHL, wel: ‘t is nu van hetzelfde laken een vest, met een kleinere koerier.
Pakje verstuurd woensdag, om donderdag toe te komen. Op het moment dat de koerier er mee komt op donderdag is er nét even niemand thuis.
Briefje in de brievenbus. Dat er gemaild moet worden. Er wordt gemaild. Geen antwoord.
Vrijdag: nog mails, nog altijd geen antwoord. Telefoon? Oh ja, zeker: er staan niet minder dan twéé telefoonnummers op het briefje, een 0800–nummer en een 02–nummer. Allebei geven “netwerk overbezet”-boodschappen.
Afgesloten nummers? Rekening niet betaald? Verouderd briefje? I dunno.
Vrijdag nog een mail gestuurd, geen antwoord.
Zaterdag bellen: telefoon nog altijd kapot.
Zaterdag mailen: geen antwoord.
Maandag bellen: nummers nog allebei kapot.
Maandag mailen: geen antwoord.
Ondertussen vraagt de meneer die het pakje doorgestuurd had of het al toegekomen is, ik zeg van nee, hij stuurt me een mail terug met een telefoonnumer dat niet op het briefje stond.
Ik bel: geen antwoord.
Een uur later: geen antwoord.
Nog een uur later: wél antwoord! Het is ondertussen halftwee, en ik krijg een dame aan de lijn. Op de achtergrond hoor ik… euh nee: de dame aan de telefoon is onhoorbaar omdat op de vóórgrond een andere dame luidkeels aan het ROEPEN is tegen een andere persoon. Aan een andere telefoon, denk ik. Niet aflatend, en genant luid.
Ik begrijp de dame aan mijn telefoon haast niet, zij mij ook haast niet. Maar goed, een minuut of vijf later weten we allebei wie we zijn (ik heb de naam van het bedrijf nog altijd niet gehoord trouwens, de dame heeft zichzelf niet voorgesteld aan de telefoon) en zijn we op weg om te achterhalen wat er met het pakje moet gebeuren.
Okay. Ik laat het ding leveren in Brussel op mijn werk, daar is altijd iemand. Vandáág nog leveren? Nee, uitgesloten. Morgen meneer, vandaag is onmogelijk. Morgen, vóór 17u.
Dinsdag. De uren komen en gaan, en komen en gaan. En komen. En gaan. Om 16u30 telefoneer ik toch nog eens, naar het nieuwe nummer van maandag.
Een dame neemt op. Sla me dood, ik weet niet of het dezelfde dame was als gisteren. Hallo, Mariette? zei ze aan de telefoon, maar dan wel met een andere naam. Ik zeg nog eens wie ik ben, en kan ze mij vertellen hoe het zat met dat pakje?
Telefoon, maandag was dat dus: of ze het pakje naar de Grensstraat in Brussel, 1210 Brussel, 1210 Sint-Joost-ten-Node, rue de la Limite dus in Saint-Josse-ten-Noode, zouden kunnen sturen.
Jaja, geen probleem, mórgen is het er.
Dinsdag: geen pakje. Telefoon: oh ja, mórgen is het er. Zéker. Grensstraat hé, Sint-Joost-ten-Node? Rue de la Limite dus, ik herhaal het maar even, omdat het al gebeurd is dat ze naar een verkeerde Grensstraat zochten. En bélt u mij vooral als er een probleem is, ik zal er de hele dag zijn!
Woensdag: mail van de Meneer Die Het Pakje Verstuurde, vorige week woensdag. Hoe het ermee zat. Ik stuur een mail terug: niet mee inzitten, ze sturen het vandaag zéker op, alles komt in orde.
Woensdagavond: mail van de Meneer Die Het Pakje Verstuurde. Dat ze bij de koerier een verkeerde postcode hadden. Dat het 1210 moest zijn en niet 1020.
Ik had in mijn mail van vanmorgen (“geen zorgen, ze leveren het zeker vandaag”) aan de Meneer 1020 mistypt in plaats van 1210, ik vermoed dat dat het probleem zal geweest zijn.
Ik voel mij ongemakkelijk bij Nederlandse vertalingen van software.
En al helemaal als ze niet consistent zijn. Wat moet er nu gebeuren? Updaten, opwaarderen of bijwerken? En waarom zou ik mij daar vragen bij moeten stellen?
Ik wou dat “ge-updatet” niet zo’n lastig woord was om te schrijven.
Tiens, en ben ik echt de enige op het hele interweb waarbij Wordpress 2.5 problemen geeft met XML/RPC? Als ik met Blogjet dingen wil posten, geeft hij me een vieze “Verkeerde loginnaam/wachtwoord combinatie”-fout (“Bad login/pass combination.”)
Niets ingrijpends aan de hand, en ik heb geen zin om er veel naar te zoeken, dus ik heb in xmlrpc.php in login_pass_ok() geprutst: waar if (!user_pass_ok($user_login, $user_pass)) stond, staat nu if ($user_login=='mijnlogin' && $user_pass='mijnwachtwoord').
Maar toch. Vreemd.
(Oh, en voor die vertaling: bijwerken en opwaarderen zijn andere zaken, dat weet ik ook wel. En ik ben bereid om te vermoeden dan “upgrade WordPress” er nog staat omdat er nog geen volledige vertaling voor WordPress 2.5 naar Nederlands is.)
Mijn Word doet raar op het werk. Raar in de zin van “van zodra ik naar een andere applicatie switch, en eigenlijk ook om de zoveel tijd een hele tijd bevriezen”.
Tien seconden, dertig seconden, twee minuten: onvoorzienbaar. Reden? Geen idee. Autosave staat af, er is geheugen en swapruimte genoeg. Ik heb het met één document van 70 pagina’s met een paar tiental screenshots erin, maar even goed met een meetingverslag van och here twee bladzijden en geen enkele afbeelding.
Het zal wel goed komen, die dingen hebben de neiging goed te komen, en ongetwijfeld ligt het aan ergens een detail van een template die nog naar een andere server zoekt, of een corrupt beeld of iets in die zin, en wellicht is alles opgelost met een repair van Word, maar ondertussen is het van tegensteeckeghem.
Het allerbeste was vanmorgen, na bijna twee uur kleine kleine dingetjes in dat rapport van 70 bladzijden aangepast te hebben en in detail vanalles nagelezen te hebben en aangevuld, dat Word besloot het voor bekeken te houden.
Wuif dàg met het handje.
Ik heb thuis verder gewerkt vanavond, met één oog op de wijvenfilm en daarna met één oog op The L Word (mmm Jennifer Beals) en met in mijn achterhoofd dat het toch wel spijtig is dat ik al het schoon weer gemist heb, de afgelopen jaren in The Bold and the Beautiful.
Taylor was weg! En nu is ze terug! En Ridge moet kiezen tussen Brooke en Taylor! Shakespeariaanse toestanden!
En ik mis dat allemaal.
Verder is het onnoemelijk fantastisch veel aangenamer om op twee grote schermen van 1600×1200 te werken in Vista en Office 2007 dan op één te donker scherm van 1920×1050 in XP en Office 2003.
We gaan eten! Japans dan nog wel! Met mensen waar we eigenlijk al jàren eens mee moesten gaan eten, maar dat het er nooit van kwam!
Wat is er gebeurd dat het deze keer wel lukte, met vijf verschillende mensen die allemaal vreselijk veel te doen hebben?
Doodle kwam to the rescue. ‘t Is niet vaak dat een zo simpel idee zo zo nuttig is, dat ik me niet kan inbeelden wat ik tegenwoordig nog zonder zou doen.
Zo raar dat dat is: ik ben al twee dagen praktisch niet meer op het internet geweest. De blackberry is zowat mijn enige verbinding met de buitenwereld. Dat was niet echt de bedoeling, maar: het heeft er wel voor gezorgd dat ik het meer gebruikt heb dan ik anders wellicht zou gedaan hebben.
In het kort: als er een stuk of vijf-zes dingen aan zouden veranderen, zou ik er meteen een kopen.
En het leutige van de zaak van het meer gebruiken dan voorzien, is dat het vanmorgen nog zeven-acht dingen waren die me tegenstaken.
Het vervelende is daarentegen (misschien voorlopig) wel dat bij de vervelende dingen ook de manier zit waarop het toestel met e-mail omgaat: ik heb de indruk dat het erg geschikt is voor de occasionele gebruiker–tot een stuk of honderd mails per dag, pakweg–maar dat het al een heel eind minder is voor mensen die 70-8 mails per uur krijgen.
Oh, en het steekt immens tegen dat het maar gprs is en geen umts, maar misschien ligt dat aan de sim-kaart in het reviewexemplaar.
Afijn. Morgen meer en uitgebreider en gestructureerder en zo.
Zo, dàt was nog eens lang geleden: naar de Japanner geweest (Amatsu, lekker maar niet om achterover van te vallen, ik ga nog eens teruggaan voor de grote sushi-schotel) tot we er buitengekeild werden, daarna naar den Aba-Jour voor cocktails!, daarna naar De Hel voor vanalles maar vooral Vlaamse Koffie, daarna naar Bal Infernal maar die was al toe en dus naar het Krochtje maar dat was ook al toe, en dus maar geëindigd in L’Heure Bleue voor bier en Irish Coffee en rode en witte Porto, en dan naar huis want het is schaamtelijk om nog op café te zitten als het al licht is buiten.
