Michel Vuijlsteke's weblog

Tales of Drudgery & Boredom.

Category: Boeken (page 1 of 18)

Boekbespreking

Het was al bij al lang geleden dat ik nog eens zin had om een slets naar het computerscherm te smijten. En toen las ik Alexandra Kleeman’s bespreking van pagina 3-32 van Nabokov’s Lolita.

Het boek is zestig jaar oud, dus dacht New Republic dat het tijd was om er tien schrijvers hun gedacht over te laten zeggen, pagina per pagina.

Tiens, merk ik net: tien vrouwelijke schrijvers. Een slechter mens dan ik zou meteen zeggen “oei, bespeur ik daar een verborgen agenda?”, maar passons.

Als ik schrijf wat ik van een boek vind, dan heb ik niet de minste pretentie om wat dan ook van waarde te produceren. Ik was altijd al jaloers op mensen die een boeklog hadden, waarin stond wat ze op het moment van een boek vonden. Dus schrijf ik sinds een paar jaar van de meeste dingen die ik lees een paar plotpunten op en wat ik er persoonlijk van vond. Gewoon zomaar, voornamelijk voor mezelf.

Dat wil niet zeggen dat ik vind dat (literaire) kritiek kul is, integendeel. Ik vind het fantastisch om de inzichten van andere mensen te horen. Als ik een boek gelezen heb en ik heb zelf genoteerd wat ik ervan vind, ga ik meestal direct naar andere reviews zoeken. Ik heb Lolita heel graag gelezen, en ik was wel eens benieuwd wat voor nieuwe inzichten échte kenners mij zouden kunnen geven.

Mevrouw Kleeman, PhD-kandidate (verwacht 2016), met een lijst Awards and Honours langer dan mijn en uw arm, begint haar boekbespreking alzo:

At first glance, Humbert Humbert’s narrative appears to begin in direct address: Lolita, light of my life, fire of my loins, which is a fitting start for one of the most notorious love stories in literature. (What, after all, is more romance-like than calling out for the absent beloved?)

Okay, goed, tot daar aan toe. Ik zou het niet echt een ‘love story’ noemen, maar potato potahto.

But Humbert’s address leads nowhere. My sin, my soul, he continues, leaving the reader uncertain whether he refers to the girl or to himself, or to the latter in the guise of the former. Humbert isn’t speaking to Lolita at all: he uses her instead as material for thought, something to give shape to his speech.  Lolita’s allure has more to do with Humbert’s backstory than with any nymph-like nature of her own.

Gnnnn… Als Humbert Humbert het eerst over “light of my life, fire of my loins” heeft en dan over “my sin, my soul” heeft, vindt Alexandra dat het “nergens heen leidt”. Whut? Het lijkt alsof ze Nabokov zowaar verwijt dat hij de lezer in onzekerheid laat of Humbert het over Lolita dan wel of zichzelf heeft. Huh?

Met wat overdrijven zou een mens een chiasme kunnen zien (light of my life – my soul / fire of my loins – my sin), maar totaal los daarvan: waarom zou dat nergens heen leiden?

Ah, ik zie het al: omdat hij helemaal niet letterlijk met Lolita spreekt, en dat spreken over Lolita’s fascinerende aantrekkingskracht meer te maken heeft met de achtergrond van Humbert dan met Lolita.

Hey, weet ge wat? Misschien kunnen we gewoon even verder lezen. Nabokov’s volledige eerste paragraaf gaat zo:

Lolita, light of my life, fire of my loins. My sin, my soul. Lo-lee-ta: the tip of the tongue taking a trip of three steps down the palate to tap, at three, on the teeth. Lo. Lee. Ta. She was Lo, plain Lo, in the morning, standing four feet ten in one sock. She was Lola in slacks. She was Dolly at school. She was Dolores on the dotted line. But in my arms she was always Lolita. Did she have a precursor? She did, indeed she did. In point of fact, there might have been no Lolita at all had I not loved, one summer, an initial girl-child. In a princedom by the sea. Oh when? About as many years before Lolita was born as my age was that summer. You can always count on a murderer for a fancy prose style. Ladies and gentlemen of the jury, exhibit number one is what the seraphs, the misinformed, simple, noble-winged seraphs, envied. Look at this tangle of thorns.

