Keer eens terug van vakantie

Het vliegtuig zou vertrekken om twintig na twaalf in de vlieghaven van Kos—maar toen we met d ebus toekwamen wist de dame van de touroperator ons te vertellen dat het zeker twee uur zou worden.

Niet, moet ik u niet vertellen, van het meest aangename nieuws om te horen als men met vier nu al doodmoeë kinders op stap is.

En ook niet van het aangenaamste: dat Kos-Hippocrates een luchthaven is waar geen enkele van de handelaars, van krantenwinkel/souvenirwinkel over snackbar tot duty-free (en daarmee hebben we ze meteen allemaal gehad) plastiek aanvaarden. En dat er in de wijde omgeving, volgens die mensen, géén geldautomaat is.

Yay!

Afijn. We zijn uiteindelijk ergens rond een uur of kwart na twee opgestegen, in een vliegtuig dat denk ik van hetzelfde merk was als dat waarmee we gekomen zijn, maar dan wel met een rij of vijf méér in het vliegtuig: er was in alle geval bijna geen plaats voor mijn knieën. Gelukkig heb ik niet echt problemen met in slaap geraken—ik was na een kwartier of zo al weg, maar toch.

Toegekomen in Brussel: Zelie was nog min of meer wakker te krijgen, en Anna lag in een halve coma dus dat was nog dat gemak, maar Jan moest naar het toilet, en vooral Louis, die gaat daar niet zo goed mee om, met wakker gemaakt worden in het midden van de nacht.

Komt daar nog bij dat het echt wel koud was voor die oververmoeide en Kos-temperaturen gewone kinderen, en dat we in een bus geladen werden die na tien minuten nog altijd niet gestart was.

Wij dachten dat het de schuld van een mevrouw was die op het vliegtuig zat met zo’n zuurstofmasker op, dat we daar op aan het wachten waren, maar neen: er kwam een tweede bus achter ons staan, en toen werd het plots te benauwd voor een meisje, en toen gingen de deuren niet open, en zei het meisjes dat ze moest overgeven, en ze stond naast mij en naast Zelie en naast Louis en ze hing over Anna’s buggy, en de deuren gingen écht niet open, en mensen begonnen te roepen naar de chauffeur, van “allei gást doe dies die deuren opeu der ies ier een maske ongemakkelik ont wurre”, en toen draaide iemand aan de noodopening en gingen de deuren nog altijd niet open en begon het meisje in het echt over te geven, een klein waterachtig plasje met allemaal stukjes oranje erin, en dan deed iemand in een veiligheidsvest wilde tekens dat we nog méér aan die noodopening moesten draaien, en begon die vent van buiten uit aan die deuren te sleuren, en ondertussen kwamen er dunne straaltjes overgeefvocht Manneken Pis-gewijs vantussen de over haar mond geklemde vingers gespoten, en toen ging de deur op een kier open en konden wij ons uit de bus wurmen en het meisje zich naar een rioolrooster spurten.

Afijn. We zijn uiteindelijk ergens rond vijf uur of zo met pak en zak in de aankomsthal toegekomen, en daar stond Els (leve Els!) ons op te wachten, en die heeft ons met onze eigen auto naar huis gevoerd.

En daar hebben we voor het eerst in een week in een goed bed geslapen.

En dan was ik wakker rond een uur of kwart na negen.

En nu ga ik ettelijke honderden foto’s eens bekijken in Lightroom.

Doe mee met de conversatie

2 reacties

Laat een reactie achter

Zeg uw gedacht

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.