Michel Vuijlsteke's weblog

Tales of Drudgery & Boredom.

Maand: november 2011 (pagina 1 van 3)

Gelezen in november 2011

Ik was helemaal goed begonnen, deze maand, met lezen. En toen was het plots 11 november en kwam Skyrim uit, en ben ik helemaal stil gevallen. Ik heb, zegt mijn computer mij, 84 uur Skyrim gespeeld. En dus is er in de tweede helft van de maand van boeken lezen niet zo vreselijk veel in huis gekomen.

Afijn. Gelezen deze maand (zie ook augustus 2011, september 2011, oktober 2011), in volgorde…

Truth: Red, White and Black [1/11]
Robert Morales (tekst) – Kyle Baker (beeld)
7 x 24 blz. (januari – juli 2003)

truth

Indrukwekkend. In de canonieke Captain America-geschiedenis is het Abraham Erskine die Steve Rogers het supersoldaatserum toediende, maar oorspronkelijk was het ene Dr. Josef Reinstein.

En als ze ons dat verbergen, in de woorden van de ene na de andere Het Laatste Nieuws-commentaarder, WAT HOUDEN ZE NOG VERBORGEN??

De manier waarop de zwarte medemens in de Amerika behandeld werd in de tweede wereldoorlog, ’t is niet allemaal zo proper. Als we er al iets van horen, dan is het met hoera-verhalen genre de Tuskegee Airmen, maar door de band was het diep en vernederend racisme wat de klok sloeg. Zwarte verpleegsters –als ze al aanvaard werden als verpleegster– mochten alleen zwarten verzorgen, zwarte soldaten die wilden vechten voor Amerika moesten in “negerbataljons” zitten, enfin: geen schone pagina in de Amerikaanse geschiedenis.

Morales vertrekt niet van de gedachte achter de Tuskegee Airmen, maar wel van die achter het Tuskegee Experiment: die keer dat de Amerikaanse regering tussen 1932 en 1972 — jawel, veertig jaar lang — tegen arme zwarten in Alabama zei dat ze gratis gezondheidszorg kregen, maar dat ze eigenlijk een jarenlange studie over syfilis voerden. En dat ze dus een paar honderd mensen tientallen jaren lang niet behandelden (terwijl penicilline sinds de jaren 1940 syfilis perfect kon genezen).

Oh, en houd in het achterhoofd ook dat Nazi-Duitsland alleen maar bewonderend kon kijken naar het lichtende voorbeeld van de Amerikaanse ideeën over eugenetica en verplichte lobomotieën en verplicht steriliseren van gehandicapten, “zwakzinnigen” (wat dat ook moge geweest zijn) en andere ongewenste sujetten.

In Truth: Red White and Black werken de VS en Duitsland samen aan een supersoldaatserum, tot ze — om begrijpelijke redenen — elk huns weegs gaan einde de jaren 1930.

Zo’n serum, dat van gewone mensen supermensen maakt, ge ziet van hier op wie dat ze dat gaan uittesten, in de VS. Juist: op zwarte medemensen. En ge ziet van hier dat dat serum niet van de eerste keer werkt, en dat er dus stapels slachtoffers en verschrikkelijk verminkten en watnog vallen.

Lang verhaal kort: de eerste Captain America was zwart. ’t Is geen opgewekt verhaal, maar ’t is wel een goed boek.

.°.

Headache [1/11]
Lisa Joy (tekst) – Jim Fern (beeld) – Oscar Manuel Martin (kleur)

headache

What the actual fuck? Dit kwam van harte aangeraden, onder meer door Jonathan Nolan (The Dark Knight), maar het bleek gewoon puberale fanfic te zijn.

Om snel te vergeten.

.°.

Revolver [1/11]
Matt Kindt (tekst en beeld)
194 blz. (2010)

revolver

Aangeraden. Sam werkt op de redactie van een krant, heeft een halve relatie met een collega, haat zijn werk, leeft niet zo’n aangenaam leven.

De volgende dag wordt hij wakker en blijkt de hele wereld om zeep te zijn: burgeroorlog, dirty bombs, de helft van de mensen dood wegens vogelpest en godweetwatnogallemaal.

De volgende dag wordt hij wakker en is hij weer waar hij was. En de dag daarna weer in de apokalyps, en de dag daarna weer in de sleur.

Hij houdt zijn herinneringen en kan ze gebruiken — die keer dat hij in de ene wereld een boot ziet liggen aan het water, kan hij die boot terugvinden in de andere wereld en er een legerblokkade mee omzeilien.

’t Klinkt allemaal avonturenromanachtig, misschien, maar ’t is meer een verkenning van wat dat doet met een mens, en hoe hij met realiteit omgaat en wat nu eigenlijk realiteit is, en dingen, en spel.

Inception-achtig, maar dan met twee realiteiten in plaats van met dromen binnen dromen.

Zeer goed, vond ik.

.°.

Bulles Bleues. Souvenirs heureux. Récits [2/11]
Maurice Maeterlinck
236 blz. (1948)

Er verscheen onlangs een Nederlandse vertaling van, en ik dacht: ik lees het origineel. Jeugdherinneringen van een bekende Gentenaar, dat zou misschien wel eens wijs kunnen zijn.

Het is 2011 en er is het internet, het origineel uit 1948 was dus niet echt moeilijk te vinden. Alhier stond een (weliswaar niet al te best ge-OCR-de, maar kom) volledige versie. De pagina in Instapaper getrokken om het toch een beetje aantrekkelijker om lezen te maken, en ik was vertrokken.

Charmant, grappig, ontroerend en vaak heel veel van alledrie tegelijk — neem bijvoorbeeld deze, onder het kopje “La premère maîtresse”, toen Maeterlinck net afgezwaaid was van het Sint-Barbaracollege:

Notre première étreinte eut lieu dans un jardin public, sur un banc rustique. J’étais insuffisamment documenté en sorte que je perdis pas mal de temps à ne savoir que faire. J’eus l’impression qu’elle était moins innocente que moi et qu’elle pratiquait le fameux wait and see, qui valut aux Anglais plus de défaites que de victoires. Mais il est évident que ces tâtonnements et ces tergiversations n’avaient guère augmenté mon prestige. Sans compter qu’un soir, j’eus l’idée saugrenue et désastreuse de lui réciter des vers que j’avais écrits en son honneur. Elle m’écouta avec stupéfaction et je me sentis couler à pic.

Ha, ik kan het mij zo inbeelden — de grote dichter, achttien jaar, en zijn maîtresse, zestien.

Het is ook een document van een tijdperk dat niet meer terugkomt, en van een soort mens dat niet meer bestaat, denk ik: ze waren zo rijk dat ze niets meer hoefden te doen de rest van hun leven, en er worden huizen verbouwd, erfenissen gedaan, huizen gekocht, pachten en huurgelden geïnd, heelder rollen gouden munten gegeven als cadeaus, gouvernantes en kokkinnen en bedienden aangenomen en weer ontslagen alsof het niets was:

On avait décidé que nous apprendrions l’anglais et l’allemand outre le français qui était notre langue maternelle, sans parler du flamand réservé pour les rapports avec les domestiques. On engage donc une gouvernante anglaise. Nous subissons avec ennui les premières leçons. Comme la gouvernante était jolie, au bout de deux mois, ma mère soupçonneuse et assez inquiète la renvoie. Elle est remplacée par une Allemande plus épaisse. Nous oublions rapidement ce que nous savions d’anglais et nous nous mettons à l’allemand. L’Allemande dure aussi deux mois; mais renaissent les soupçons de ma mère à cause du jeune et trop frais visage de la fraulein qui est également congédiée. On rengage une Anglaise, choisie à dessein parmi les moins alléchantes. Mon père lui trouve tous les défauts et finit par obtenir qu’on la remercie ; nous repassons par une Allemande, puis par une troisième Anglaise et ainsi de suite. Nous mélangeons l’allemand et l’anglais dans une sorte de sabir incompréhensible.

We gaan er even aan voorbij dat het ook een periode was van industriële revolutie en diepe miserie en bijhorende strijd en (socialistische) overwinningen: voor Maeterlinck was het gewoon zijn gouden kindertijd.

En dan nog gezien van een bijna onmetelijke afstand — hij schreef dit helemaal op het einde van zijn leven, zeventig of tachtig jaar na de feiten. Daar had hij dit trouwens over te zeggen, en ’t is tegelijkertijd waar wat Maurice zegt, en schoon gezegd wat Maurice zegt:

On parvient assez facilement à discipliner ce qui reste dans notre mémoire; et le bonheur ou le malheur de notre existence dépend de cette discipline. Il ne faut pas croire que nos souvenirs soient immuables. Ils changent d’aspect selon nos années. Ils s’élèvent et se purifient selon que notre existence s’élève et se purifie, selon ce que nous avons fait, pensé ou subi. Si j’avais fixé les miens le jour qui les vit naître, je ne les reconnaîtrais plus.