Ik ben verre van een specialist zoals Alexandra Kleeman (PhD Candidate in Rhetoric Berkeley, masterdipoma in Fiction aan de universiteit van Columbia, exchange scholar Harvard, masterdiploma Rhetoric Berkeley, bachelor summa cum laude Literary Arts en Cignitive Science aan Brown Univeristy), maar ik zie daar vooral een uitstekende introductie in.

Een man die veel dure woorden gebruikt, maar in de grond gewoon een pedofiel is. Die zichzelf en de wereld probeert te overtuigen dat het allemaal zo erg niet was. We zijn direct mee dat het geen onpersoonlijke en onpartijdige verteller is, maar dat het persoonlijk zal zijn. Het ik-personage weet ergens wel dat hij verkeerde dingen doet, en geeft meteen aan dat het eigenlijk allemaal lang geleden begonnen is, met een andere die niet Lolita was.

In de loop van het boek wordt het duidelijk dat Humbert een narcist is die zich een aantal klassen beter voelt dan zowat iedereen, en die zowat het typevoorbeeld van een onbetrouwbare verteller is. En ook dat het boek niet over het echte meisje Dolores gaat, maar over Lolita, wat Humbert in zijn hoofd van haar gemaakt heeft.

Afijn. Terug naar mevrouw Kleeman:

That the eponymous girl makes only a fleeting appearance within the first thirty pages of Lolita offers a perplexing answer to the question of whether any male author—even an exceptionally skilled one—can craft an authentic female character.

Dit was het punt dat ik mijn slets naar de computer wou smijten. Ik denk dat er zelfs een letterlijke “What the fuck?” uit kwam. Dat Lolita maar eventjes te zien is in het begin van een boek waar de schrijver in de eerste paragraaf al expliciet zegt dat Lolita er niet was geweest als er niet vóór haar iemand anders was geweest, en dat die schrijver dan schrijft over dat meisje (Annabel Leigh), en over zijn leven en de omstandigheden die ervoor gezorgd hebben dat hij bij Lolita in huis terechtkwam, dat maakt het duidelijk dat zelfs een uiterst vaardige schrijver als Nabokov geen “authentiek vrouwelijk personage” kan schrijven?

Nog naast dat ik het persoonlijk vies vind dat die “skilled” er staat — niemand maakt mij wijs dat mevrouw Kleeman, met haar bachelor en master in rhetorica, dat er niet doelbewust heeft gezet om het onderscheid tussen een goede schrijver en een vaardige schrijver in de verf te zetten, tussen een ‘échte’ schrijver en een woordkunstelaar — en nog naast de kwestie of die specifieke vraag hierdoor negatief beantwoord wordt (quod non, mijn gedacht) — is de hele premisse zó belachelijk dat het mij aan woorden ontbreekt.

Kan een man eigenlijk wel een authentiek vrouwelijk personage schrijven? Kan een vrouw eigenlijk wel een authentiek mannelijk personage schrijven? Kan een volwassene eigenlijk wel een authentiek jong personage schrijven, of omgekeerd? Kan een mens met een migratie-achtergrond eigenlijk wel een authentiek personage schrijven dat al tien generaties Belg is?

Een blinde test dringt zich op: geen tien boeken met mannelijke en vrouwelijke personages, zeg niet wie de auteur is, en vraag aan specialisten wie ze de meest authentieke personages vonden?

On NPR’s list of the “100 Best Fictional Characters since 1900”, Humbert Humbert is ranked third, Lolita fourteenth. Fourteenth seems generous, given that it is so difficult to perceive Lolita through the haze of Humbert’s elocution (or is it invention?).

Urgh: “(or is it invention?)” — ja, het is invention. Ziet, zelfs op de Wikipediats staat er een lijstje van Notable works featuring unreliable narrators, en daar staat naast Die Blechtrommel en Fight Club en American Psycho ook Lolita tussen.

En dan komt dit:

Once when I was twenty-four, I went on a date with a man a year older who had never kissed anyone before. When I showed up at his apartment for dinner—a sweet Riesling, green salad with no dressing, roasted chicken with no skin because he disliked the alternating crispiness and flabbiness of it, the goosebumps on its surface—it was obvious that he intended to change that, via me. After we ate he let me choose from a small stack of sci-fi DVDs that he owned. When, ineluctably, he kissed me, his grip was too tight on my body, as though he had expected someone smaller. It was like being marched through someone’s private idea of a perfect night, a night where I was the center but one that had curiously little to do with me at all—all of which is to say that in an equation of desire, the object of desire can be integral and incidental at the same time.