Hoe, uitgaan? Niets uitgaan! Dat past allemaal in het plan voor de aanpassing van de jetlag maandag!
Commentaren op weblogs, ik heb het al meermaals gezegd, daar moet dringend eens rechtspraak en rechtsleer over komen.
Ik heb het gisterennacht nog een paar keer gehoord: mensen die zichzelf opzoeken op Google, en dan op een commentaar uitkomen die ze ooit op mijn weblog hebben geplaatst.
Er zijn (meer dan) regelmatig mensen die mij mailen om te vragen om hun commentaar van die en die datum te verwijderen, omdat ze beschaamd zijn over wat ze toen schreven. Vaak (meestal) ga ik daarop in, behalve als het mensen zijn die mij tegensteken of die het onvriendelijk vragen.
Maar hoe zit dat eigenlijk? Als ik ergens iets achterlaat op een weblog, mag ik dan eisen dat dat weer verwijderd wordt? Kán dat?
Of omgekeerd: de vozigheden van bijvoorbeeld de Tweakers van deze wereld bij Luc (en zie ook, trouwens, het verhaal alhier). Stel dat er op mijn weblog een commentaar staat waarin opgeroepen wordt om niet-Vlamingen het land uit te kloppen, of waar iemand met naam en toenaam een restaurant vermeldt waar zij weet dat er beschimmelde groenten met rotte eieren en kakkerlakken tot soep vermixt worden, of waar een ex-vrouw haar ex-man beschuldigt van pedofilie en links zet naar foto’s waar pefodiele dinges op gebeuren.
Stel dat ik die commentaren niet verwijder, wat dan? Ben ik ook strafbaar? Ik voel aan van wel, omdat ik niet moet wachten tot er klachten zijn om dingen die manifest tegen de wet zijn, weg te halen.
Wat als ik niet 24 uur op 24 aan mijn computer geplakt zit, en zo’n commentaar staat er meer dan een paar uur op, en er wordt ondertussen van overal naar gelinkt, en het staat in de cache van Google en Archive.org en dergelijke?
De enige sluitende manier, vermoed ik, is álles op voorhand in moderatie zetten, en pas na controle on-line laten verschijnen. Maar dan valt het concept “weblog” in het water, natuurlijk. Het is wél wat ze, heb ik menen te begrijpen, doen bij bijvoorbeeld Het Laatste Nieuws. (wat dus wil zeggen dat de vuiligheid die daar soms staat, gewild is door HLN)
Ach, er zijn zo veel vieze mogelijkheden met die commentaren. En er is geen analogie te leggen tussen commentaren/weblogs enerzijds en kranten/lezersbrieven, of drukpersen/kranten anderzijds. Zo ver zijn we al. Maar wat dan wel?
Een antwoord graag. En wel nu. En géén algemene platitudes van “gedraag u zorgvuldig en dan zal de rechter uiteindelijk wel oordelen als er zich een probleem stelt”. Concrete voorbeelden, concrete oplossingen.
Ik was een ontwerp aan het maken voor een website, en ik dacht dat het wel de goede richting uitging: na veel zoeken en tekenen was ik aan iets geraakt dat op papier werkte.
En dan had ik het in xhtml/css gemaakt met dummy-inhoud en was het allemaal min of meer in orde.
En dan heb ik geprutst en gedaan met allerlei, en geschoven en geschaafd, en nog getekend en dingen. Het ging wel, min of meer, een richting uit.
En toen het kapot. ‘t Is te zeggen: één ding dat ik helemaal over het hoofd had gezien. En dat blijkbaar geen van de, oh, twintig man of zo die het gezien hadden, ook opgemerkt hadden.
Meer moet ik daar eigenlijk niet aan toevoegen, nee?
Ze zitten al sinds een eeuw in mijn feedreaderder, maar het was sinds juli 2006 geleden dat er nog iets op stond. En met een welgemeende Boo! You totally blinked, stonden ze er plots weer, op 1 april.
Ondertussen ziet het er gewoon naar uit dat ze echt terug zijn. Echt echt.
“Screw this dump!” says Giblets. “This universe is old and fat and smells like smelling and Giblets is busting out!”
“Should we go over the wall or take the tunnel?” says me. I been diggin a tunnel.
“Nuts to the tunnel!” says Giblets. “What we do is we make like we’re sick. Then when God comes in to check on us we punch im in the liver an run out the door!”
Morgen moeten wij met drie het vliegtuig nemen om stuk! in! de! morgen!, zó vroeg dat we eigenlijk om iets na vier uur ‘s morgens al aan de vliegtuigbalie moeten staan.
Het gemakkelijkste was dus om vanavond al naar Brussel te gaan, en dan daar om vier uur de taxi te nemen. En zo zit ik op het werk in de bibliotheek. Nog drie uur te gaan, en de opgevers die nu gaan slapen zijn, zullen ook wakker zijn.
Vanavond kan ik het nog een nacht uitstellen: slapen in een slecht bed—waarbij “slecht” gedefinieerd is als “niet het mijne” en ook wel “zo’n bed waar ik met al dat metaal in mijn rug en een nog altijd verbrijzelde ruggenwervel niet echt goed in vrees te slapen”.
Ik ben er eigenlijk niet echt gerust in, tien dagen niet in mijn eigen bed slapen. Om nog niet te spreken van tien dagen niet in mijn eigen trekzetel of mijn eigen goeie bureaustoel zitten. Om nog niet te spreken van andere dingen waar ik u het leven niet mee lastig val.
Om, nog het moeilijkste van al, nog niet te spreken van tien dagen zonder Sandra en de kinderen te zitten. Was dat al ooit eens gebeurd, zo lang aan een stuk? Ik denk het niet.
Zelie heeft al beloofd dat ze haar on-line dagboek gaat bijhouden, ik zal ze elke dag bellen, en zo ongeveer mijn eerste aankoop wordt een webcam, dat we mekaar kunnen zien.
Want aan het ritme dat Anna groeit, tegenwoordig, zal ik ze niet herkennen als ik terugkom, denk ik.
Ha! Ik zit naar Comedy Central te kijken, naar gewoon de echte Daily Show, niet gedownload of niets. En straks naar The Colbert Report, en daarnet naar Futurama.
We zijn net terug van wezen eten, in zo’n ‘n all you can eat-ding in zo’n mall die tot een stuk in de nacht open is. Zo’n grill die zegt Chileens Argentijns te zijn, en daar vooral mee gelijk heeft dat ze er vooral Spaans spreken.
In heel Miami voor zover we het al gezien hebben na een namiddag, trouwens: ongeveer alle richtingaanwijzers en legendes in Engels en Spaans, na de standaardkanalen op TV een resem Spaanse, mensen op straat (tot een roedel op de fiets bereden politie) die Spaans spreken… weird.
Oh, de mensen spreken wel Engels hoor. ‘t Is te zeggen: ik vermoed dat ze in theorie dezelfde taal spreken die ik denk te spreken, maar in de praktijk valt dat allemaal veel minder uit. Toen ik in dat restaurant dacht proactief te zijn en een extra grote Cola Light bij te vragen, liep dat even in de soep.
– I’m sorry, could I have a large Diet Coke with my menu?
– An long what?
– Large. Coke. Diet Coke.
– A long? You wanna long?
– Erm. No. Diet Coke. Big. Additional. Extra. Another Diet Coke, with the menu. A big one.
– Long??
– No, sorry. A big coke. Diet coke.
[ik sla een hele hoop steeds genanter wordende stukjes misverstand over]
– You wanna soda with the menu?
– Er, yes.
Ik heb het opgegeven: niet doenbaar om de juffrouw te doen begrijpen wat ik wou.
Voor de rest: het ziet er hier een degelijk hotel uit. Dicht bij vanalles (voor zover iets dicht kan zijn in Miami, ‘t is hier allemaal zeer groot op zeer veel verschillende niveaus, en er is een monorail), aan het water, en propere kamers.
Het toekomen in Amerika was een belevenis: een uur staan wachten om eenentwintig man te zien verwerkt worden door de douane (vingerafdrukken, eikes), en dan de bagage gaan afhalen en bij het verlaten van de bagagehal en het niet meteen terugvinden van het nodige papier uitgescheten worden door de numskull van dienst. Enfin ja. En twintig meter later zat er nog een beklakte medemens op een stoel, die nog eens hetzelfde papier moest zien.
De vliegtuigreis was, tja, een lange vliegtuigreis. Elf uur op een vliegtuig met achter u een koppel Italianen die er elf uur over gedaan hebben om een speenvarken te kelen, of zo klonk het toch. Arno, zo heette het schat-ik-driejarig kreng, maakte er een sport van om recht te staan in zijn stoel en met volle kracht op de hoofden vóór hem te meppen (Basta, bellissimo, basta!). En dan neer te zitten en het tafeltje op en neer te klappen (Hihihihi Arno, bellissimo Arno, basta!). En dan, om geen enkele aanduidbare reden (of het zou moeten zijn dat mijn steeds ingewikkelder en geraffineerder plannen om het akelige kereltje en zijn ouders—een neurotische moeder en een mafieus uitziende vader met zo’n hoofdomvattende (kots) modieuze zonnebril—permanente schade toe te martelen ook werkelijk toekwamen in zijn besnotneusde hoofd) te beginnen kelen.