Si je les avais écrits il y a vingt, trente ou quarante ans, les faits qui forment leur squelette seraient peut-être ce qu ‘ils furent, mais ils n ‘auraient plus la même chair, ils ne se baigneraient plus dans la même atmosphère, ils n’auraient plus la même couleur et leur choix même eût été différent.

Les souvenirs sont les traces incertaines et fugaces que nous laissent nos jours. Que chacun recueille les siens, ils ne rempliront pas le creux de la main; mais ce qui reste de poussière est le seul trésor que nous voudrions arracher à la mort et emporter avec nous dans un autre séjour; nous croyons que les années qui prolongent nos misères ou nos joies augmentent leur nombre. Je crois plutôt que ceux que nous acquérons ne compensent pas ceux que nous perdons. A mesure que nous avançons en âge, ce qui nous advient n’a plus le temps de se transformer en souvenir. Le centenaire qui n’est qu’un enfant au prix de l’éternité n’a que ce qu’il avait avant sa vieillesse et ce qu’il pourrait se rappeler ne prend plus la peine de naître.

Les véritables souvenirs, les seuls qui survivent, les seuls qui ne vieillissent pas, les seuls qui soient enracinés, sont les souvenirs de l’enfance et de la première jeunesse. Jusqu ‘à la fin de nos jours, ils gardent la grâce, l’innocence, le velouté de leur naissance et ceux qui naissent contrefaits, malpropres, malheureux ou stupides tombent dans les ténèbres où ils rejoignent les souvenirs de l’âge mûr qui méritent rarement d’être recueillis.

’t Is niet allemaal koek en ei of zeemzoeterige nostalgie: Maeterlinck kan nogal redelijk giftig zijn ook, bijvoorbeeld als hij het over smartlappen heeft (“Rien ne peut donner une idée de l’ineptie des chansons populaires qui, à cette époque, empuantissaient la France et la Belgique. Je ne sais pourquoi ma mémoire a gardé le souvenir de ces ignominies ; mais voici quelques échantillons nauséabonds qui survivent dans ce musée d’horreurs”), of over zijn oom Hector die voormelde smartlappen zong, of over zijn neef Désiré die drie Breughels had hangen maar er alle blote achterwerken uitgesneden had, of over de toekomstige echtegenoot van zijn nicht Louise (“Le jeune marié était aussi nul que possible”).

Het leest echt als een boek van iemand die zich van niets of niemand nog moet of wil aantrekken, en ’t staat vol dingen die ik zou willen knippenplakken. Allez, nog eentje, over zijn zus:

Elle épousa un homme qu’elle n’aimait pas, un sinistre dévot qui portait autant de médailles bénites, en cuivre, en plomb, en argent, autant de scapulaires que le roi Louis XI dont il avait le caractère fouineur, soupçonneux, cruel et rancunier, mais nullement l’intelligence, car il était aussi borné qu’une huître et par-dessus le marché magistrat.

Enfin, elle obtint un divorce difficile et reporta, sur le fils qu’elle lui donna, tout l’amour qu’elle n’avait pas eu pour son mari. Elle adora en lui tout ce qu’elle avait abominé dans son conjoint.

Right on, Maurice.

.°.

Lovestruck [3/11]
Dennis Hopeless (tekst) – Kevin Mellon (beeld)
192 blz. (2011)

lovestruck

Hé tiens, het tweede boek deze maand over Griekse goden.

Een heel andere aanpak, dit: fotografe wordt gerecruteerd om voor Cupido te werken. Cupido blijkt zakenmanverkopermanipulatortype te zijn.

Mbwaja. Ik ben er ternauwernaud door geraakt, ’t was mij allemaal wat ver van mijn bed. Ettelijke mijlen beter dan Headache, dat natuurlijk wel. Maar absoluut niet mijn tas thee.

.°.

Walk In [4/11]
Jeff Parker (tekst) – Ashish Padlekar (beeld) – Sheetal Tanaji Patil (kleur)
6 nummers (december 2006 – mei 2007)

walkin

Murf. Ook al niet mijn goesting. Dave Stewart’s Walk In, is de naam eigenlijk, en het leest als niet veel meer dan een droom van de meneer van ex-Eurythmics, die een klein beetje uitgesponnen is.

Het begint degelijk, maar het wordt redelijk snel redelijk cliché en redelijk bleh.  

.°.

Storming Paradise [4/11]
Chuck Dixon (tekst), Butch Guice (beeld)
6 nummers (september 2008 – augustus 2009)

stormingparadise

Ik lees heel graag counterfactuals en althist. Van de grootste shlock tot de meest serieuze alternatieve militaire geschiedenis. Ik was content met Storming Paradise.

Wat als de eerste VS-atoombomproef mislukt was, en alle atoomgeleerden en al wie met Trinity te maken had, de lucht was ingevlogen? Wat als de VS geen andere keus hadden dan een invasie van Japan? Wat als Keizer Hirohito ondanks monsterachtig veel mensenlevens zou blijven weigeren om te capituleren?

Storming Paradise verkent die vragen. Niet dat het een volledige alternatieve geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog wil zijn: het zijn een paar vignetten, en het eindigt ook een beetje in medias res.

Hoedanook: mooi. Ik heb ervan genoten.

.°.

No Such Thing As Silence: John Cage’s 4’33” [5/11]
Kyle Gann
272 blz. (2010)

No sir, I didn’t like it.

.°.

50 Girls 50 [5/11]
Doug Murray en Frank Cho (tekst) – Axel Medellin (beeld) – Nikos Koutsis (kleur)
4 nummers (juni – september 2011)

girls

Ik ben door de band geen lastige mens, als het op blote madams aankomt. Er mag er al eens eentje meer door mijn comics lopen, dat stoort mij niet. Ik suspend mijn disbelief met graagte als ze mij vragen om bijvoorbeeld te geloven dat een ijzeren bustier gemakkelijker is om slechteriken mee te bevechten dan een pullover, of dat al die vrouwelijke superhelden echt liever in hun onderbroek en soutien rondlopen.

We moeten daar eerlijk in zijn: vrouwen krijgen al genoeg, als het op kunst en literatuur aankomt, en ge hoort mij ook niet klagen als er weer eens een wijvenfilm op televisie is, of als ze nog eens een film met George Clooney maken.

Pas op, ik ben helemaal voor de vrouwenbewegingen en zo hoor, en als ik zou willen, dan zou ik voor de volle honderd procent één van die nieuwe mannen kunnen zijn en alles. Serieus: als ik tegelijkertijd een boek heb om te lezen, geraak ik zelfs zonder buitensporig hoorbaar oogrollen door een aflevering van Grey’s Anatomy.

Maar.

Il ne faut pas pousser bobonne dans les orties: 50 Girls 50 is er een beetje over. Het verhaaltje is opgehangen aan een overbevolkte aarde in de niet zo enorm verre toekomst. Er is een hyperdrive-wormhole-dink uitgevonden, maar o ramp blijkbaar kunnen alleen vrouwen met (I kid you not) XXX-syndroom zonder problemen door de wormgaten geraken.

Er worden 10 schepen met vrouwen aan boord op weg naar de sterren gezet; de eerste reeks 50 Girls 50 volgt één van de schepen als het op de terugweg is naar de aarde. Blijkt dat het wormgat terug niet werkt, en dat ze op een andere planeet terugkomen, namelijk.

Okay, tot daar aan toe. Ook tot daar aan toe dat alle vrouwen aan boord van het schip aan het schoonheidsideaal van de auteurs beantwoorden, daar is ons een verklaring voor beloofd.

Maar als ze in het eerste verhaal met twee op een planeet landen, en die planeet blijkt de kledij van de meisjes op te lossen, tot er op het einde helemaal niets van overblijft, en dat is allemaal met een ergerlijk gebrek aan humor gedaan? Gnn.

En als het vrouwelijk vlees dan ook nog eens niet eens goed getekend is? Ik bedoel, Serpieri of Manara zou ik een saaie en ongeloofwaardige breicursus in comicvorm vergeven omdat ze zo schoon tekenen, maar zelfs al leggen de auteurs van 50 Girls 50 redelijk expliciet uit dat ze hard gezocht hebben naar nét de juiste artiest… euh, nee. Hier, om de afbeelding hierboven goed te maken, eentje van Druuna:

Druuna

Ik heb de vier nummers uitgelezen, in het belang van de wetenschap en in de hoop dat het beter zou worden. Ik zie glimpen van mogelijkheden, hier en daar, dat zeker. Maar ik ben dan ook een onverbeterlijke positivo in dergelijke zaken.