Het voorwerp van iemands verlangen kan tegelijkertijd vitaal belangrijk en incidenteel zijn. Whoa, zo diep, jong. En daarvoor moest een gênante persoonlijke anecdote opgediept worden. Een jongen van vijfentwintig heeft een date met een meisje van 24, en misschien lees ik er teveel in, maar de juffrouw vond het allemaal een beetje een degoutante bedoening. De kerel van 25 had nog nooit iemand gekust: dat gecombineerd met een stapeltje sciencefiction, doet mij vermoeden dat hij wellicht niet de méést sociaal vaardige persoon ter wereld zal geweest zijn.

Uitzicht is lang niet alles, natuurlijk, maar het internet vertelt mij dat de juffrouw er zo uitziet:

alexandra-kleeman-author-photo

Ge zijt 25, ge hebt nog nooit een meisje gekust, ge hebt al uw moed bijeengeschraapt, en dan zegt iemand die er zoals de juffrouw hierboven uitziet, dat ze een date met u ziet zitten. Ge plant een perfecte avond met zelfgemaakt eten, wijn en een film (niet te romantisch want wie weet hoe wordt dat geïnterpreteerd, niet te gewelddadig want dat kan niet, misschien Gattaca? misschien Gravity? misschien zoiets?); die avond begint, verloopt of eindigt ikweetniethoe, en dan wordt die jaren later op deze  manier neergezet.

“Toen hij me, overmijdelijk, kuste, hield hij me te hard vast, als had hij iemand kleiner verwacht.” Natuurlijk ben ik een gemene slechte mens, een man, maar in het huidig tijdsgewricht op het internet lees ik alleen al in die “ineluctably” een halve verkrachting. En als de anecdote begint met “een oudere man” in de context van een stuk over Lolita, dan gaat geen mens mij vertellen dat de bijna-PhD in Rhetoriek niet weet dat ze meteen ook connotaties van pedofilie doet zweven, zelfs al is de man maar één jaar ouder.

Het was geen fijne date, begrijp ik. Kan gebeuren. Maar neen. De juffrouw had geen agency, het was allemaal onvermijdelijk, ze voelde zich geobjectiveerd, zij was op dat moment Lolita. En deze zielig opgewarmde tranche de vie was de beste manier om het begin van Nabokov uit te leggen. Had ik vijf sletsen, ze waren allemaal door het scherm gesmeten.

Maar goed, intentieprocessen terzijde, even voor de mensen die een wat meer visuele kijk op de zaken nodig hebben, als ik de totaliteit van juffrouw Kleemans bijdrage aan de zestigjarige verjaardagsboekbesprekig van Nabokov’s Lolita in een taartdiagram zet:

kleeman

Protip: als er ongeveer één A4-tje ruimte is voor een bespreking van Nabokov — 40% daarvan spenderen aan een persoonlijke anecdote waar niemand in geïnteresseerd is? Geen goed idee.

Is het al gedaan, de boekbespreking? Neen! Na het streepje “mijn dagboek”, is er nog een conclusie:

It could be said that in these early pages Nabokov signals his intent to craft a more honest portrayal of a female character than any before: A portrayal in absentia, one which has the reader peering anxiously through the gaps in Humbert’s account for glimpses of the incidental girl, the one who resists appropriation by narrator and reader alike.

Ah, “it could be said”. Wezelterm der wezeltermen. “Men zou kunnen aanvoeren”, “sommigen beweren”, “er wordt wel eens gezegd”. Vertaling: dit is mijn opinie dit erover, maar ik ben te laf om te schrijven “volgens mij” of “ik denk”, dus ik steek me weg achter een totaal ontkenbare onpersoonlijke constructie.

Bah. Vele keren bah.

Gelezen: The Bazaar of Bad Dreams

BazaarStephen King. De klassiekers van toen ik nog klein was: Salem’s Lot, Carrie, The Stand, The Shining, Cujo, Christin, Pet Sematary en zoveel meer. De verfilmingen — The Green Mile, Running Man, Misery, Shawshank Redemption, Stand By Me, en natuurlijk alle verfilmde klassiekers. De eindeloze Dark Tower-reeks, warts and all.

En die keer dat hij een auto-ongeluk had en dat hij bijna dood was en dat hij zei dat hij niet meer zou schrijven, maar hoera! dat hij dan toch weer schreef.