Kelen: beeld u in de fluittoon van een een fabriek, maar dan langer, met meer volume, en ettelijke keren hoger van toon. Iieeeeeeee!! ieeeeee!!! ieeeeeee!!! iiiiieeeee!!!
En dan dus elf uur aan een stuk.
De reis van Brussel naar Rome viel trouwens wel mee, behalve dat ik een drilbooraandoening heb gekregen wegens net boven de nokkenas te zitten of zo, in alle geval een plaats waar het non-stop vibreerde. En dat ze bij het aankomen en weer naar Amerika vertrekken vreemde vragen stelden.
– Why’d you leave?
– Business?
– No, why are you leave-a?
– I’m leaving for, erm, Miami?
– No, sir. Why are you leave eeng. A?
– Oh! “Where are you living?”
– Yes-a. Why’d you leave?
– Gent, Belgium.
Oh, en ja: het metaal in mijn rug doet tegenwoordig wel degelijk de alarmen afgaan. Daar ben ik tevreden mee, het is tenminste een compensatie. Want na de reis is mijn rug kapot. En andere dingen ook.
Eek. Het is nu 1u02, zegt mijn uurwerk me. En 7u02, zegt mijn computer me.
Als ik het nog pakweg een uur uithou, kan ik naar huis bellen. Maar misschien doe ik dat best niet: ochtendroutines zijn zo al moeilijk genoeg.
Vandaag in het kort: naar Fort Lauderdale gereden, bijna vermoord door een halfnaakte mevrouw, een burrito gegeten waar een Afrikaans vluchtelingenkamp een weekend op zou kunnen overleefd hebben, bijna afgeperst en gewurgd door een Zwarte Gangsterneger.
Oh, maar eerst een dienstmededeling:
Beste Amerikaanders,
Ik ben vanmorgen, voor zover ik kan zien als ik voorbij reflecterende oppervlaktes passeer, niét uit de hotelkamer gestapt met mijn “hallo ik ben eenzaam en ik zou graag aangesproken worden”-hoed op.
Als u zich niet kunt inhouden om te knipogen en te knikken, dan ga ik daar nog niet meteen opmerkingen over maken, maar ik wens écht niet uw opinie te horen over het weer, mijn fototoestel, of de wereld in het algemeen.
Het moment dat ik uw mening wil, zal ik er om vragen. Zullen we dat afspreken?
Nee maar, ‘t is toch wel waar zeker? We lopen hier rond, en om de zoveel tijd worden we aangesproken. In Fort Lauderdale aan het water: een tiep in een boot naar Bart en mezelve, So which one takes the better pictures? The Canon or the Nikon? Bart had een Canon rond zijn hand gewikkeld, en ik een Nikon, vandaar veronderstel ik de vraag.
Ik ben niet van slechte wil, dus ik zeg in het weglopen toch iets terug tegen die mens. It’s not the camera, it’s the lens, of zoiets. Een normaal mens denkt dat daarmee de uitwisselng voor bij is, en we zijn toch al weg aan het lopen, maar nee: GOTTA LOVE THAT RED RING!! keelt die mens onze ruggen toe.
Ja, en? En?
Als ik een vergelijking tussen Nikon en Canon wil, dan zal ik het internet wel eens uitprinten, beste anonieme miljonair op uw vijftigmeteryacht in Fort Lauderdale.
Afijn.
We zijn vandaag dus naar Fort Lauderdale geweest. Fort Lauderdale wordt ook wel Het Venetië Van Amerika genoemd, omdat het zoals Venetië een vergane glorie is die enkele eeuwen het centrum was van een handelsimperium, en dat het vol staat van middeleeuwse gebouwen die langzaam in een moeras aan het zinken zijn.
Of zo. We hadden geluk, namelijk: net naast de parking waar we de auto achterlieten, was het oudste huis van de hele stad. Gebouwd in 1901.
Maar kom, maar kom. Ik ben een zaag. Las Olas Boulevard, zo’n straat met allemaal kleine boetieken en restaurants, is het eerste niet ongezellige dat ik hier in de Verenigde Staten gezien heb, en Riverwalk was ronduit indrukwekkend: allemaal verschillende soorten palmen en mangroven en bloemen en dingen, met wandelpaden en, o ja: overal water en honderden en honderden boten en yachts erin.
En er liepen overal hagedissen rond, en er zaten allerlei insekten maar daar heb ik niet van dichtbij naar gekeken anders zou ik me slecht gevoeld hebben dat ik mijn macrolens toch niet meegenomen had.
En ik heb Bart een Lynndie England kunnen laten doen, wat eigenlijk veel minder grappig is dan ik het vind, vooral omdat Bart niet wist wat een “Lynndie England doen” is. Maar dus kijk, Mangrove met Bart, en inzoomen op het groot beeld om de Lynndie te zien:
Gaan eten in The Cheesecake Factory. Een Burrito, ik zweer het u, als hij geen twee kilo woog, woog hij niets. En dan nog een bord apart met bruine bonen en guacamole en salsa en andere vegetarische nonsens.
Ik was vast van plan om een cocktail te drinken, en op het eerste zicht zag een Strawberry Creamsicle er niet slecht uit.
Dat bleek een liter aardbeienmilkshake te zijn, met een halve bus slagroom erop, en vodka en amaretto erin.
Joy.
En nog zo’n les geleerd trouwens, na drie halve liters Cola Light: frisdrank wordt gewoon bijgevuld als het glas leeg is. Als men er geen meer bij wilt, dan moet men zijn glas een derde vol laten staan.
(Ja, ik weet dat ik ook de refill had kunnen weigeren, maar dat riskeer ik me niet meer. In de restaurants spreken ze geen Engels, namelijk.)
Naar huis gebeld, en de kinderen aan de lijn gekregen. Ze waren naar Man Bijt Hond aan het kijken. Zelie klinkt veertien aan de telefoon. Ze missen mij niet, denk ik. Mijn hart is gebroken.
Na het eten: gezworen dat ik nooit meer iets bestel waar er “grande” of “monster” of “large” of “big” op staat. En dan zijn we aangezet naar Fort Lauderdale Beach. Het was aan het regenen geslagen: bedriegtenboel! Zijn dát nu tropische klimaten? Grijze lucht en geen halfnaakte vrouwen op het strand?
Afijn. We hebben schelpjes geraapt, ik heb wat foto’s gemaakt: een meeuw, nog een meeuw, een dikke mevrouw in het water, Bart die foto’s neemt, Mieke die niet graag gefotografeerd wordt, een meneer die pootjebaadt, dat soort dingen.
Die dikke mevrouw is de halfnaakte vrouw die me bijna vermoord had, trouwens. Behalve dat ze enkel technisch halfnaakt was, in die zin dat zo ongeveer de helft van haar vlees zich niet in haar badpak bevond. En dat ze mij niet echt bijna vermoord heeft, maar wél een bijzonder boze blik wierp in de richting van mijn vierhonderd meter verder staande be-telelensde zelf.
Naar huis gereden, maar ondertussen wel gestopt in de lokale GB: kleine adeautes gekocht voor de kinderen, en twee kartonnen worsten met blikjes Coke Zero: twaalf Vanilla Coke Zero, en twaalf Cherry Coke Zero. Toen weterug in het hotel waren, bleek dat er op de gang een gratis ijsmachinedispensatiemachine staat: de ijsemmer gevuld, en nu heb ik dus heerlijk koude Cola—Cherry Coke is niet slecht, maar Vanilla Coke, daar zou ik mijn dagen mee kunnen vullen.
‘s Avonds nog naar een restaurant op zoek gegaan, maar het is hier allemaal dood in Miami om acht uur ‘s avonds. Al wat er nog open uitzag, was de Iron Sushi wat verder van het hotel. Gerund door, jawel, nog meer dames en heren die slechts in theorie Engels spreken.
En dan naar het hotel terug, en nog een avond van Comedy Central—zo’n goeie zender dat dat is: stand up, en dan Daily Show, en dan Colbert Report, en dan Lewis Black’s Root of All Evil, en nù Lewis Black’s Carnegie Hall Performance. Zo goed! Over een optreden van Aerosmith met N*Sync en Britney Spears (“the trifecta from hell”):
But I was lucky. I had a spoon in my hand. I put it in my ass.
You ask why? To distract myself from the pain. If I’m gonna hurt that much, I’m gonna do it to myself.
Oprah calls that empowerment.
Lewis Black is snel op weg om mijn favoriete comedian te worden.
De gangster die me wou wurgen, trouwens, da’s nauwelijks gelogen: een dikke zwarte medemens die niet content was dat ik zijn auto aan het fotograferen was. Ik vond het wel leutig, een geblindeerde cadillac met een achterkant vol zilveren doodshoofden, maar ik had niet gezien dat er nog allemaal zwarte medemensen in zaten. En dat, terwijl ik aan het focuseren was—dju toch, waarom blijft die auto niet stil staan?—de massiefste van de hoop uitgestapt was en naast mij was gaan staan.
“What you takin a picture of my wheels for, player?” moest die mens weten. “Well, er, I sort of thought it looked cool, you know?”was niet het juiste antwoord, want hij wou plots geld hebben. En hij keek even boos als de dikke mevrouw van daarnet—al is alles relatief: zo is eenzelfde boze blik van 400 meter ver minder erg dan op armsafstand.