De auteurs beloven ons dat ze alles zullen uitleggen in de vervolgen. Ik vréés dat ze niet meer de kans zullen krijgen om er een vervolg aan te breien.

.°.

Bone [8/11]
Jeff Smith (tekst en beeld) – Steve Hamaker (kleur)
Negen delen, 1439 blz. (kleur: 2004-2009, oorspronkelijk zw/w: 1991-2004)

Het lijkt nog het meest op Lord of the Rings, denk ik. Het begint als bijna een kinderverhaal, en dan is er plots een queeste, en komen er meer en meer dingen bij kijken. En dan wordt er van de ene kant van de wereld naar de andere kant getrokken in verschillende groepen die elkaar dan weer tegenkomen, en er zijn allerlei rassen, en grote legers en gevechten, helden en slechteriken. En de wereld voelt écht aan, zoals bij Tolkien.

Oh, en het is het ene moment hilarisch grappig, en dan weer enorm spannend, en dan weer ontroerend. Het is fantastisch getekend, de karakters blijven u een heel leven bij: dit staat ergens helemaal boven mijn lijst van must read comics.

Hier, ter illustratie, twee pagina’s (klik voor detail) met twee van de meest fantastische personages van het boek (de monsters, voor de duidelijkheid):

bone

bone

Eén van die dingen die eminent leesbaar zijn voor om het even wie vanaf pakweg 10 jaar of zo.

Ik had een paar delen in zwart-wit, en dan had ik de zwart-wit omnibusversie gekocht (1332 pagina’s in één volume, ‘k zweer ’t u, dat is niét leutig om overal naar mee te sleuren). Deze versie is de (machtig goede) kleurenversie die bij Scholastic is uitgegeven. Negen delen, met correcties, aanvullingen en wijzigingen.

Van méér dan ganser harte aangeraden.

.°.

Bone: Tall Tales [8/11]
Jeff Smith en Tom Sniegoski (tekst) – Jeff Smith (beeld) – Steve Hamaker (kleur)
126 blz. (2010)

talltales

Prequel vermomd als verhaaltjes verteld door Funny Bone, die met Bartleby en drie scouts op kamp gaat.

Leutig, maar niet essentieel.

.°.

Miracleman
1-2: Alan Moore (tekst) – Garry Leach (beeld)
3-10: Alan Moore (tekst) – Alan Davis (beeld) – Ron Courtney (kleur)
11-16: Alan Moore (tekst) – John Totleben (beeld) – Sam Parsons (kleur)
17 – 25.5 Neil Gaiman (tekst) – Mark Buckingham (beeld) – Sam Parsons (kleur)

miracleman

Het moest er eens van komen: Miracleman is één van die klassiekers waar iedereen het over heeft, ik had er al veel over gehoord, ik denk dat ik zo ongeveer al de rest van het werk van de heren Moore en Gaiman al gelezen had, ik wist van de hele controverse af.

Maar ik had Miracleman zelf dus nog niet achter de kiezen.

En daar dacht ik snel even komaf mee te maken.

Dat was buiten Alan Moore, Esq. gerekend. Miracleman, voor wie het verhaal niet kent, is een Brits jaren-1950-afkooksel van Captain Marvel. ’t Is te zeggen: eerst was er Captain Marvel, en toen was die er niet meer en maakte Mick Anglo Marvelman. Marvelman liep een paar honderd nummers lang tussen 1954 en 1963, en hield er dan met stille trom mee op.

In 1982 nam Alan Moore de draad weer op. En hoe. Het begint met een nummer van de jaren stillekes, met typische mannekensboekskespraat. En dan plots zoomt Moore in op Miracleman’s oog, met een citaat van Nietszche.

En dan zijn we in de jaren 1980 en weet Michael Moran al twintig jaar niet meer dat hij ooit Miracleman was.

En dan komt hij dat plots te weten, en zijn we plots van tekst genre “Holy macaroni! It looks like I got here just in time!” naar tekst genre (Miracleman die niet weet wat hij precies is) “Like a kite that has lost its war with the wind, I hang crucified upon the sky… Suspended between the soil and the stars, between heaven and earth, between the angels and the apes.”

Yup, right.

’t Zijn pagina’s die niét op tien seconden te lezen zijn. Tekst en beeld moeten aandachtig gelezen worden — Moore’s aandacht voor detail is legendarisch, soms komt het op individuele lijntjes in individuele kadertjes aan.

Ik begin the lezen, en ik denk, okay, het gaat dié richting uit. Geef het een nummer of tien twintig en we zien hoe het evolueert. En dan zitten we plots ergens in nummer 7-8-9, en denk ik, oh… kaaaayyyy… is dit de richting dat het uitgaat? Hoe gaat hij dat volhouden?

En dan is het nummer 15 en bloederige hel, wat de neuk was dat? En dan is het nummer 16, en is het verhaal klaar, af, finito.

En dan houdt Alan Moore ermee op, en neemt getver Neil Gaiman over. Dat is een beetje alsof Picasso deel één van een reeks schilderijen maakt, en dan de verfborstels aan Rembrandt geeft.

Moore was typisch Moore: hij had zich op het einde zo’n beetje vastgereden, denk ik. En dan komt Gaiman typisch Gaiman zijn: hij vat het op als een drieluik, en vertelt daarbinnen verhalen. En Gaiman is een uitstekende verhalenverteller.

In het eerste luik, The Golden Age, neemt hij even afstand van de personages die we tot dan toe kenden, en kijkt hij naar de mensen die leven in de wereld die de hoofdpersonages gemaakt hebben: het voelt bij momenten erg Sandman aan.

Luik twee richt de schijnwerper weer op Miracleman en de zijnen. Het ziet er allemaal veelbelovend uit en… dan is het gedaan.

De uitgever, Eclipse, gaat failliet. Bleh. Meer details op de wikipediats, maar voorlopig het wel gedaan, ja.

Crap.

(En props voor man aan de beelden Mark Buckingham, trouwens, die stijlen mengt met stijlen, plots met Duits expressionisme naar boven komt, en echt wel uitstekend werk doet.)

.°.

Fun Home, A Family Tragicomic [10/11]
Alison Bechdel
240 blz. (2006)

funhome

Alison is lesbisch, haar vader is een homo die in de kast zit en die valt voor jonge jongens. Die vindt hij op zijn ene werk — als leraar Engels op een middelbare school. Zijn ander werk: begrafenisondernemer. Zijn derde werk: zijn huis restaureren. Maniakaal. En dan pleegt hij zelfmoord, of loopt hij onder een camion per ongeluk, enfin, ’t is niet duidelijk.

Oh, en het is allemaal echt gebeurd: Fun Home is een autobiografie.

Het is ook bijzonder uitstekend. Meer moet daar niet over gezegd worden. Aangeraden.

.°.

The League of Extraordinary Gentlemen, Century: 1969 [10/11]
Alan Moore (tekst) – Kevin O’Neill (beeld) – Ben Dimagmaliw (kleur)
82 blz. (2011)

league

Urgh. Een brug te ver, denk ik. Of misschien lees ik het beter in één trok met deel een en deel (binnenkort, vermoed ik) drie. Want zo alleen en in isolatie: ik vond er niet te veel aan. ’t Heeft er misschien ook mee te maken dat ik hallucinerende Moore niet zo leutig vind, en dat er weer eens een heel stuk hallucinerende Moore in zit.

Aan de andere kant: het is 1969, what did I expect?

.°.

A Sickness in the Family [11/11]
Denise Mina (tekst) – Antonio Fuso (beeld)
190 blz. (2010)

sickness

Ik wist niet welk genre het was, en dat maakte het spannend. Ik dacht eerst, oh, weer zo’n deprimerend echt gebeurd verhaal. En dan dacht ik, oh, ’t is horror. En toen kwam het einde en wist ik welk genre het echt was.

Ik had het niet beter kunnen treffen dan het op deze manier te lezen, achteraf bekeken.

Een fijn boek, of het nu biografie, horror, of wat dan ook was. Aanrader, maar probeer de achterflap niet te lezen als g’er aan begint.

.°.