Het laatste boek dat ik van hem las was 11/22/63, en okay, misschien was het een beetje aan de lange kant, maar miljaar die mens kan schrijven. Oh zeker, de literaire snobs zullen allemaal in koor “genre-fictie!” roepen: fuck literaire snobs. King schrijft griezelig echte mensen, zelfs als ze dood zijn en in een soort Kafkaiaans vagevuur tussen dood en reïncarnatie zitten. Een paar zinnen en de persoon staat er. Zelfs een miljardair zijn met chronische pijn, en zelfs de laatste overlevende van een Indiana Jones meets The Hunting of the Snark-verhaal, in een verhaal in dichtvorm.

Twintig verhalen in deze bundel, en dat zijn er misschien wel een aantal teveel. Of beter: dit was misschien beter een aantal verschillende bundels geweest, want nu gaat het thematisch bijzonder over en weer. Er zitten ‘klassieke’ King-verhalen in (Mile 81, die bijna zelfparodie lijkt, ruwweg over een auto die mensen opeet), er zit een novelle in die op zich zou kunnen staan (Ur, over een verkeerd geleverde Kindle waarmee boeken uit parallele universa kunnen besteld worden, en die actua uit de toekomst bevat), en er is een hele reeks verhalen die helemaal niets bovennatuurlijks hebben.

Batman and Robin Have an Altercation (verkeersagressie, en een man en zijn oude vader die Alzheimer’s heeft), A Death (sheriff die zich voorbereidt op de ophanging van iemand die misschien wel onschuldig is), Summer Thunder (post-apocalyptisch en melancholisch, iedereen is dood of gaat dood), Under the Weather (al van de eerste paragraaf weten we dat het een man is waarvan de vrouw gestorven is, maar hij weet het zelf niet, of wil het niet weten) — veel van de beste verhalen gaan over de dood, en over hoe alledaags het allemaal is.

Bij wijze van introductie schrijft King bij elk verhaal iets over het ontstaan ervan, of de context. Ik ben er niet uit of dat een goed dan wel een slecht idee was. Aan de ene kant blijf ik er van overtuigd dat het een goed idee is om een werk los van zijn auteur te zien (anders zou ik het heel moeilijk krijgen bij pakweg Ender’s Game van de ondertussen bijna cryptofascist Orson Scott Card, of bij de magische dingen van Bisqwit), aan de andere kant vind ik het fascinerend om de achtergrond achter de achtergrond te weten te komen.

Hm. Mixed bag, dus. Maar wel met een aantal zeer goede stukken. De beste verhalen zijn uitstekend, en zelfs in de minder goede verhalen zitten uitstekende personages.

[van op Boeggn]

Gelezen: The Spy Who Came in from the Cold

The Spy Who Came in from the Cold.17APure nostalgie.

Vroeger thuis stond het verzamelde werk van John Le Carré (en Len Deighton en Ludlum en Ken Follett en Tom Clancy en alles en alles) in de bibliotheek, en ik heb ze allemaal gelezen.

En natuurlijk blijft The Spy Who Came in from the Cold overeind, zie dat van hier. Het speelt zich allemaal af in een wereld die ondertussen al zó ver weg en lang geleden is dat het even goed fantasy zou kunnen zijn of science fiction, maar behalve dat is er niet veel veranderd.

Er zijn goede mensen en er zijn slechte mensen, er is een enorm overgrote meerderheid mensen die noch goed noch slecht zijn maar gewoon min of meer hun werk doen. En er zijn mensen die door de wereld vermalen worden, pionnen in een spel dat ze niet controleren, en waar ze nauwelijks het bestaan van kunnen bevatten.

Spannend boek, dat wel. En aangeraden.

[van op Boeggn]

Gelezen: The Ashes of Worlds

0c6683ee7345fbc8481e880599fbba31Op een rij wat moet opgelost geraken: bij de mensen, oorlog tussen Hanze en Ildiranen, tussen Hanze en Roamers, tussen Hanze en Confederatie, burgeroorlog/verzet op Aarde, tussen mensen en Klikiss, tussen mensen en Faeros, tussen mensen en Hydrogues, tussen mensen en Klikisrobots. Bij de Ildiranen: tussen Jora’h en Rusa’h, tussen Ildiranen en en Faeros, tussen Ildiranen en Hanze. Daarnaast: oorlog tussen Hydrogues en Faeros, tussen Faeros en Wentals, tussen Ventani en Wentals, tussen Klikiss en al de rest, en aaaaargh.