Ik heb al glimlachend gezegd dat, euh, sorry, ik er toch geen geld voor over had. En dan ben ik rustig weggestapt, met mijn beste vriendelijke grijnslach op beau fixe vastgevezen. En zo kon ik dit toch nog schrijven.
Tjaha. Ik moet drie mensen teleurstellen, maar: in heel Miami, en in heel Florida voor zover de meneer van de Apple Store van Miami Beach wist, zijn er geen iPhones meer te kopen.
Niet dat ik van plan was om er te kopen en die dan over de grens te smokkelen of zo hoor, daar niet van. I’m just sayin’, is all.
(En heimelijk ben ik eigenlijk wel blij: al dat geld jong!)
Ha, kijk: mijn rug heeft mij ingehaald. Ik ben in het hotel teruggekomen, direkt in bed gekropen met pillen tegen de pijn, en er een uur of acht later pas weer uitgekropen.
We hebben gisteren nochtans niet echt veel acrobatieën uitgehaald, maar blijkbaar was het gewoon een beetje teveel.
Maar goed.
Miami Beach gedaan gisteren, en Ocean Drive,en de art deco-huizen aldaar. Ik mag dan wel eens lachen met Amerika, en dat de oudste huizen minder oud zijn dan de raamkozijnen op ons huis, maar dat was wel indrukwekkend.
In de jaren 20 heeft een tornade zo ongeveer heel Miami Beach platgelegd, en dan hebben ze het helemaal herbouwd in art deco-stijl. Niet zoals bij ons, een huisje hier en daar en wat art deco-accenten links en rechts, maar een hele wijk, bijna duizend huizen en hotels en winkels, allemaal gebouwd tussen 1923 en 1943, allemaal in amerikaanse art deco.
Mighty impressive, echt waar.
En dat de panden individueel gezien allemaal eigenlijk spuuglelijk zijn en dat de bouwkwaliteteit gruwelijk slecht is, doet daar eigenlijk geen afbreuk aan. En in het donker moet het helemaal in orde zijn, denk ik: met neon en verlichting en alles.
We hebben de buurt op en neer afgelopen, en dan zijn we op het strand gaan liggen. De collega’s zijn in de oceaan gaan zwemmen, ik had mijn boek mee en dus kon ik niet. En de conversatie rond mij was te interessant om niet te blijven liggen: drie jongeren die het hadden over hun seksuele exploten, die op alles en iedereen op het strand commentaar aan het geven waren, en die hun laatste veroveringen in detail aan het uitleggen waren.
Ik had mijn notaboekje moeten meenemen, want het was echt wel de moeite. In de zin van If I’d a known she wasn’t fourteen I’d a never hit it en een hilarische comedy of errors-vertelling van de jongste van de drie, die eindigde met Bitch was goin “don’t slap it around, fool, stick it in!”—so I stuck it in good. Bitch was yellin her head off.
Ik had eigenlijk niet verwacht dat de mensen in het echt ook spreken als levende clichés van op het interweb.
O ja, we zijn op onze art deco-wandeling ook langs de winkels gegaan: Lincoln Road, de achterkant van Ocean Drive, is zo’n beetje gelijk de Veldstraat maar dan in Art Deco en met naast mooie winkels ook veel brolwinkels en terrassen en restaurants. Serieus gezellig, eigenlijk, en de moeite van de omweg waard.
Het middageten hebben we overgeslaan, wegens dat we een laat ontbijt hadden gedaan op Ocean Drive: we zijn met een ijskreim op weg gegaan naar Key Biscayne. Het plan was niet helemaal duidelijk, behalve dat we naar een speelgoedwinkel wilden om speelgoed te kopen voor de kinderen.
Op weg naar daar bleek in de gids dat er een Seaquarium is met manatees! en dus moesten we daar eerst naartoe, dat spreekt. De gids is al een paar jaar oud, en de prijs bleek veel meeer te zijn, en er kwam zoals overal in Amerika blijkbaar ook nog eens taks bij (what’s up with that?), maar niet getreurd: we hebben manatees gezien.
En dolfijnen, en een orca, en haaien, en wilde pelikanen (waaronder één wilde pelikaan die de bekbuidel van een andere kapotgebeten heeft om de vissenkop die erin zat te pakken te krijgen), allemaal vissen, krokodillen, zeeschildpadden: whee!
De speelgoedwinkel, waar we dan een uur of twee later naartoe gingen, bleek trouwens een gewonen kleine winkel te zijn die nét gesloten was. Stom.
Nu moeten we dus nog altijd een grote speelgoedwinkel of een Walmart vinden. Voor de kinderen hé! De kinderen! Niet voor ons!
Om de dag af te sluiten zijn we in een Braziliaans steakhuis gaan eten, Porção. Het concept hadden we niet direkt door, we moesten eerst side dishes gaan halen (sushi, muntgelei, sla, paella, paté, don’t ask), en dan kwam er iemand langs die vroeg of we frieten, rijst, gebakken bananen of zwarte bonen moesten hebben.
Mhu? Wat?
Onze ober was weer maar eens zo’n theoretisch Engelstalige, maar deze keer was het nog vervelender: behalve geen kin, had de man ook een parodie-van-film-homo-lispel. Bijna volledig onverstaanbaar, met andere woorden.
Maar bon, het concept: iedereen krijgt een jeton met een rode kant en een groene kant. Als de groene kant naar boven ligt, krijgt men bij de volgende keer dat er iemand met een spies vol slees langskomt, vlees. Wat dat vlees ook moge zijn: sirloin, kippenharten, worst, lam, om het even wat.
De obers komen dan met zo’n enorm roodgloeiend zwaard waar het sissend vlees op zit, ze dumpen dat op uw tafel (vlekken makend en vet spattend op uw kleren), en sliederen het vlees eraf op uw bord.
En ze kijken u verkeerd aan als het niet snel genoeg gaat. Toen we tegen één van die viezerds met een koptelefoon op drie keer na elkaar “no, thank you” hadden gezegd (neen, geen cola meer voor het moment, neen, geen water meer voor het moment, neen, geen nieuw vlees voor het moment) schoot die in een vlammende colère: “no thank you no thank you no thank you? you gonna say no thank you to the bill too?”
Jezus.
Het dessert was een emmer vol vanillecrème en chocolademousse, en nog vóór de tafel afgeruimd was, stonden ze er al met de rekening.
Het moet snel, snel, snel gaan. Even blijven zitten zonder noodzakelijk iets te doen is duidelijk not done in die restaurants. En het was er nochtans verschrikkelijk duur.
Maar hey, we gaan niet klagen: we hebben goed gelachen, vooral die keer toen de ober Koen’s nog niet eens lege glas Ice Tea wegnam en er een glas Cola voor in de plaats zetten.
[foto’s zet ik er vanavond bij, nu vertrekken naar de Everglades!]
Ik wil maar even meegeven dat het een nachtmerrie is om foto’s op het internet te krijgen, hier in Miami. De belangrijkste boosdoener is niet eens het internet of zo, nee: het is gewoon de computer!
Om te beginnen: als ik zo’n kaartje van 4 GB foto’s op de computer wil krijgen, dan moet dat via USB 1.0. USB 1 is geen USB 2, en dus duurt het gemakkelijk een paar uur—jawel, een. paar. uur—voor alles erop staat. Het is niet alléén dat het een oude, trage USB-dink is, maar ook dat het een relatief trage computer is.
Dat is geen enkel probleem als het om teksten te typen is of om op het interweb te surfen en dingen, dat is wel een probleempje als het om beelden van vijftien megabyte of zo gaat. Enfin ja, gisteren was ik dus een beetche moetches en een beetche slechtekes, en ben ik in slaap gevallen voor ik de foto’s op Flickrdr had gekregen.
Vanmorgen had ik ze ergens tussen zeven en negen wel in orde gekregen, maar nog niet ge-uploaded. En bij deze dus wel. Dus, without any further adieu: de foto’s van gisteren, en dan meteen ook die van vandaag, als het nog lukt.
Kijk, deze is zelfs nog van eergisteren:
Mijn redding op de hotelkamer! Een ijsemmer, een lade vol blokjes Vanilla Zero en Cherry Zero, en gratis ijs verder op de gang! Machtig goed!
Ik had even gespeeld met de gedachte dat ik die 48 blikjes zou in mijn valies steken en meenemen naar België, maar gezien ik ondertussen al een volledige valies vol cadeaus heb, ben ik mijn Cola wijselijk aan het opdrinken, ijsemmer per ijsemmer.
Afijn. De foto’s van gisteren, dus. Om te beginnen, Ocean Drive en de Art Deco-wijk. Een hele wijk, een kleine duizend huizen, allemaal Art Deco. Op een handvol na allemaal lelijk en gebouwd op de meest El Cheapo-wijze die men zich kan inbeelden, maar het totaalbeeld is meer dan de moeite waard:
De voorkant, Ocean Drive, is vooral hotels en dure winkels en zo. De achterkant, Lincoln Avenue, is vooral dure winkels en eethuizen. De straten tussen Lincoln en Ocean zijn vooral goedkopere winkeltjes. Makes for an interesting contrast.