Manuscrit trouvé à Saragosse [27/11, maar ik heb er natuurlijk geen 16 dagen over gedaan — damn you, Skyrim!]
Jean Potocki
321 blz. (1805)

Het stond al jaren en jaren op mijn lijstje van “boeken zeker dan nog eens te herlezen wegens bloederige hel, elf jaar is misschien nog een beetje te jong voor dit”, en kijk zie, het is er van gekomen. Jan Potocki schrijft over een mens die rondreist in en andere mensen tegen komt, die dan verhalen vertellen en aan wie hij verhalen vertelt, en dan blijken de mensen in de verhalen zelf ook mensen tegen te komen die verhalen vertellen en aan wie zij verhalen vertellen, en voor ge het weet zitten we twee of drie niveaus diep in de vertelling, en is het niet meteen meer duidelijk wie wat tegen wie aan het vertellen is.

Maar: wel wijs. Zigeuners en spoken en vampiers en Moorse prinsessen en sex en geesten en moorden en vechten en alles!

.°.

Morning Glories [28/11]
Nick Spencer (tekst) – Joe Eisma (beeld)
14 nummers tot nog toe (augustus 2010 – nu)

morning

’t Is gelijk The Prisoner maar dan met scholieren! En geesten! Of dingen! Veel gehyped, en met reden: degelijk geschreven, prachtig getekend, en omdat het een comic is en geen pakweg, oh, tv-serie gelijk X-Files, is er een kans dat het tot einders voldoening tot een degelijk einde gebracht zal worden.

Ik had het begin al een tijd geleden gelezen, en ik dacht “ik been even bij met de stand van zaken nu”, maar uiteindelijk heb ik het maar helemaal opnieuw gelezen.

.°.

Gaudí in Manhattan [29/11]
Carlos Ruiz Zafón (vert. Nelleke Geel)
Uitg. Signature, 2007

Zafón schrijft over die keer dat ze Gaudí gevraagd hadden om een wolkenkrabber te bouwen op Manhattan.

– ¿Sabe usted lo que es un rascacielos?

[mens begint over wolkenkrabbers te spreken]

– Bobadas, atajó Gaudí. Un rascacielos no es más que una catedral para gente que en vez de creer en Dios cree en el dinero.

In het Nederlands werd dat “Flauwekul,” onderbrak Gaudí me. “Een wolkenkrabbers is niets anders dan een kathedraal voor mensen die in plaats van God, geloven in geld.” — geen idee waarom, maar dat zinnetje kwam zo gekunsteld over, dat ik van de weerslag maar verder gelezen heb in het Spaans. ’t Is niet lang, en er voor moeilijke woorden is er Google Translate.

En het bespaart u zinnen die pijn aan het hart doen, zoals wanneer

Supe entonces que dedicaría mi vida a continuar la obra de mi maestro, consciente de que, tarde o temprano, habría de entregar las riendas a otros, y ellos, a su vez, harían lo propio.

vertaald wordt als “in het besef dat ik vroeg of laat het stokje aan andere zou moeten doorgeven”. Het stokje, jongens, jongens, jongens.

Voor de rest: dit was niet echt een boek te noemen: 16 kleine pagina’s, groot gedrukt met veel interlinie, aangevuld met een aantal mooie foto’s. Wel goesting gekregen om nog wat Zafón te lezen. In een Engelse of Franse vertaling, denk ik.

.°.

The Traveler [29/11]
Mark Waid & Tom Peyer (tekst) – Chad Hardin (beeld) – Blond & Chris Beckett (kleur)
12 numbers (november 2010 – )

traveler

’t Is met reizen in de tijd en met allerlei verschillende versies van mensen, en uiteindelijk zit er wel belofte in, maar ik ben toch niet honderd procent overtuigd. Ik heb de indruk dat er meer in zat.

.°.

Alien Liaison. The Ultimate Secret [30/11]
Timothy Good
Arrow Books, 1992 (247 blz.)

Geschreven een jaar vóór The X-Files uitkwam, en geschreven vóór er websites bestonden: state of the art in UFO-research anno 1992.

Het heeft alles: greys, cattle mutilation, anal probes, ontvoeringen, nordics, NORAD, Groom Lake, Roswell, cover-ups, yada yada.

Afijn: nonsens, dus. Maar wel een mooi overzicht van die state of the art in 1992. Dat wel.

(Trouwens: het is me een mysterie waar dit boek vandaan komt. Ik kreeg het per Taxipost opgestuurd, samen met een boek van Pascal (de Fransoos, niet de programmeertaal) en het boekje van Zafón hierboven. Geen afzender, geen boodschap. Ik heb aandachtig gezocht naar aanwijzingen, maar geen gevonden.)

.°.

Starborn [30/11]
Chris Roberson (tekst) – Khari Randolph & Matteo Scalera (beeld) – Mitch Gerads (kleur)
12 nummers, maart – oktober 2011

starborn

Benjamin Warner zou heel graag een succesvolle SF-schrijver zijn. Hij heeft sinds zijn jeugd een wereld gebouwd in zijn hoofd, waar zijn verhalen zich afspelen.

En dan, hullep, blijkt dat hij niet Benjamin Warner is, maar iemand anders. En dan blijkt dat hij niet is wie hij dacht dat hij is: “Wait a minute. I’m not the spacefaring adventurer. I’m not the hero come to rescue the space princess. I’m the son of space Hitler.

Dit was het laatste dat ik deze maand las, en het kon moeilijk meer passend zijn: een mooi verhaaltje, met avontuur en (belofte van) romantiek, en Space Opera van de zuiverste soort — en met een happy end. As happy an end as they come.

Het soort verhaal dat u als kind aan het dromen zet. Hoera!

No Such Thing as Silence: John Cage’s 4’33”

Om het een beetje te situeren: ik heb het voorrecht gehad om in de loop van de jaren 1990 een hele resem Grote Meneers van de conceptuele kunst van zeer dichtbij mee te maken, met als hoogtepunt vermoed ik die keer dat ik twee weken met Joseph Kosuth in zijn loft in New York doorgebracht heb. Met alle bijhorende dingen overigen, van openingen in het MoMA en nachtelijke tequilafeestjes met de New Yorkse avant garde –denk David Byrne en Debbie Harry en een resem kunstenaars die ge niet kent– en alles erop en eraan. Bij het licht van public access porno op de keukentelevisie, in een enorme loft aan Houston & Broadway, met Warhols, Duchamps, Rauschenbergs en watnogs aan de muur.

kosuth

De mensen zelf zijn charmant, sympathiek, intelligent, aangenaam, al wat ge wilt. Kosuth, bijvoorbeeld: schat van een kerel. Intelligent, grappig, sympathiek.

De kunstenaars, of toch de meerderheid van de mensen die ik toen leerde kennen, die heb ik niet graag. Of nee, wacht: die veracht ik. “Haten” is het niet, het is niet dat ik er kwaad op ben of zo. Het is wel dat ik moeilijk in woorden kan uitdrukken hoe visceraal ik ze degoutant vind.

Ha, hoor ik u zeggen, dat is dan toch een verdienste: als ze dergelijke gevoelens bij u kunnen oproepen, dan moet er toch wel iéts van aan zijn, van hun kunst?

Wel, tja, als het dat is, dan wel, ja.

433Het is niet dat ik dogmatisch tégen ben hoor, want ik blijf proberen begrijpen. Als een kind dat niet graag olijven at maar er altijd nam, als een volwassene die eigenlijk niet graag whisky dronk maar het wou leren. Het is alleen maar dat hoe meer ik van die mensen probeer door te vragen en te begrijpen , hoe meer ik op een gat vol niéts stoot. Dóór een muur van theorie, over een slotgracht van cirkelredeneringen, bovenop een toren van tautologieën: een rookgordijn van lege woorden.

“Jamaar, ’t is kunst, ge moet dat niet proberen begrijpen, laat dat gewoon op u afkomen en zie wat het u doet”? Tarara. Zij zijn de eersten om hun ding volledig te onderbouwen met theoretische constructies en verrechtvaardigingen. Hier geen hart, geen nieren, zeggen ze. Intellect en context hier, zeggen ze.

Ik vind tot nader order: het is geen kunst, het zijn kunstjes. Gimmicks. Die alleen “kunst” worden omdat een kunstenaar zegt dat het kunst is. En waarom is het een kunstenaar? Omdat hij kunst maakt, natuurlijk.

En ja, zeer zeker, dat is met de grove borstel en dat veralgemeent: er zijn ook dingen die ik goed vind, uiteraard. Maar toch.

John Cage kende ik natuurlijk wel, uit Gödel, Escher, Bach in de tijd. Ik vond het een sympathieke peer, ik dacht iets in de zin van dada en surrealisme, en toen ik las dat Bruno het boek van Kyle Gann over John Cage’s meest beroemde stuk goed vond — “Fenomenaal goed, een absolute aanrader voor iedereen die ietwat in hedendaagse muziek (klassiek en/of geïmproviseerd) geïnteresseerd is”, dacht ik: ik grijp mijn kans.