En een megalomane voorzitter van de Hanze met voor zover we zien maar een stuk of vijftien échte true believers, die voortdurend zonder lijfwachten rondloopt en al vier boeken aan een stuk had kunnen vermoord worden waardoor de laatste drie vier boeken niet meer nodig waren geweest.

Dit was een boek te ver. En ik had het denk ik ook al gelezen. Denk ik, zeg ik wel, want zelfs al had ik het niet gelezen, het was zó voorspelbaar dat ik het even goed niet had kunnen lezen.

Ik moet echt ophouden met series uit te willen lezen als het mij na een paar boeken tegensteekt (zie ook: Wheel of Time, ondanks Brandon Sanderson).

Euh ja, dus, ik stel mijn opinie van in het begin bij: niét lezen. Voor een trilogie had dit goed geweest, maar zeven boeken is des Guten (viel) zu viel.

Onbegrijpelijk, vind ik. Ik heb zo’n idee van Kevin J. Anderson als door de band een broodschrijver in andermans universa, met zijn Dune-prequels en World of Warcraftboeken en watnog, en dan denkt een mens: hij heeft nu eens zijn eigen wereld, hij gaat daar toch een beetje goed mee omgaan? Neen dus.

[van op Boeggn]

Gelezen: Metal Swarm

metalswarmKevin J. Anderson! Faut pas pousser bobonne dans les orties, gast.

Tot daar aan toe dat Star Trekgewijs de Ildiranen er menselijk uitzien. Maar als ik even oplijst: er zijn mensen die met Ildiranen kinderen krijgen, er zijn mensen die met boomachtige aliens versmelten, er zijn mensen die met waterachtige aliens versmelten, er zijn Ildiranen die met vuurachtige aliens versmelten, en er zijn begot zelfs mensen die met insekt-achtige aliens versmelten.

Herhaal met mij, Anderson: DNA is geen universele soort plasticine! Serieus: als het ons nog niet eens lukt op mensen met mensapen te paren, hoe zou het dan lukken om niet-steriele en perfect functionele kinderen van mensen en aliens te krijgen?

Gah!

En voor de rest: hoe verder ik lees, hoe meer ik begin te twijfelen. Ik dacht dat ik maar een paar van de zeven boeken had gelezen, maar de grote ontknoping van boek zes van de zeven kwam ook al niet als een verrassing. Ik denk dat ik dus zeker tot boek zes moet gelezen hebben, de vorige keer — zucht.

Nog één boek en het is gedaan, en dan ga ik écht toch nog eens een goéd boek lezen, denk ik.

[van op Boeggn]

Gelezen: Of Fire and Night

of fire and nightHet loopt wat in elkaar, die boeken die op een halve dag uitgelezen zijn.

De voorzitter van de Hanze wordt alsmaar irrationeler, en het wordt alsmaar vreemder dat er daar niemand tegen kan protesteren, dat niemand een coup pleegt of zo.

Bij de Ildiranen wordt de nieuwe keizer voor een dilemma gesteld, nog een soort oude alien-achtige hybriden komt terug om een reeks mensen te redden, yada yada.

Wél spannend, maar het probleem is dat er ondertussen zodanig veel verschillende verhalen door elkaar lopen, dat het nooit overal even spannend kan zijn. En dan wordt het cliffhanger na cliffhanger en is de verleiding zeer groot om de minder interessante verhaallijnen diagonaal te lezen.

[van op Boeggn]

Gelezen: Scattered Suns

Scattered-Suns-Kevin-J-Anderson-Pap15-lgeZie nu, boek vier al.

Wat op den duur erg opvalt, is hoe klein het allemaal is. In principe zou het allemaal erg allesomvattend moeten zijn, met zeven à acht volledig verschillende soorten aliens, met tientallen locaties en vele keren meer karakters en met een hele reeks plotlijnen door en over elkaar.

In de praktijk is het dat niet, en lijkt de wereld telkens beperkt tot net zoveel mensen als er op een toneelpodium kunnen. Zijn we op Aarde bij de Hanze, dan worden daar alle beslissingen genomen door Basil Wenceslas, volgens het verhaal “voorzitter”, maar we zien nooit een raad van bestuur, we zien nooit ook maar enige vorm van checks & balances of accountability, en terwijl zowat iedereen weet dat hij irrationeler en irrationeler wordt, kan blijkbaar niemand er iets aan doen.