Meer bedelaars dan ik gedacht had, om de één of andere reden: mensen die u aanklampen met een variant op “hey buddy, i’m homeless”. Nee, dan deze, die eigenlijk helemaal niet zo slecht zat te rappen (en niet te vergeten: grappig ook nog):
Next up: Miami Beach. Tja. ‘t Is een strand hé. Veel zand, veel zon, veel water, veel mensen. Mooie strandcabines:
Veel meneren die zichzelf net iets te serieus nemen—deze meneer sjokte aan nul komma vijf per uur voorbij, man-boobs a-quiverin and a-shakin:
En ook wel mevrouwen die geen pijn deden aan de ogen. Niet echt zo enorm veel verblindend mooie, maar toch genoeg dat ik niet verdoken moest opgesteld staan, en zonder recht te staan van waar ik zat, foto’s kon nemen:
Hey, ik moest toch iéts doen terwijl Bart en Koen en Mieke aan het plonzen waren en ik op hun gerief aan het passen was?
De foto’s van het Seaquarium ga ik hier niet posten, trouwens. Als Louis ze zou zien, zou zijn hart breken.
Oh, nog zoiets over tropische klimaten: wij hebben in België zo van die ficussen staan, smerige planten die niet liever doen dan miserabel zijn, met allemaal uitvallende bladeren en “oh, oh, ik word mishandeld en ik krijg niet genoeg licht en water zie mij zielig staan doodgaan”, en ons schuldgevoelens geven en alles.
Hier staan die smeerlappen gewoon open en bloot, te groeien alsof er geen morgen meer is:
‘t Is dus niet alsof ze niet kunnen groeien, ‘t is gewoon dat ze niet willen, de schurken.
En pas op, dat zijn dan nog alleen de ficussen! De yucca’s doen het nog viezer:
Niets te zien behalve een onnatuurlijk grote yucca? Niets te zien? Serieus? Kijk van dichterbij!
Ho, kijk nu: ik kan zelfs geen pap meer schrijven.
De dag is nochtans zeer eenvoudig verlopen: opgestaan om iets voor zeven, foto’s van gisteren proberen te bewerken, met Koen en Mieke in de auto gesprongen (Bart had al een pre-conference workshop vandaag) en naar de Everglades gereden.
Even overleg of we naar het noorden zouden gaan dan wel naar het zuiden van de Everglades; uiteindelijk is het Noord geworden, en hebben we er op zo’n platte boot met een grote ventilator gezeten.
De meneer die ons vervoerde zag eruit als een gevaarlijke ontsnapte gevangene en deed een verhaaltje dat hij wellicht al een keer of duizend gedaan had, over hoe hij ons zijn backyard toonde, en hoe hij de stoute bezoekers in het water zou schoppen en zo, maar het was eigenlijk wel duidelijk dat hij er mee inzat.
Hoe het waterniveau veel te laag is voor de tijd van het jaar, en dat het eigenlijk helemaal niet zo goed gaat met de Everglades. Wat we eigenlijk ook zelf wel een beetje in het snotje hadden, want ik denk niet dat helemaal normaal is dat er kilometerslang na elkaar niet anders dan dode boomstronken langs de weg staan:
Um, ja. En voor de rest is het wel iets anders om echte alligators in het echte wild te zien, as opposed to alligators in een zoo.
Die beesten kunnen blijkbaar zo hoog springen als ze lang zijn—en er zaten er van meer dan twee meter lang. Creepy!
En de Everglades zijn geen moeras maar wel de traagst stromende rivier te wereld, die vol staat met gras. Dat ge’t weet.
Daarna zijn we naar Key Largo gegaan, en hebben we er een toer op de zee gedaan met zo’n boot met een glazen bodem, een, hoe heet het, zeeziekmaakmachine.
Ook daar: het is echt iets anders om echte stingrays en barracuda’s en murenes en dingen in het echt te zien, as opposed to in een aquarium.
En dan hebben we twee en een half uur op de Atlantische Oceaan gezeten, is iedereen niet echt zeeziek maar dan toch wel serieus queasy geworden. Beeld u in een boot, op volle zeer, die heksentoeren uithaalt, rechts, links, op, neer, ronddraaien als een tol, om welbepaalde stukken koraalrif in het vizier te houden en van tijd tot tijd ook specifieke beesten te achtervolgen; beeld u ook in dat in die boot kleine venstertjes heeft in de bodem, en dat men dus zonder enig referentiekader naar die vensters aan het kijken is, die dan nog eens een sterk perspectiefvervormd beeld geven: ik moet er geen tekening bij maken, zeker?
Ik had kauwgomijs gegeten—smurfenblauw, taste of superbazooka, met echte bollen kauwgom erin—en ik heb alles binnengehouden, maar het had geen uur meer mogen duren.
De zwangere jongedame heeft daarentegen wel haar ziel uit haar lijf gekotst, en daarmee wisten we meteen waarom de boot vóór het vertrek rondomrond proper gespoten moest worden.
En dan zijn we naar huis gereden over Interstate 1: zonder enige overdrijving op dat stukje tussen Key Largo en Miami, zéker een stuk of vijftien Wendy’s en evenveel Taco Bells gezien, wel dertig Animal Clinics, en voor de rest eigenlijk in het algemeen: om de tien kilometer nog eens dezelfde winkels van dezelfde mensen.
Akelig.
We zijn er een Wallmart tegengekomen: daar waren we al een tijd naar op zoek, om speelgoed te kopen. Voorwaarde was dat het alleen maar dingen zouden zijn die niet in België te krijgen zijn. En ik moest Reese’s Butter Cups kopen en zo. The upshot: ik ga denk ik een nieuwe valies moeten kopen, zó enorm veel heb ik ondertussen al bijeengekocht.
En dan zijn we in een Taco Bell gaan eten omdat Koen absoluut in een Taco Bell wou gaan eten. Het was bleh, maar ik verwachtte niet meer. En vanaf vandaag eet ik alleen nog maar fruit en sla, denk ik. Genoeg ongezond gegeten voor de rest van het jaar.
(foto’s morgen, wegens, inderdaad)
(en ik ga er niet meer over zagen, maar ik ben zeer, zéér blij dat dit de laatste free range dag was en dat morgen de conferentie voor ‘t echt begint: het is nu echt serieus op het randje van het bleiten, met mijn rug)
Zonet een hele dag workshop over Information Architecture 3.0 meegemaakt. Door Peter Morville (dé! van het lemurenboek en het ijsberenboek!) gedaan, en met allemaal collegae informatie-architectuurderers in de zaal.
Pas op, interessant hé, daar niet van, absoluut wel interessant. Maar dan wel interessant voor mensen die niet echt iets afweten van IA en dingen. Kijk, oordeel zelf (16.5 MB PDF).
Niet verwacht dat ik dat nog eens snel zou zeggen, maar: ik vond het allemaal te praktisch, en ik zou daar graag een paar theoretische modellen tussen gezien hebben. Of, natuurlijk: een heel stuk méér praktisch, en met echt uitgediepte case studies. Of, wat ook had gekund: meer passie, Morville de ooit-bibliothecaris aan het woord over waar hij van wakker ligt. Of nog: meer visie, Morville (dé!) over waar volgens zijn kennis en ervaring IA naartoe ziet gaan.
Meer focus, meer diepgang, meer vlees aan de benen, zoiets. Maar in alle geval: niét een tour d’horizon van IA voor beginners.
Afijn. Een mens mag niet met teveel verwachtingen naar dergelijke dingen gaan, vermoed ik.
En als ik naar CHI was geweest, was het misschien allemaal té theoretisch.
Expectation management, mevrouw mijnheer. Zoals Wallmart in de keynote van Jared Spool vanmorgen: als de mensen verwachten dat het op niets zal trekken, kunnen ze alleen maar aangenaam verrast zijn.
Um… even nadenken, de sessies vanmorgen. Jared Spool dus, met de keynote. Dat user-centered design is zoals de steen in de steensoup (zie ook: fractint, en duizenden sindsdien), in die zin dat het eigenlijk niet werkt, maar dat het nuttig is om de mensen samen te krijgen, en buy-in, en nadenken, en alles.
Vergeet methodologieën, zegt Jared, en concentreer u op technieken en truken van de foor. In zijn onderzoek is gebleken dat bedrijven die het slecht doen, achter een methodologie neigen te hollen, en hoe slechter het gaat, hoe meer. Neen, zegt hij, kijk naar drie dingen:
Visie: iedereen op het team moet weten hoe de dingen (de interface, het project, het bedrijf, trala) er zullen uitzien binnen vijf jaar. Bij Apple weten ze hoe hun producten gebruikt gaan worden binnen tien jaar.
Feedback: iedereen in het bedrijf (op het project) moet minstens om de zes weken minstens twee uur obserververen hoe de gebruiker met het ding (de interface, het product) omgaat. Twee uur omdat dan pas de uitzonderingsgevallen naar boven komen en de kleine problemen, en zes weken omdat men na zes weken de lessen van de observatie niet meer visceraal aanvoelt.
Cultuur: het bedrijf (team, whatever) moet een sterke eigen cultuur hebben. Zoals pakweg feestjes voor mensen die zware UI-fouten maken. Of zoals bij Apple, dat alleen wat Steve belangrijk vindt, goed moet zijn. Euh. Denk ik.