Weeeelllllll… not so much.

Ik bespaar u Kyle Gann’s boek: John Cage is een componist, 4’33” is een stuk dat hij gecomponeerd heeft, waartijdens een muzikant gedurende vier minuten en drieëndertig seconden géén piano speelt. Het kan ook met andere instrumenten, het kan ook met meer dan één muzikant. Het punt: het publiek gedurende ten minste vier en een halve minuut doen realiseren dat er ook in de stilte (die eigenlijk niet bestaat) muziek te vinden is. In het geluid van de regen en de wind, in het kuchen van uw buur, in een voorbijrijdende auto.

Ge gaat mij niet horen zeggen dat dat belachelijk is, want het is het niet. Kijk en luister:

Euh ja, interessant, zeer zeker. Iedereen zou van tijd tot tijd eens een 4’33” moeten doen. Dat was serieus en zonder enige ironie bedoeld, voor wie twijfels zou hebben.

  

Waar John Cage zijn leven mee gevuld heeft, blijkbaar, is twee kunstjes. Het eerste was dat hij een piano “prepareerde”, ’t is te zeggen, er overal gerief in stak — bouten, draad, ballen, kommen soep, I don’t know — zodat het tegelijk een piano en een percussieinstrument werd. Zijn Sonatas & Interludes: ik ga niet zeggen dat ik het elke maand opzet, maar ik ga er graag wel eens voor zitten.

Zijn tweede kunstje was “muziek” maken met random getallen: laten afhangen van een kop-of-munt of deze noot dan wel gene noot gespeeld zal worden, hoe lang ze zal zijn, hoe luid, etc. Omdat er toen nog geen computers waren om het een mens gemakkelijk te maken, deed hij het met allerlei vreemde systemen, met de I Ching en allerlei tabellen en dingen. Die 4’33” is ook zo gemaakt, behalve dat hij in zijn tabellen geen muzieknoten opzocht, maar wel pauzes. Inderdaad: hij heeft niet gewoon “zwijg stil gedurende x tijd” op zijn partituur geschreven, hij heeft zich een tijdje bezig gehouden met een muntstuk en een reeks tabellen, om allerlei stiltes na mekaar te zetten.

Hey, als dat is wat die mens gelukkig maakte: wie ben ik om het hem te beknibbelen. Stop met uw ogen te rollen, gij daar.

Maar in ’s hemelsnaam, brave mensen: schrijf er dan zo geen akelige boeken over. En noem het wat het is, een aardigheidje, een Spielerei, een gedachtenexperiment, een koan, Zen. Maak er geen universele waarheid van, en spendeer niet heel uw leven om te verdedigen waarom dat kunstje (haal boven de grote K) “Kunst” is.

Ik heb mij van begin tot eind van Kyle Gann’s boek geërgerd aan de vanzelfsprekende humorloze arrogantie van zowat iedereen (op Satie na) in het verhaal.

Die keer dat Cage poneert dat er sinds Beethoven maar één vernieuwing in de muziektheorie is geweest. Die ene nieuwe idee? Dat de tijdsduur het belangrijkste is in geluid:

It is very simple. If you consider that sound is characterized by its pitch, its loudness, its timbre, and its duration, and that silence, which is the opposite and, therefore, the necessary partner of sound, is characterized only by its duration, you will be drawn to the conclusion that of the four characteristics of the material of music, duration, that is, time length, is the most fundamental. It took a Satie and a Webern to rediscover this musical truth, which, by means of musicology, we learn was evident to some musicians in our Middle Ages, and to all musicians at all times … in the Orient.

Euh, wacht, neen? Als hij er nu eens van uit zou gaan dat er niet zoiets is als een binair “stilte vs. geluid”, maar wel een glijdende schaal van onhoorbaar naar hoorbaar, dan valt heel zijn redenering in duigen. En dat is een even valabel uitgangspunt als het zijne. En dan hebben we het nog niet over dat puberale “de wijzen in het Oosten wisten dat allemaal maar wij zijn dat vergeten” — please.

Niet alleen Cage komt arrogant over, zonder ooit de minste twijfel poneert hij absolute waarheden die blijkbaar geslikt worden door zijn trawanten, en als iemand ze niet slikt, zijn het meteen Beotiërs en “establishment”: ook de auteur van dit panegyrisch gedoe schrijft alsof Cage en alleen Cage ten allen tijde de waarheid in pacht had. Heeft hij het over Luigi Russolo, die iets zegt dat Cage jaren later ook zegt, dan schrijft Gann dat Russolo’s bewering “foreshadows Cage’s with remarkable specificity” — tot hij zijn eigen zin herleest, vermoed ik, en er alsnog “(or perhaps more accurately, Cage echoed the idea)” aan toevoegt (mijn italiek). Of die keer dat hij schrijft dat de woorden van de dertiende-eeuwse mysticus Meester Eckhardt, waar Cage van gelezen had, “anticipate similar passages that Cage would write”. Serieus, gast.

rauschenberg

Het boek is een lange aaneenschakeling van “mogelijke invloeden” op Cage’s 4’33”: ik onthoud eruit dat de gedachte van een stil “muziekstuk” in de lucht hing, en dat Cage op een bepaald moment een paar keer teveel gezien had dat collega’s iets dergelijks deden — specifiek de witte doeken van Robert Rauschenberg — en dat hij het dan maar gedaan heeft. Niet dat hij de eerste was, verre van, maar zijn “voorgangers” in het maken van muziek die alleen stilte was, waren novelty records, grapjes, om er de zot mee te houden, en dus geen (daar is die K weer) “Kunst”.

En als hij het dan eenmaal gedaan heeft, net zoals zoveer andere dingen blijkbaar in zijn leven, onderbouwt en verdedigt hij het met een samenraapsel van name-dropping en verkeerd begrepen antecedenten. Gann: “Cage was one of the great name-droppers in twentieth-century music. Sometimes he did no more than drop them.”

En keer op keer lezen we dat Cage X “gestudeerd” had (zen, Meester Eckhardt, Coomaraswamy, …) terwijl hij wellicht bedoelde “min of meer vluchtig gelezen”, en terwijl hij zeker bedoelde dat Cage er gewoon in las wat hij erin wou lezen:

Throughout his writings, Cage collects authors to buttress his views on music and life but often projects his own meanings into them, taking what views he needs and transforming them to fit into his own context.

Gann waarschuwt ons in het begin dat hij alleen maar een samenvatting zal maken van wat er aan Cage-onderzoek leeft tegenwoordig en dat hij niets nieuws zal brengen. Hij doet minder dan hij belooft, en ook meer.

Minder, want ik ben geen iota wijzer geworden over de mens Cage (wat dreef hem? wat dacht hij? hoe was hij?), over de componist Cage (keer op keer zeggen dat er kritiek was maar dan daar niet verder op ingaan, in ’s hemelnaam jong), en ook over 4’33” zelf weet ik niet meer (een boek vol mogelijke inspiratiebronnen “maar niemand weet het zeker”, pfff).

Hij doet ook meer dan hij beloofd had, want dit boek is er helemaal op zijn eentje in geslaagd om een componist die ik met een glimlach in mijn hoofd had zitten — van in de tijd dat hij voorkwam in Gödel, Escher, Bach — te veranderen in een onhebbelijke, betweterige, arrogante, akelige kerel zonder enig gevoel voor zelfrelativering of humor.

Gann had beter een paar keer vier minuten en drieëndertig seconden gezwegen, in plaats van dit boekje te plegen. En ik had het beter niet gelezen.

gann

[Oh, en: dit is het eerste boek waarvoor ik mijn geld teruggevraagd heb bij Amazon. De paperback zou mij $11.42 gekost hebben; de Kindle-versie was $15.62, en bevatte geen enkel beeld. En nergens werd dat op voorhand gezegd. Amazon, needless to say, heeft zonder de minste opmerking terugbetaald.]

Pascal bloody Smet

Wij hebben een roedel kinderen die naar school gaan, en ik denk niet dat ik al één iemand tegengekomen ben die Pascal Smet een goede Minister van Onderwijs vindt.

Dat bespaart op de verkeerde dingen, dat legt regels op die het werk alleen maar lastiger maken, dat heeft de visie van een pannenkoek — wat is er daar aan te doen, eigenlijk, aan een minister die de ene na de andere achterlijke beslissing neemt? Het laatste dat ik las, was dat Smet dit zei:

Vanaf de tweede graad kan een vierde taal naar keuze aangeboden worden, als daar een draagvlak voor is: een gedragen vraag en een gegarandeerde kwaliteit op het vlak van aanbod. Hier komen alle Europese talen en de belangrijkste talen van de BRIC-landen voor in aanmerking, dus ook Chinees, Russisch en Hindi.