En ’t is niet dat hij fanatiek aan hem verbonden machtige SS-macht heeft of zo: voor zover we zien, is er alleen maar sprake van één soort enforcer, die blijkbaar al het vuile werk opknapt (van mensen ontvoeren tot huisdieren vermoorden).

Aan de andere kant van de melkweg is het hetzelfde: al wat er gebeurt in de maatschappij van de Ildiranen, blijft beperkt tot statische toneeltjes tussen Jora’h en zijn broers en zijn kinderen. (Ja, trouwens, Kevin Anderson is in de val van de afkappingstekens gelopen: alle Ildiranen hebben er eentje in hun naam, om aan te duiden wat ze zijn: ‘h voor edelman, ’n voor militair, ’t voor zanger, ‘x voor mijnwerker, etc., etc. Never mind dat ze met elkaar kinderen kunnen krijgen, waardoor er een hele reeks ‘nh voor edelman-militair rondlopen, en dat er dus in principe ook ‘nhtx zouden moeten kunnen zijn, zucht.)

MAAR GOED. Suspension of disbelief, en ik wil de reeks gewoon uit hebben.

Een paar punten extra voor dit deel, omdat er toch een ernstige poging ondernomen wordt om een zekere diepgang aan de personages te geven.

[van op Boeggn]

Gelezen: Horizon Storms

HorizonWaar een paar dagen vakantie allemaal goed voor zijn: het gaat vooruit, boeken lezen als er niets anders te doen is. Het helpt ook dat ik ’s morgens niet moet wakker worden, en dat ik dus tot een stuk in de nacht kan lezen.

Dit is wat ik genoteerd had toen ik het de eerste keer las:

Deel drie, en meer van hetzelfde laken als deel twee. Leest als een TGV.

Nog altijd niets verrassends, of beter; écht verrassends, maar hey, dààr lezen we Kevin J. Anderson toch niet voor?

Yep inderdaad. Dit was zelfs niet meer uit op een avond en een nacht, maar gewoon op een nacht. Beginnen lezen als ik in bed gekropen ben, en doorgelezen, en toen was het uit.

Zeer vreemde ervaring wel: ik herinner met niets meer van de details van het verhaal, en ook niet echt meer iets van de grote lijnen. Wat is blijven hangen, zijn een aantal evoluties in een aantal personages.

Ik herinner me vaag dat een zekere arrogante aristocratische piloot tegen zijn eigen verwachtingen verliefd wordt op een mevrouw van bij de zigeuner-achtige Roamers, en dat het wederzijds is, maar hoe en wat juist: geen idee.

Ik herinner me zeer levendig dat ik enorm meeleefde met een ander personage, en ik dénk dat dat tegen mijn verwachtingen tragisch afliep — maar of dat in boek vier of vijf of zes gebeurt, geen idee. Ik weet wel nog zeer duidelijk waar ik was toen ik dat voor het eerst las: op weg naar mijn ouders, en de dramatische gebeurtenis gebeurde net toen ik aan de voordeur kwam gewandeld, ergens in de winter jaren geleden.

Geheugen is iets raars.

Voor de rest: met het verstand op nul en de blik op oneindig is dit een zeer aan te raden reeks. Op een Star Trek meets Dune-voor-tieners soort manier.

[van op Boeggn]

Gelezen: A Forest of Stars

downloadDeel twee. Nieuwe aliens, nog een stapel nieuwe personages, en (in acht genomen de fundamentele belachelijkheid van een hele resem premissen) veel beter en spannender dan het eerste deel.

Zeer moeilijk neer te leggen eens men er aan begint: ik denk dat ik het op een avond en een nacht uitgelezen heb.

[van op Boeggn]

Gelezen: Hidden Empire

18-the-hidden-empireJaaaa! Ik heb nog eens een boek uitgelezen!

Ik werd er zowaar depressief van, dat ik geen boeken meer gelezen kreeg. Okay, ik heb wel een stuk of twintig afleeringen tv-reeksen bekeken en een resem film, maar het werd me droef te moede dat ik geen boeken gelezen kreeg.