Zo wisten we dat ook alweer. Het was zeer onderhoudend gebracht, en er zit natuurlijk wel waarheid in.
De eerste sessie van de voormiddag was Matt Hodgson, over semantische (allez, ‘t is te zeggen: syntactische) analyse van content. Interessant om te gebruiken op zin-niveau en voor eenvoudig gestructureerde content (bijsluiters van medische producten, regels voor import-export), maar misschien moeilijker voor meer ingewikkelde situaties.
Tweede sessie: Tingting Jiang over hoe folksonomy past in het rijtje hiërarchische systemen – faceted classification – dynamische clusters.
Hoor ik u in koor huh? gaan, hoor ik dat goed? Wel, van hetzelfde deken een kous alhier. Die drie dingen zijn drie verschillende zaken, niet drie fundamenteel andere manieren van informatie-ordening: een faceted systeem kan een diepe hiërarchische component bevatten, en kan een folksonomy bevatten. Een clustering-dink is niet noodzakelijk, zoals de dame zei, post-query, en is in haar voorstelling enkel een post hoc visualisatie. Een folksonomy is niet noodzakelijk enkel alleen voor beginners en naieve gebruikers, zoals de dame zei.
Enfin bon. Als ik ook een derdejaars-PhD-ding wil doen, weet ik dus aan welk niveau me te houden.
De namiddag begon met Joe Lamantia die zijn building blocks design framework voorstelde. “Om de twee sessies is er wel één met een framework,” bekloeg Peter Van Dijck zich, maar hey, meneer Lamantia schrijft daar nu al zo lang over op Boxes and Arrows, en wij doen ook wel eens regelmatig van die grote portaalsites, dus wie weet was het wel interessant en zou onze lamp plots aanfloepen.
Euh, nee dus. Een presentatie van een halve dag in drie kwartier wurmen, om de slide er vier overslaan met “I’ll skip this”, en dan nog een kwartier langer spreken dan voorzien en niet gedaan krijgen, da’s al meteen verkeerd. Doe uw huiswerk een beetje beter, zou ik zeggen. En dan heb ik het nog niet over de inhoud: nee, het is inderdaad niet anders dan wat er op Boxes and Arrows al stond. Maar bon.
Gelukkig was de presentatie van LukeW, over best practices voor content page design een hele stuk beter. Mooi gemaakt, goed gegeven, pretentieloos, en interessant: een groot deel van de bezoekers van uw website komt niet via de voordeur binnen, en wat kan daar dan aan gedaan worden. Niets dat niet in een blogartikel of twee had gezegd kunnen worden, maar dat is vervelend doen om vervelend te doen.
Daarna kwam Jess McMullin met nog een framework: The business of experience – The experience impact framework. Jess Mc Mullin is de meneer van het bedrijf dat hier op de summit IA Trading Cards heeft uitgedeeld: de oude truuk van “verzamel alle kaartjes en socializeer op die manier”. Hij gebruikte dat als voorbeeld om te tonen hoe men projecten kan verkopen. En dat was het zowat: hoe verkoop ik projecten. Salesmanship 101, in de zin van “onderzoek met wie u te maken heeft”, “vind wat zij doen”, “vind wat zij belangrijk vinden”, “stel open vragen en ga dan over op gesloten vragen en dan naar engagementvragen”. Uh huh.
Ik ben het nu vergeten, maar er was zo’n prachtig Frans model, van de verschillende soorten klanten: de klant die macht wilt, de klant die naar veiligheid zoekt, de klant die nieuwigheid wilt, etc. En dan hoe die verschillende klanten hetzelfde project kunnen verkocht worden: “uw intranet zal u toelaten om al uw medewerkers in het oog te houden”, “uw intranet is het nieuwste van het nieuwste”, dat soort zaken. Daar deed het mij wat aan denken, bij momenten, maar dan minder uitgewerkt en meer voor de hand liggend.
Om maar te zeggen dat het mij niet kon boeien: ja, duh dat we moeten weten wie de chamption is en wie de criticus en wie de peers en de bosses. En ja duh dat we geen verkoopsgesprek gaan beginnen met “gaat u van ons een expert review kopen?”
Afijn.
De dag werd afgesloten met Inspiration from the edge: New patterns for interface design door Stephen Anderson. Wel een leuke presentatie, niet veel dingen gezien die we nog niet gezien hadden. Ik had drie kwartier kunnen vullen met enkel dingen uit World of Warcraft, en dat zou denk ik minstens even interessant geweest zijn, maar bon.
What makes games compelling? Dat het operante conditionering is (iedereen zijn eigen skinnerbox!), dat er rewards gegeven worden, dat het leutig is om te interageren, en dat het audiovisueel gesofisticeerd is.
En daar zijn lessen uit te leren voor design van applicaties.
Oh, een plezier om eens een presentatie mee te maken die er niet van uitgaat dat we alles moeten uitgelegd worden:
En dat Google Image Labeler en Yahoo! Answers mooie voorbeelden zijn van gaming interfaces toegepast in het echte leven. En NASA’s MMO (“for people who like WoW but would like it a bit geekier”), en dingen.
…om dan verder te gaan naar minder voor de hand liggende voorbeelden: personal finance is eigenlijk ook een spel. We beginnen met een vast objectief, en er zijn regels.
Maak daar een game van door de interface te gebruiken om succes te arbitreren (dus dat we zelf niet meer moeten nadenken), geef de interface wat macht (door bvb. online bankieren te laten doen), en zorg voor rewards (met mooie grafiekjes, of met een automatische aankoop bij Amazon als een bepaalde budgettaire norm gehaald werd).
Yay, game! En budgetteren is plots leuk geworden, met high scores en dingen!
Ferrara identificeert vervolgens een aantal patronen in (video)games die onmiddellijk nuttig zouden kunnen zijn in web en applicaties:
persoonlijke aanwezigheid: video games zijn omgevingen waar een sterke “ik” aanwezig is — op het web is er enkel een oppervlak dat bespeeld kan worden, en de “ik” is de cursor.
beweging in tijd: in games gaat de tijd vooruit, in pakweg Word maakt het niet uit of er veel of weinig tijd vooruit gaat. Men kan stappen achteruit gaan (met een undo-lijst), maar de tijd maakt niet uit.
meervoudige ervaringen: in games verandert de ervaring naargelang men speelt — in Black & White bijvoorbeeld wordt men slecht of goed, en verandert het spel daardoor ook. Op het internet kan men wel verschillende profielen hebben, maar dat is, ahem, zwart/wit, niet evolutief.
onzekerheid: lijkt contra-intuïtief voor applicaties, maar maakt het allemaal interessant, en zou essentieel kunnen zijn voor saaie applicaties.
mini/macro-zicht: mini-maps in WoW of Age of Empires geven tegelijkertijd detail en overzicht.
health bars: geven een constant overzicht van hoeveel van een schaarse resource er is, zou nuttig kunnen zijn voor bijvoorbeeld scheduling (“vandaag moet ik nog X uur werken”, “deze maand nog X beschikbare mandagen”, …).
tutorials: vroeger waren er wel tutorials in software, maar tegenwoordig is die er niet. Game interfaces hebben een beweging gemaakt naar meer learnability, software net de omgekeerde beweging.
collaboratie: tegenwoordig essentieel in games, waarbij mensen moéten collaboreren om te kunnen spelen. Redelijk toepasbaar op businesscontexten, uiteraard.
…en dan sluit de man af met een paar nieuwe evoluties, die niet meteen toepasbaar zijn: de WiiMote, de Nintendo DS met voice en handwriting recognition, shorthand gestures, etc.
Oh, en een demo van Sony’s EyeToy, waarbij een slachtoffer uit het publiek vensters moest kuisen: wijs.
Het meesterplan was: we gaan naar Little Havana. Ik dacht eerst op mijn kamer te blijven zitten—rondlopen, niet zo fijn altijd—maar dan uiteindelijk, na toch wel zeker tien seconden bedenktijd, alsnog meegegaan.
Eerste kerfuffle om te kijken welke metromover we (=Koen, Bart, Mieke, Freya, Sabine, Alain, mezelf) precies gingen nemen: een aantal van ons dachten dat de metromover aan ons hotel ook wel de Brickell South Loop deed, één andere die anoniem zal blijven—laten we hem K noemen—was ervan overtuigd dat het het volgende station pas was dat ook naar South ging.
Wij dus naar daar drentelen, en om de één of andere onverklaarbare reden niet de lift genomen maar de trappen te voet gedaan. Wellicht omdat de metromover aan ons hotel maar een paar verdiepingen hoog is (en er zijn dan nog eens roltrappen), maar die dingen zijn zoals een montagnerusse: er zijn haltes die op de grond liggen, er zijn er die halfweg de wolkenkrabbers zitten. We hebben zeker een half uur trappen gedaan, in alsmaar drukkender wordende tropische lucht.
Of zo leek het toch.
Metromover genomen en dan nog eens een station te vroeg afgestapt (Fifth in plaats van Eighth Street), en dan te voet—te voet!—naar Little Havana, dat eerst een tweetal blocks verder zou liggen, en dan plots meer tien of twaalf!