…met andere woorden: als uw zoon of dochter een vierde taal wil studeren na Nederlands, Frans, en Engels, dan is er de keuze tussen Bulgaars, Chinees, Deens, Duits, Estisch, Fins, Grieks, Hindi, Hongaars, Iers, Italiaans, Lets, Litouws, Maltees, Nederlands, Pools, Portugees, Roemeens, Russisch, Sloveens, Slowaaks, Spaans, Tsjechisch en Zweeds.

Turks en Arabisch: daar is geen draagvlak voor, dus schrijf dat maar op uw buik. Leer nog een beetje Maltees of Estisch of zo.

’t Is maar een detail natuurlijk, en wie weet is het niet eens zo bedoeld. Maar ’t is wel indicatief.

Ik vermoed dat hij er redelijk gerust in is, dat er niet te veel man naar zal kraaien: ah ja, als alleen de mensen uit het onderwijs zelf klagen, wie gelooft die mensen nog? Ze klagen over alles en iedereen, en zij zijn gedorie de mensen met drie maand vakantie elk jaar en dan nog eens alle schoolvakanties mee!

Niemand gelooft de mensen uit het onderwijs want ze klagen toch over alles zonder daar reden toe te hebben, en daarbij komt: wat kunnen ze doen? Staken? Ha! En dan zitten alle ouders van Vlaanderen met hun kinderen thuis of zo?

Terwijl het nochtans zo gemakkelijk zou zijn: een harde algemene onderwijsstaking, nu! Of, pakweg, na de examens, in januari. Naar het model van een betaalstaking, met ouders en leerlingen samen: leerlingen kunnen nog naar school komen, maar er wordt geen les gegeven.

Of alleen ludieke les. Films kijken, boeken lezen, spelletjes spelen. En de leraars die geen les geven: naar de Wetstraat. Occupy Law Street! Iedereen content!

Alstublieft, geen dank, dankuwel merci

Een tip! om de wereld beter te maken! Of zoniet beter, dan toch een beetje aangenamer. Of tenminste wat leutiger. Is het niet voor uw medemens, dan toch zeker voor uzelf.

Hier komt-ie!

Kies één iemand uit uw omgeving uit, en doe alsof hij of zij geen tanden heeft. Herhaal alles wat hij/zij zegt, maar vervang de essen door effen.

– Hola, tijd voor middageten. Wat denkt ge van een soepken met asperges?

– Een foepken met afpergeff? Super-idee!

En dan doen ze zo van huh en denken ze dat ze het verkeerd gehoord hebben, en dan zeggen ze iets in de zin van

– Moet ik nog iets meenemen? Fleske Cola Light?

– Oh, een flefken Coca, uitstekend, merci!

En dan kijken ze naar u met van die rare ogen, maar dat maakt niet uit, want ha, hoe wijs is het leven dan wel niet?

(Niet vergeten om dat morgenochtend tegen de kinderen te zeggen. En nog eens aandringen dat ze een boekje kopen om al mijn grappen en grappen in op te schrijven, dat ze die dan ook op school kunnen vertellen en de toast van de speelplaats te worden. Of de tooft van de fpeelplaatf — see what I did there?)

Uit de spamfilter

Enfin bon, ’t is niet echt spam, denk ik. Ik dénk dat iemand mij ingeschreven heeft op een nieuwsbrief die mij eigenlijk niet interesseert. Ik blijf mij maand na maand niet uitschrijven, want zeg nu zelf:

Screen Shot 2011-11-28 at 21.36.59.png

Ik weet alvast wat gedaan als mijn paard last heeft van slapeloosheid!

Vloek

Grmbl. Prutsen en doen. Prutsen aan de json om dan een bijkomende <div> rond een tabel te zetten, en dan alsnog verdomme een <div> tussen moeten voegen om wat spatiëring te doen. En dan verdomme alsnog een hack moeten doen om een uitzondering op een uitzondering op een uitzondering te doen voor een stuk dat anders is dan een stuk dat anders is dan een stuk dat anders is dan normaal.

Gnyaargh. Morgen, denk ik, kijk ik er nog eens met frisse ogen naar, want ik kan daar dus niet echt tegen, tegen zo’n vieze dingen.

Mbleh. Op de pixel moet het just zijn, dedju.

Doe eens een poging

Ik weet het wel, imitation is the sincerest form of flattery en zo, maareuh jongens…

ikduimgent.png

Ik duim Gent? Met zo’n Facebookduimpje? En een lelijk font? Tsss. Ik vond het origineel beter. En dat van de ossen vorige keer:

vanhartegent.jpg

Wie is de volgende? Ik bokshandschoen / vuilblik Gent? Ik Vlaanderen Gent? Ik, euh mossel Gent?

(En ben ik trouwens de enige die het relatief vies vind dat er op die website van de OpenVLD niet alleen foto’s met de tag #ikduimgent staan, maar ook gewoon alle foto’s met de tag #gent?)

De comedy-hype

Ik heb maar een half woord nodig om lastig te lopen, en kijk, hier loop ik dubbel lastig van:

xander

xander2

De eerste keer dat ik de man zag, schreef ik dit:

De zaal was een beetje stil en het was soms sleuren en trekken om door het optreden te geraken, maar op geen enkel moment viel dat echt zwaar op. Net nerveus genoeg om on edge te zijn, net ervaren genoeg om rust uit te stralen, en uitstekend materiaal. Naadloos van horror naar VTM en terug. Chinezen, De Lijn en de NMBS, en de parallellen tussen een oudemensenhome en het amfibieëngebouw in de zoo: droog, maar niet cynisch, had ik genoteerd.

Wat ik daar precies mee bedoelde, weet ik niet meer precies, maar in alle geval: Xander De Rycke, afkomstig uit Zelzate en—begod—geëmigreerd naar Zeeland, negentien herfsten oud, en dat we er nog veel van gaan horen.

En de laatste keer dat ik hem zag, schreef ik dit:

Ik heb tegenwoordig minder en minder geduld met comedy: ik heb altijd van knip daar nu toch eens in verdorie en ook wel van steek daar verdomme toch eens watvaart in dedju hoe is dat mogelijk .

Xander op Comedy Casino was zoals het eigenlijk altijd zou moeten zijn: een paar jaar samengebald op minder dan een half uur. Minder dan een half uur, dat dan wel zeer degelijk is.

Ik vermoed dat mijnheer De Rycke het in zijn tweet dus heeft over die ene keer dat ik Lang leve HT&D schreef, niet over al de andere keren dat ik meer dan positief was over hem.

Die ene keer dat ik bullshit callde toen hij vanop de eenzame hoogte van zijn och here, wat, 23 jaar? 22? 24? eventjes ging poneren dat schrijf allemaal op beste kindjes, “ik ben de maat van alle comedy, en ik alleen zal bepalen wat grappig is”.

Of toch, dat is de conclusie die ik toen trok als hij de mening van Walter Capiau als “de laatste zucht van een stervende dinosaurus” omschreef, en zei dat Geert Hoste niets met comedy te maken heeft.

opinion

Zijn twitterdinges waar ik daarnet tegen liep, was er eentje in de nasleep van het Comedy Casino Festival, vorige week. Ik knip en plak even van op de website, want wie weet hoe lang blijft die website nog op het internet staan?

Comedy Casino festival is hèt festival voor stand-up comedy. Liefhebbers krijgen de keuze uit nationale en internationale comedians, in verschillende zalen van het ICC te Gent die op ieders lachspieren zullen werken. Zoals op ieder festival is het uiteraard onmogelijk om alle acts op de verschillende podia, tegelijkertijd te kunnen zien, u zal dus moeten kiezen. Aan de hand van de affiche en het programmaschema, kunt u uw hoogstpersoonlijke favoriete comedy-avond samenstellen. Zit de zaal van uw keuze op een bepaald moment van de avond helaas vol? Geen nood: er staat genoeg komisch talent op de andere podia om u een hilarische avond te garanderen.

Ik ga voorbij aan de tekst zelf (“hilarische avond”? zalen van het ICC die op de lachspieren gaan werken? was hier de copywriter van de boerinnenbond –- no direspect – aan het werk of zo?), ik ga er ook aan voorbij dat ze blijkbaar die tekst geschreven hebben toen er nog meer dan twee zalen voorzien waren (“op de andere podia”).