Het is dan maar iets meer dan zeer licht verteerbaar geworden. Waar ik jaren geleden aan begonnen was, en wegens dat de reeks toen nog niet af was, nooit helemaal uitgelezen — ik denk dat ik aan deel drie of zo geraakt was, en zie! ik vond zowaar nog iets terug dat ik in 2008 schreef en waar ik nog altijd achter sta.

Ah, space opera. A cast of millions, heelder werelden geschapen, allerlei gebeurtenissen, tien plots die allemaal rond elkaar en door elkaar en in elkaar draaien, heldendom, verraad, verdriet, plotwendingen, dingen op schaal van het universum: what’s not to like?

Zoals wel meer gebeurt in een eerste deel, worden een aantal basispremissen uit de doeken gedaan, en worden een paar personages–een kleine twintig of zo–wat meer uitgediept.

Ik wist waar mij aan te verwachten: een serie die “Saga of the Seven Suns” heet, daar zouden wel eens zeven delen van kunnen zijn. Deel één tot en met zes heb ik liggen, deel zeven komt begin juli 2008 uit, en er zijn nog een stuk of twee prequels ook.

Maar goed. Deel één. Plot in het snel: mensen hebben de nabije planeten veroverd, en dan wisten ze niet meer wat gedaan, hebben ze een roedel grote generatieschepen erop uit gestuurd, die zijn door de vriendelijke aliens onderschept, een paar generaties later. De vriendelijke aliens hebben FTL door gebruik te maken van ekti, een vorm van waterstof die uit jupiterachtige planeten gedistilleerd wordt.

De mensheid is verenigd in een handelsimperium, de Hanze, onder het nominale leiderschap van een koning, maar eigenlijk onder leiding van de voorzitter van de raad van bestuur van de Hanze.

De levensnoodzakelijke ekti wordt tegenwoordig verzameld door roamers, een soort kruising tussen zigeuners en klusjesmannen, onafhankelijk van de Hanze.

Er is een soort ogenblikkelijke communicatie via bomen: op één planeet, Theroc, bleek een bos te staan van bomen die bewustzijn hebben en allemaal met elkaar kunnen spreken, ongeacht de afstanden. Mensen op die planeet kunnen interageren met die bomen, en spelen zo voor radio voor de Hanze (want ook zij zitten er niet echt in).

De goede aliens, die worden bestuurd door een Mage-imperator, een eunuch die een vorm van telepathische controle/aanvoelen heeft met al zijn onderdanen.

Een koppel exoarcheologen doen onderzoek naar een mysterieus verdwnen ras, de Klikkits, en ze hebben er een wapenachtig iets gevonden, waarmee een stabiel wormhole kan gemaakt worden. Ze besluiten het ding te gebruiken om te terraformen, achtig: een neutronenster in een gasreus plakken, en zo een nieuwe zon doen ontstaan en planeten te ontsluiten.

En dan loopt het mis.

Introducties, en dat het al meteen duidelijk is waar er vanalles gepikt is: space gypsies, elementals, Hansa, generation ships, aliens met een mentale connectie en kasten, exo-archeologen, mysterieuze verdwenen rassen, robots met wetten van asimov, een spice-achtige brandstof: niets echt verrassends.

Wel leutig gecombineerd, daar niet van maar ik houd mijn hart wat vast voor deel twee, als ik eerlijk mag zijn.

Ik ben er deze doorlezing op iets meer dan een dag door geraakt. Het viel mij nog meer op dan de eerste keer hoe onrealistisch het allemaal is, en hoe zeer erg John Carter-achtig.

’t Is niet zeer goed, echt niet. Maar ik heb zin om snel te lezen, zonder veel nadenken of wat dan ook.

[van op Boeggn]

Gelezen: The Soul of a New Machine

Soul of a New MachineEen journalist die meer dan een jaar in de loopgraven zit, samen met de mensen die een nieuwe computer aan het maken zijn. Die de computer volgt van ontstaan tot oplevering, in een periode dat er nauwelijks sprake was van personal computers: eind de jaren 1970, toen IBM oppermachtig was en Data General de gevaarlijke en hippe New Kid on the Block was.

Maar nu zit Data General mogelijk zelf in de problemen: DEC’s VAX is sneller en beter dan het beste dat Data General heeft. En dus beslissen ze om op een nieuwe plaats een volledig nieuwe afdeling op te richten om een fantastische nieuwe machine te maken die vele kere beter zal zijn dan de VAX (maar ook veel complexer). De achtergebleven mensen, die niet ana het nieuwste van het nieuwste werken, moeten ondertussen maar incrementele verbetering aan de bestaande Exlipse-lijn doen.