Mh. Ik zou eigenlijk wel willen luid klagen, maar ik mag niet: het was uiteindelijk van hotel tot waar we gestopt zijn nauwelijks vier kilometer, da’s dus nie thet einde van de wereld.
En vooral: het restaurant waar we compleet per toeval binnengestommeld zijn—vooral omdat het het eerste restaurant was dat geen junk food was, en waar er geen muzikant aan het zingen was—bleek zowaar het beste van de hele week te zijn.
El Cristo, op Calle Ocho (1543 SW 8th Street, Miami):
Het zag er een typische Cubaanse dink uit, maar de dienster zag er helemaal zuidamerikaans-indiaans uit: ze bleek eigenlijk Boliviaans te zijn.
De menukaart was uitgebreid en het een zag er eigenlijk al beter (en onbekender) uit dan het ander: we hebben de juffrouw proberen diets te maken dat we zes schotels wilden, die we dan met zo’n allen zouden opeten, en dat ze zelf mocht kiezen wat en hoe.
Dat ging er niet zo meteen in: uiteindelijk heeft ze allerlei voorstellen gedaan en heeft Sabine, Spaanssprekende Van Dienst, op alles “euh, zeker, doe maar” gezegd.
En wij maar blijven aandringen “doe maar iets” en “stel maar iets voor”, en de juffrouw uiteindelijk dan toch, als we naar de specialiteit van het huis vroegen: iets Boliviaans, dat niet op de kaart stond. Ik heb geen idee meer van de naam, maar het was in alle geval een goed idee.
Wat we uiteindelijk kregen: een langgerekt soort biefstuk, een chicken fingers-achtig iets, garnalen op een spies, iets met varkensvlees. En dolfijnfilet. Omdat ik wil zeggen dat ik dat gegeten heb. Nyuk nyuk. En ook: heel lekker. Tussen malse tonijn en kip en zeetong. Wit vlees, ook, zeer vreemd.
…en dan de Boliviaanse specialiteit. Een soort dunne stoverij, daarboven frieten, en daarboven tomaten en ajuinen. Foto’s van voedsel in behalve donkere neonverlichte etablissementen zien er zó al niet smakelijk uit: you’ll have to take my word for it, het was weird, maar wel lekker.
Vanavond nog eens dolfijn eten, denk ik.
Dat van die muzikant is trouwens nog goed gekomen: we zaten er nog maar pas, of er kwam een zanger binnen. Ik zeg “zanger”, ik bedoel eigenlijk “meneer die plaats nam achter een keyboard en ruwweg in de richting van een melodie en toonhoogte geluiden maakte”.
De grote klassiekers, te beginnen met Guantanemera, allemaal met a thousand and one strings gecombineerd met Casio salsa rhythm 2 + intro/outro op de achtergrond. Maar dan wel op Prozac, aan 75% van het normale ritme: Mambo Kings it wasn’t.
Verder in El Cristo: een tafel met drie politieagenten en een juffrouw, en aan de toog “de beste congaspeler van Miami”. En dat alles overgoten met een zeer sympathieke Boliviaanse opdienster die zo ongeveer een half woord Engels sprak: klasse.
We hebben een fooi van 40% gelaten, en zo hebben we voor $ 20 per persoon een voorgerecht, hoofdgerecht, drank en dessert gegeten. Value for money, mevrouw mijnheer.
Ah ja, en dan we zijn helemaal te voet terug naar het hotel gegaan: het was zo doef als dertig graden en 100% vochtigheid doef kunnen zijn. Door Little Havana, en door straten parallel aan Calle Ocho: kásten van huizen naast ruïnes naast nog kastelen naast gedelapideerde praktisch trailers. De contrasten, van staat tot straat en zelfs binnen de straten zijn hier soms redelijk hallucinant.
En ik heb zeer goed geslapen: de airco op 17° gezet, dan is het bed altijd warm.
Vandaag nog sessies, en dan vanavond mijn valies pakken. Dat zal nog iets helemaal anders zijn: in het gaan had ik er meer in gestoken dan ik nodig zou hebben, omdat de valies niet vol zat en alles aan het rammelen was.
In het terugkeren, ah, hum. Te beginnen met stukken koraal en schelpen, en spekken, en speelgoed voor de kinderen, en vanalles: ik ben er een beetje bang voor.
En dan nog de breekbaarheid van de dingen, of beter: de lekbaarheid. Ik heb dingen met zeep en dergelijke: wie weet krijg ik daar wel problemen mee op de luchthaven!
Gisterenavond zijn we gaan eten in Blankenberge-plage. Te zeggen, in de tourist trap aan Bayfront, in een pseudo-Italiaan, voedsel in ons hoofd gaan steken.
We zaten op de boardwalk, aan het water. Klinkt mooi? Mhuh. Denk niet “water”, denk drukke straat met voorbijrijdende Johnny’s, maar dan met boten. En voorbijsjokkende Amerikaanders met bijhorende vrouwmensen. Steatopygie-city, als het ware.
Het eten? Niet slecht per se, maar voor één keer wel kleiner van porties dan verwacht: vier soeplepels risotto voor mij en dan een oversized ijspraline, en géén refills voor de Cola Light.
Maar! Highlight van de avond! Naar het toilet gaan in de Tourist Trap.
Ik sta op van tafel, mosey along naar het hoofdgebouw, binnengekomen: idem, maar dan rondkijkend zoals mensen doen die het toilet zoeken en het niet durven vragen.
En dan grijpt plots een mevrouw mijn elleboog vast: this way, sir. In een gang, waar in de verte inderdaad de toiletten zijn. Vrouwen één kant, mannen en gehandicapten de andere kant.
Ik stap binnen in het toilet, en het is zo’n klein kamertje in L-vorm: links twee wasbakjes, rechts twee pissijnen, en dan naast de wasbak een kotje met een klapdeur voor number twos.
Iedereen in koor: “Met een klapdeur?!”
Ja, met een klapdeur.
Mijn probleem niet, gelukkig, ik was daar alleen voor de number one. Wat mijn probleem wél was, is dat daar een grote zwarte meneer stond. Niet dat hij zwart was, hij mocht blauwgespikkeld zijn voor mijn part, maar wel dat hij daar stond. Stil te staan. Aan de wasbakken.
Wat doet een mens dan? Juist: in het number two-kot gaan zitten, zijn ding doen, en wachten tot de meneer weg is om er weer uit te komen.
Het number two-ding met een klapdeur. Rechtstaande ging de klapdeur van mijn knieën tot aan mijn schouders. En zat er tussen de klapdeur en de muur een gerre van een handbreedte.
Om dat in perspectief te zetten: gesteld dat ik mijn broek zou moeten afsteken, dan was er géén manier om dat te doen zonder een streep van een hand breed, van kop tot teen, te tonen aan de grote zwarte meneer bij de wasbakken.
Wat doen een mens dan? Juist, in een hoek van het number two-kot gaan staan tot de grote zwarte meneer weggaat. Gelukkig—gelukkig!—had ik een boek mee: gelukkig ben ik altijd op dergelijke situaties voorzien.
…maar de grote zwarte meneer gaat niet weg. De grote zwarte meneer blijft daar staan, onbewegend, aan de wasbakken. Ik kan dat zien, want ondertussen heb ik me neergezet, en mijn hoofd bevindt zich net naast de handbrede ruimte tussen deur en muur.
De ene na de andere mens komt binnen, doet zijn ding, en gaat weer buiten. En ik zit mijn boek te lezen op het toilet. En de grote zwarte man staat stilzwijgend te staan.
Sorry, maar ik ga écht niet in het openbaar, slechts verborgen door een klapdeur, met een andere mens op dertig centimeter van mij, mijn gerief zitten doen.
Ik lees mijn hoofdstuk af in mijn boek, en ik maak er een gedacht van: wat nadrukkelijk gefrummel met WC-papier en mijn broek (frunnik, ritsel), ik spoel door, de deur open, zonder spreken richting wasbak gaan om mijn handen te wassen…
Splotsj!
De grote zwarte meneer heeft zich met katachtige reflexen in mijn richting gedraaid, een pousse-mousse met fluorescerend roze smurrie bovengehaald, en een splurg van die smurrie in mijn handpalm gespoten.
Ieek!
Op zo’n moment daag ik iedereen uit om dezelfde koelbloedigheid als mij aan de dag te leggen: ik ben niet beginnen gillen of als een wijf met mijn handen gaan wapperen (en in the process allemaal slijmdraden smurrie op mezelf en grote zwarte meneer krijgen). Ik heb mijn handen gewassen, en ik heb stoïcijns geprobeerd naar achter te schuifelen eens mijn handen gewassen waren.
Guess again: grote zwarte meneer houdt me tegen.
Houdt. Me. Tegen.
Zonder woorden duwt hij mij drie stukken wc-papier in de handen, en gebaart hij “afdrogen”.
Ik heb afgedroogd, ik heb gezegd dat ik geen geld op zak had, en ik ben shell-shocked terug naar mijn tafel gestommeld.
Ha, beeld het u in: de twee meest interessante presentaties van het hele evenement waren de twee laatste.
Die van een paar mensen van Kent State over Q-methodologie en de mogelijke toepasbaarheid voor IA en UxD en dergelijke: het eerste ding waar ik niet met een half oor kon luisteren om méér dan mee te zijn. En het allereerste van de hele week waar ik nog niet bekend mee was.