‘t Is gewoon dat wie drie uur comedy van voor de meeste mensen onbekende comedians als een “festival” omschrijft, laat staan “hét festival”, niet moet komen zagen als mensen vinden dat dat toch een béétje hoog gegrepen is.

Toen ik woensdag toekwam, vroeg ik me af of ik niet op de verkeerde dag was gekomen. Het ICC was verlaten. De roltrap naar boven genomen, door een zaal vol tafeltjes en catering die achteraf gezien wellicht niet echt nodig was (als elke comedian een bak of twee bier, een paar flessen cola en een doos wijn had meegenomen, was er ruim genoeg voor alle aanwezigen), en via een resem security naar de Banketzaal geraakt.

In de Banketzaal (veel te breed, een soort geïmproviseerd groot salon net voor het podium, afgrijselijk slechte akoestiek) deed nobele onbekende presentator Bas Birker verwoede pogingen om het gezellig te maken terwijl mensen af en aan liepen en hun voetstappen weergalmden, in de Casinozaal  een verdiep lager (goed formaat, goede akoestiek) was Piv Huvliv zijn eigen relaxte en sympathieke zelve.

Ik heb, boven, Thomas Smith gezien van aan de zijkant. Sympathieke kerel, geen schaterlach, maar dat hoeft ook niet: goede set. Enfin, toch wat ik ervan begrepen heb, want voor de mensen die niet récht voor het podium stonden was het alsof ze door een bivakmuts van rijstpap aan het luisteren waren. 

Raf Coppens begon er al meteen aan zoals ik hem al meer gezien heb: nijdig en negatief. En niet op een goede manier: het kwam op mij over alsof hij zo duidelijk mogelijk probeerde te maken dat hij daar niet graag stond, dat hij niets had voorbereid, en dat hij vooral zeer kwaad is dat de mensen om Geert Hoste wél lachen en om hem niet, en dat hij nochtans even slechte grappen maakt. Mensen die één slechte imitatie van een sportpresentator van een andere slechte imitatie van een sportpresentator kunnen onderscheiden, vonden het ongetwijfeld dolletjes, dat wel.

Weggelopen, dus, naar Han Solo (ik had het programma niet bij, anders was ik er meteen naartoe gegaan). Ik vond het stukje dat ik gezien heb, zoals bijna altijd, goed. Spijtig dat ik niet alles gezien heb.

Daarna Xander De Rycke gezien, en jawel, ik vond het goed. Voorspelbaar, schreef ik, maar dat wil niet zeggen slecht:

Grappig blijft grappig, natuurlijk. Zelfs al kunnen we collectief de “oei oei ik ben te dik aan het worden”-routine (compleet met voedsel in navel en huidplooien) bijna voorspellen en opzeggen, Xander De Rycke die zijn kruis omschrijft als “Walter Van Beirendonck met een curryworst in zijn mond”, dat is gewoon leutig.

Als ik er toch negatief over moét doen, en dat wil ik niet want ik vind het een sympathieke mens en een goede comedian, dan zou ik zeggen dat hij er bij momenten té nonchalant stond. Dat ik soms de indruk kreeg dat hij een ingestudeerd tekstje vanbuiten aan het opzeggen was. Wat natuurlijk het geval is, dat weet ik ook, maar het lag er soms te dik op. Maar dat is detailkritiek, want het was wel goed en grappig, en hij had de mensen mee, en hij bewijst nog maar eens waarom hij daar ergens vanboven staat.

Terug naar de andere zaal gegaan, en het einde van Bart Cannaerts gezien. Niet mijn soort humor – ik persoonlijk vond het allemaal dingen die ik andere mensen elders veel beter had zien doen. Had ik notities genomen, ik zou u in detail kunnen gezegd hebben wat ik er minder aan vond, maar ik was er niet gekomen voor een bespreking, en dus heb ik dat niet gedaan, en dus kan ik dat niet doen.

Gaan zitten voor Bob MacLaren. Een mens uit Nieuw-Zeeland die tegenwoordig in Holland woont: over smaken valt niet te twisten. Geschikte vent, dacht ik op het moment zelf. Twee dagen later –die ontbrekende notities weer– kan ik me niet meer herinneren waar hij het allemaal over had. Of nee, toch: iets met kinderboerderijen, blijkbaar hebben ze die in Amsterdam in elke wijk. Ik heb een béétje gelachen, niet veel. Ik had de indruk dat hij er lang over gedaan had om, als mens van de andere kant van de aarkloot, voeling te krijgen met zijn nieuw publiek in Amsterdam, maar Amsterdam is niet het Comedy Casino Festival in Gent, en het liep wat stroef, vond ik.

Sean Lock was goed, en bij momenten hilarisch (die keer met die vos die aan het overgeven was! ik kwam haast niet bij!). Dingen die al gehoord had, maar dat maakte niet uit. Hij had ook het probleem van MacLaren, dat hij grappen maakte die in zijn eigen land wellicht zouden werken, maar die het hier niet deden. Hij eindigde (of deed alsof hij zou eindigen) met iets met Michael Jackson, maar dat liep faliekant af. En dus deed hij maar een ding met oude comedians, hoe die de grofste dingen konden zeggen als ze erna maar een liedje brachten: tranen van het lachen, maar misschien ook wel omdat ik het mij helemaal kan voorstellen, met Bernard Manning en de machtige Les Dawson in het achterhoofd.

Jason Rouse was, zoals ik zei, vaak bijzonder grappig. Niet om de grofheid (nonnen fistfucken, eigen grootmoeders betalen voor sex, tralalal), ook niet omdat het onverwacht was (zowat alles wat hij zei, staat op YouTube), maar wel (vond ik) om de absurditeit van het geheel. En de manier waarop het opgebouwd was.

Voor wie het gemist heeft, dit was het optreden, zo voor een goede 90%. Materiaal van minstens een paar jaar geleden, jawel, maar goed is goed:

Dat dat was het dan, mijn idee over comedy Casino. Lock en Rouse vond ik de beste, Raf Coppens en Bart Cannaerts irriteerden mij. Nauwelijks te omschrijven als “een soort van haatbrief tegenover de Vlaamse Comedy”, zoals ene Anke meende te moeten omschrijven wat ik er donderdag over schreef. Al met al was het geen hoogvlieger, maar ik vond het ook niet spijtig dat ik geweest was.

En ik heb geen flauw idee wat de recensie in De Morgen zei, waar Xander De Rycke het over heeft in zijn blogpost.

Ik vermoéd dat de meneer of mevrouw van De Morgen zal geconstateerd hebben dat er weinig volk was (en dat was zo), en daaruit zal besloten hebben dat de hype een beetje over is. Ge kunt er niet naast kijken, een paar jaar geleden was het al “Vlaamse comedy” wat de klok sloeg, en was het op zo’n Comedy Casino-festival over de koppen lopen, nu was het dat niet.

Dat er minder volk is gekomen, is niet de schuld van de mensen die kwamen optreden. En zelfs al wordt er tegenwoordig minder spel over gemaakt dan in 2008, er zijn minstens evenveel mensen die goed zijn en goed bezig. Dat er minder volk komt, is honderd procent op het conto te schrijven van de organisatoren.

Allez jong, zijt eens serieus: wat voor affiche was dat?

Ik weet het niet echt, maar ik schat dat één Vlaming op honderd méér dan Raf Coppens en misschien Nigel Williams, en zeer misschien Xander De Rycke. Al de rest? Nobele onbekenden, vermoed ik.

Dat heeft niets met een waardeoordeel te maken: er zijn veel mensen veel bekender die ik persoonlijk veel minder goed vind, en er zijn ongetwijfeld ook wel mensen die niémand kent, die misschien wel beter zijn.

Het is niet met “jamaar ik vind dat hij echt wel  bij de betere comedians in Nederland is” dat ge volk trekt. Zonder dat ik ook maar één van de betrokken personen ken, is mijn indruk van het Comedy Casino Festival 2011 dat ze daar bij 3keys niet zozeer een Festival hebben samengesteld, als wel zeer hard gezocht naar mensen die écht niets anders te doen hadden die avond, of die geen excuus vonden om niet af te komen.

In de beste stuurlui-die-aan-wal-staan-traditie, heb ik natuurlijk ook ideeën over hoe ik dat anders zou aanpakken. Die buitenlanders buiten kieperen, bijvoorbeeld.  Dat kost geld, en dat is wijs voor wie ze kent, maar als we ze willen zien, zullen we wel op tv of op YouTube kijken in plaats van een dik kwartier naar iemand te zitten kijken die geen enkele voeling heeft met zijn publiek.

Maak er een dag van in het ICC, of zelfs twee dagen. Met activiteiten en films en allerlei. Oude knarren uitnodigen zoals, welja, Walter Capiau, of totaal onhippe mensen genre Jacques Vermeire – niét om ze uit te lachen, maar omdat ze gewoon ook grappig kunnen zijn. Met kleine kamertjes voor intieme voorstellingen, en grote ruimtes voor grote voorstellingen.

En ook eens iets anders dan alleen zuivere stand up comedy: ik zou het fantastisch vinden, bijvoorbeeld, om een sessie YouTube-comedy voor gevorderden te zien. Iets in de zin van Comedy Connections, maar dan van stand up: waar komen ideeën vandaan, wie is er (onterecht) vergeten, waar zitten er mensen die we met de beste wil van de wereld niet zouden leren kennen hebben?

Enfin bon, op de laatste twee edities afgaand, kan ik me inbeelden dat het volgend jaar niet echt meer aan de orde zal zijn om naar een invulling van Comedy Csino Festival 2012 te zoeken. Da’s dan alweer een probleem minder.

(En Xander: ja ik zie u nog altijd graag spelen, en ja ik vind u ne wijzen die goeie comedy doet, zelfs al denkt gij van niet. Trr. Diva’s!)

ddg

Hey moet ge nu wat weten? Ik ben nu al een week of drie overgeschakeld op duckduckgo voor mijn zoeken op het internet.

En neen, ik mis Google niet. En ik heb gelijk de indruk dat ik dingen vind die ik met Google niet vond, met al die spam die bovenaan stond altijd.

Venstertjes!

Er zijn er die er helemaal tegen zijn, tegen de stadshal op het Emile Braunplein. Ik niet. Ik kom er elke dag twee keer voorbij, en ik ben nu al een grote fan.

Als de stellingen weg zullen zijn en alles afgewerkt zal zijn, en het groen groen zal zijn en de bomen bebladerd en de bloemen in bloei: dat wordt een prachtig kloppend hart tussen de drie torens.

Ze waren al een tijdje bezig aan de zijmuur aan de ene kant, en vanmorgen zag ik dat ze aan de andere kant bezig waren. Vanavond, hoera! zag ik dat ze aan één van de vier kanten van het dak begonnen waren. En dat ze, zo ongelooflijk wijs, de binnenkant wat verlicht hadden:

Het dak!

Het is maar een klein stukje dat al afgewerkt is, maar ik vind het magisch schoon. Een zwevend schip van kleine lichtjes.

Anne McCaffrey

Ik dacht eerst gedorie ja, Anne McCaffrey, waar is de tijd?

Maar een paar tellen later dacht ik terug aan de jaren 1980, en toen kreeg ik plots een klop.

Het was al een eeuw geleden, maar natuurlijk dat ik al Anne McCaffrey’s boeken gelezen heb. Dragonriders of Pern en Ship Who Sang: ik lééfde in die werelden.

De zestienjarige hopeloos romantische geek in mij huilt tranen met tuiten.

Comedy Casino Critisch

Ik denk dat ik teveel echt grappige dingen gezien heb. Concurrentie met de hele wereld via internet, dat is dodelijk, denk ik, voor veel comedians. “Oh, een stukje over enkele kousen? Eens kijken welke richting het uitgaat… Meh, al vele keren beter gedaan elders, sorry.”

Grappig blijft grappig, natuurlijk. Zelfs al kunnen we collectief de “oei oei ik ben te dik aan het worden”-routine (compleet met voedsel in navel en huidplooien) bijna voorspellen en opzeggen, Xander De Rycke die zijn kruis omschrijft als “Walter Van Beirendonck met een curryworst in zijn mond”, dat is gewoon leutig.

En de mens die net een derde kind gekregen heeft, daar is het voorspelbaar van dat hij manieren gaat opsommen die hij heeft om aan het huis te ontsnappen, maar een auto met een plakkerige achterbank vol rozijnen en kruimels, dat blijft overeind, als materiaal. De lach van herkenning, weetwel.

Ach: ik denk dat ik te kritisch ben. Als er een grap gemaakt wordt over Do They Know It’s Christmas bijvoorbeeld, okay, tot daar aan toe. Dat wil denk ik vooral zeggen dat de mens die de grap maakt niet beseft dat de meerderheid van de mensen in zijn publiek niet eens geboren waren ten tijde van Band Aid.

Ik werd al wat nijdig van als het duidelijk werd dat dat materiaal van meer dan vijftien jaar geleden aangepast werd aan het post-nine-eleven-tijdperk. Okay, de Ethiopiërs hebben geen boodschap aan Do They Know It’s Christmas, maar daar zijn toch zeker enkele tientallen manieren om er een draai aan te geven?

Zo van “Do they know it’s christmas? ik denk dat de consensus in Ethiopië is dat ze liever zouden weten of er vandeweek eten zal zijn. En dat ze dan daarna eens gaan zoeken naar de kerstballen”, of een andere manier om te spelen met het contrast “weten ze daar wel dat het kerstmis is” / “ze hebben gewoon geen vreten”.

Neen, de grap was “Do they know it’s Christmas? They’re fucking muslims, the fuck to they care about Christmas!” GNYAAAARGHHHH. Neen, Ethiopië heeft een grote christelijke meerderheid. En in die tijd was er ook nog een relatief grote minderheid joden.

Afijn.

Om maar te zeggen: als comedian is het een gemak dat ge regelmatig eens uw materiaal tegen het licht houdt. Gelijk, als er maar vijf krantenkoppen zouden zijn in Belgische kranten, dan is één van die krantenkoppen nu al ongeveer een maand niét meer “Khadaffi nog altijd niet gevonden”. Of nog, in dezelfde set: de krantencommentaren devolueren al hele tijd niét meer naar “‘T IS ALLEMAAL DE SCHULD VAN DE MAKAKKEN” — dat is tegenwoordig een combinatie van Di Rupo PS profitariaat HOERnalisten walenbuiten.

Bij momenten wel gelachen, daar niet van.

Onder meer met de manier waarop Sean Locke en Jason Rouse hun publiek compleet verkeerd inschatten. Locke dacht grappen te moeten maken over Michael Jackson — euh, srsly?

En Jason Rouse had het in zijn sketch over kinderen martelen, sex met zijn grootmoeder, sex met gehandicapten, tralala. Vaak zeer grappig, maar meestal, als hij het over geloof had, lachte niet echt veel volk. ‘t Was schattig: hij ging ervan uit dat dat was omdat wij geshockeerd waren, zo van “oh la la, een non fistfucken daar konden ze nog mee lachen maar een kwinkslag over de here jezes is een brug te ver”.

Terwijl wij allemaal waren van euh, srsly? wij zijn wel wat meer gewoon dan dat, op dat vlak.

Comedy Casino Festival

Is dat mijn gedacht, of komt er gelijk serieus minder volk naar comedy, tegenwoordig?

’t Schijnt was het vorige jaren op de koppen lopen, en nu was er gelijk geen kat.

Street view!

Moh, ik had dat helemaal niet zien passeren, maar de mannen van Google zijn met hun street view-gedoe in Gent geweest, en de foto’s staan eindelijk online.

Kijk, onze straat!


Grotere kaart weergeven

Een tijdje met een Windows 7 Phone

Ha! Ik zei dat ik mijn iPhone kaka vond, en daar schreef Kris Decoodt van Microsoft als reactie op of ik niet eens een Windows Phone wou proberen.

Het ding is vandaag toegekomen, een HTC Radar met Windows laatste versie erop.

IMG_1083

Ze hebben daar bij HTC voor de doos zeer goed gekeken naar Apple, maar voor de rest: wohohow, hal-lo 21ste eeuw!

De telefoon voelt aangenamer in de hand dan een iPhone 4 (waar een mens zijn vingers praktisch aan snijdt als er geen hoes rond zit), en de interface, zo op het allereerste gezicht: yes.

Na een paar uut gebruik: ik vind het een eind beter dan iOS. Het voelt aan alsof ik in de 21ste eeuw zit, en terugkeren naar iPhone is als terugkeren naar een interface van een paar jaar oud, die even goed een webpagina zou kunenn zijn.

Het zit in de kleine details, zoals als ik in een lijst zit en scroll: dat is een plezier, de items drukken een beetje in waar ik er met mijn vinger op duw, en het doet niet alleen een beetje bounce op het einde, het drukt de lijst ook een beetje samen.

Afijn. Ik ga er een week of zo exclusief mee rondlopen.

Was er maar een mogelijkheid om mijn microsimkaartje in die HTC te krijgen, die nog met grote simkaarten werkt.

Oudere berichten

© 2016 Michel Vuijlsteke's weblog

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