In het kort: met Q-methodologie kan men subjectiviteit op een systematische manier bestuderen. Oh, en het is géén traditionele statistiek, of “R-methodes” zoals ze het noemden.
Men vertrekt van een “concourse”: discussie, gesprekken, interactie (in woord en/of in beeld) rond een bepaald onderwerp. Daaruit wordt een reeks statements gehaald. Enkel subjectieve statements, dus zaken als “ik heb een hekel aan honden”, “honden stinken”, “katten zijn onbetrouwbaar”, “kinderen stinken minder dan katten”, “kinderen zijn een gemak want ze kunnen met hun handen in de bierglazen voor de afwas”.
Welke statements uit de concourse halen? Hangt ervan af hoeveel categorieën (en eventueel dimensies) er onderzocht worden. In het voorbeeld hierboven, zou men kunnen statements zoeken over drie soorten huisbewonders: kinderen, katten, en honden. Tien van elk zou dan dertig statements zijn. Of, stel dat men in twee dimensies wilt gaan, hygiënische en emotionele argumenten zoeken. In dat geval moeten er argumenten zijn om alle vakjes in een matrix van drie (soort bewoners) maal twee (soort argumenten) te vullen: pakweg zes in elk vakje, maal twee maal drie, is 36 statements.
Geef aan mensen (één per één, niet in groep) de statements, en vraag ze de statements te ordenen, bijvoorbeeld op een schaal van -3 (helemaal oneens) tot +3 (helemaal eens).
Maar, kleine rub: de statements moeten in een geforceerde normaalverdeling gestoken worden. De eigenlijke verdeling is niet écht belangrijk, maar is meestal iets platter dan een “echte” normaalverdeling. Het is wél belangrijk dat iedereen dezelfde geforceerde verdeling heeft en dat ze symmetrisch is rond een neutrale positie: stel dat er twintig statements zijn, dan mogen de mensen bijvoorbeeld één statement -3 geven, één statement +3, twee statements -2 en twee statements 2, vier statements -1 en vier statements +1, en dan uiteindelijk zes statements 0.
Mensen beginnen meestal met twee of stapels: ja en nee, wel of niet, akkoord of niet, eventueel een stapel “onbeslist” in het midden. En dan wordt het moeilijker en moeilijker, want uiteindelijk moeten heel veel vergelijkingen en afwegingen gemaakt worden: men kan niét zomaar zeggen van alles “oh, ‘t maakt mij niet zo uit”, of “dit vind ik óók heel erg belangrijk”. Alles moet een plaats krijgen, en er zijn maar zoveel plaatsen voor elk gevoel tussen “helemaal eens” en “helemaal oneens”.
Oh ja, nog een leuk detail: de mensen moeten sorteren volgens een bepaalde “condition of instruction”. Die kan zijn “volg uw gedacht”, maar, die kan ook zijn “sorteer deze dingen alsof het nu schoolvakantie is”, of “beeld u in dat u al het geld van de wereld heeft en een nanny”.
Of, haha, voor de UCD-mensen onder ons: “volg de gedachte van Johan Verlsagmulders, onze persona voor project X”.
Op die manier kan men nuttige resultaten krijgen aan de hand van een zeer klein aantal personen—zelfs één persoon!
Afijn, dan zijn een reeks statements allemaal een paar keer normaalverdeeld, en dan worden er correlaties getrokken en (shudder! horror!) wordt de correlatiematrix door een factoranalyse gedraaid, en komen er een aantal factoren uit voor de verschillende subjectieve segmenten.
Ik heb de mensen aangesproken na hun presentatie, en ze verzekerden mij dat er programma’s bestaan die dat allemaal automatische doen, en dat het een druk op een knop en 20 milliseconden duurt, dat er geen enkele kennis van statistiek voor nodig is om mooie grafieken te krijgen.
…want het is pas als de factoren er zijn, dat het leuke werk begint: de interpretatie.
Zo zouden er bijvoorbeeld uit het onderzoek naar boven kunnen komen dat er hier kattenliefhebbers zien die houden van kinderen, dààr hondenliefhebbers die allergisch zijn aan kinderen. Of, ander mogelijk resultaat: hier dierenliefhebbers, dààr kinderliefhebbers. Of dergelijke.
Het klinkt voor de hand liggend, maar wat er gebeurt, is dat men vertrekt van een aantal statements, die op de één of andere manier in logische categorieën gestoken worden (“honden stinken” is een statement dat aangeeft of men een hondenliefhebber is), dat er dan een systematische analyse gebeurt, en dat die kunstmatige zelfgemaakte categorisatie vervangen wordt door een “echte”, operante categorisatie, die functioneel is en niet (enkel) logisch.
Het gaat ook—belangrijk—om een kwalitatieve analyse, die substantieel los staat van de absolute of relatieve aantallen: als de analyse gebeurd is, weten we zeker dat de gevonden factoren bestaan, zelfs al weten we niet hoe het zit met de percentages van de algemene bevoling die onder de groeperingen vallen.
* * *
Ik heb nooit statistiek gedaan, laat staan psychometrie, en dus heb ik het misschien allemaal helemaal verkeerd voor, maar dat is toch wat ik ervan begrepen heb. En tot een stuk in de namiddag duizelde mijn hoofd een beetje bij het zoeken naar manieren om dat toe te passen.
Binnen een uur of twee ga ik een uurtje in bed liggen, en dan naar het Science Museum voor de tentoonstelling over Chinese dinosaurussen.
En dan naar het vliegtuig, en dan veertien of vijftien uur vliegen en toekomen ergens in de namiddag op woensdag, en dan de trein naar Gent, en dan de bus naar huis, en dan een opleiding geven, en dan naar bed, en dan naar het werk donderdagochtend.
Meesterplan mislukt. Anderhalf uur geslapen dinsdagochtend 6u-7u30 Miami-tijd, en anderhalf uur geslapen op het vliegtuig (in stukjes, tussen tussen woensdag 1u en 7u Gent-tijd).
Wat wil zeggen dat ik sinds maandagochtend Miami-tijd niet zoveel meer geslapen heb.
De foto’s van in Miami overgezet op de thuiscomputer: dat ging gelukkig gemakkelijker dan verwacht. Ik had mijn foto’s op de laptop met Lightroom 2.0 beta bewerkt, en op de echte computer had ik nog maar 1.3. Sinds gisteren is dat 1.4.1 (al is het wéér van kapot op de downloadplaats bij Adobe), en de libraries zijn niet backwards compatible.
Gelukkig was het maar een zaak van de wijzigingen te synchroniseren naar de dng-files, en dan de dng-files te importeren over het netwerk.
En hopla: alles zat erin, met wijzigingen en sterretjes en crop en dingen. Een groot gemak.
We zijn de laatste morgen nog naar een hotelletje in de buurt gaan kijken, het Biltmore:
En we zijn langs de dinosaurussententoonstelling in het Science Museum gegaan. Niet heel erg veel skeletten (al is dat relatief, ik schat een twintigtal en allemaal prachtig bewaard), maar wel indrukwekkend.
Het was ik durf er niet aan denken hoe lang geleden al dat ik Guido Belcanto nog live gezien had.
Toen Sandra en ik onze platencollectie samenlegden, zo’n vijftien-zestien jaar geleden, zaten er onvermijdelijk een resem dubbels bij. Alles van De Nieuwe Snaar, ik herinner me het volledige werk van The Cure, en ook dus het toenmalige volledige werk van Guido Belcanto, alletwee de platen als ik me niet vergis.
Later heb ik zijn nieuw materiaal allemaal gekocht, tot op een bepaald moment, dat ik de indruk kreeg dat hij zichzelf wel heel erg arty-farty-serieus begon te nemen.
En toen ben ik hem wat uit het oog verloren.
Maar kijk: hij speelde in Zaal Flormanic (een mens vindt zoiets niet uit) in Melle. We zijn er met vier naartoe geweest: Lieve en Jan, en Sandra en ik. En na het optreden braaf naar huis wegens allemaal zo moe of een ond, en dat we daar met z’n allen zaten te geeuwen.
Niet dat het saai of slecht was, verre, verre van: het was heel mooi, Guido was goed bij stem en bij tussentekst, er waren maar een paar klassiekers bij en voor de rest dingen die ik nog nooit gehoord had, de zaal was helemaal mee.
Wel twee uur optreden, keer op keer teruggeroepen door het hele publiek, met verzoeknummers op het einde: geslaagde avond.
Hij is heel erg veel verouderd, vind ik. Maar hij is dan ook bijna twintig jaar ouder geworden. Twintig jaar, miljaar.
En daar is dan ergens in het midden een depressie geweest, en diepe dalen, en dus nu in Zaal Flormanic in Melle: een man of driehonderdvijftig, die het kot afbraken op het einde van de set. Er was geen backstage, hij verschool zich met zijn begeleider ergens dicht bij het podium terwijl de menigte zijn naam scandeerde.
En dus allemaal bisnummers, en hij sprak over vanalles, en hij noemde het het hoogtepunt van zijn carrière—ik had heel de tijd ik heb zalen doen vollopen / ik heb zalen doen leeglopen in mijn hoofd.
Zaal Flormanic, begod.
Maar hij zag er eigenlijk wel gelukkig uit, op het einde.