En dat ziet Tom West, niet zitten. Zijn meesterplan: de bestaande 16-bit Eclipse hermaken in een 32-bit-versie, die backwards compatible zal blijven. Als een soort Plan B, voor in het geval het niet zou lukken met de nieuwe machine.

Hij stelt een klein team samen van oude rotten, aangevuld met een hele stapel mensen die net afgestudeerd zijn, “zo jong dat ze nog niet weten wat onmogelijk is”, en past er de paddenstoel-magament-theorie op toe: “keep them in the dark, feed them shit, and watch them grow”.

Het boek slaagt er nooit in om Tom West helemaal te verklaren: hij blijft een mysterieus iemand, in zijn jeugd rebels, een muzikant, heel de wereld afgereisd voor het Smithsonian, en dan bij Data General terechtgekomen waar hij eerst zelf in de loopgraven zat maar redelijk snel ‘management’ werd. Voor zover we zien moet hij totaal schizofreen geleefd hebben: op het werk droog en een imago van bullebak en tiran, maar buiten het werk een compleet andere persoon.

West usually drove out of Westborough fast after work. “I can’t talk about the machine,” he said one evening, bent forward over the steering wheel. “I’ve gotta keep life and computers separate, or else I’m gonna go mad.”

En toch tot zijn pensioen bij hetzelfde bedrijf gebleven. Weird.

Waar Tracy Kidder wel in slaagt, is de heldentocht te omschrijven. Van niet weten of het zelfs maar zou kunnen, over de successen en tegenslagen, tot de uiteindelijke oplevering van de Data General Eclipse MV/8000. Met naast Tom West focus op de Hardy Boys onder Ed Rasala, de mannen die de hardware moesten maken, en de Microkids onder Carl Alsing, die de microcode schreven. En natuurlijk is het maar één computer van de zovele, heeft niet op honderdduizend er ooit zelfs maar van gehoord, is het niet eens een voetnoot in de geschiedenis — maar voor de mensen die hem aan het maken waren, was het dat anderhalf jaar hun hele leven.

Allemaal zeer confronterend, voor wie ooit iets in IT gedaan heeft.

Geen boek om managementtechnieken te leren, geen boek om een geschiedenisles te krijgen, geen boek waar veel over computers in staat, maar toch verplichte lectuur voor al wie iets met computers en management doet, denk ik.

Pulitzerprijs ook, en doet mij goesting krijgen om andere boeken van Kidder te lezen.

[van op Boeggn]

Gelezen: Ancillary Mercy

Ancillary MercySchal de klaroenen! Het laatste deel van de Imperial Radch-trilogie is er!

Ik was absoluut niet zeker of Ann Leckie er zou in slagen om het verhaal tot een degelijke conclusie te brengen in één boek, en hoboy, ’t is helemaal gelukt.

Een wijvenboek en goede sciencefiction, en grappig en spannend tegelijk. En had ik al gezegd een wijvenboek? Ik ben er zeker van dat het iets is dat mijn dochter van zestien het ook graag zou lezen.

Ik wil zelfs niet beginnen aan een soort van korte inhoud omdat spoilers, maar het was al lang geleden dat ik zo content was op het einde van een verhaal.

A++ would recommend.

[van op Boeggn]

Gelezen: The Satanic Verses

Prieres-TheSatanicVersesIk houd van de taal van Salman Rushdie, van tussen Engeland en Indië.

Zeker, ’t is een uitslover, en zeker, hij doet soms té veel zijn best, en zeker, ’t is in het echt ongetwijfeld geen gemakkelijke mens, maar dat maakt mij niet uit.

Saladin Chamcha is een Indische acteur die vooral zijn roots achter zich wil laten. Hij idoliseert Engeland en Engels zijn, en een van zijn grote frustraties is dat hij wegens zijn uiterlijk nooit echt Engels kan zijn op toneel of film. Alleen met zijn stem kan hij om het even wie zijn: hij is een gevierd stemacteur — de stem van ontelbare reclamespots, van diepvrieserwtjes en van pizza. En ja, het ligt er nogal dik op: zijn sterrol is als een alien in een tekenfilm. Buitenstaander, hellow.

Gibreel Farishta is een Indische acteur die gevierd en geïdoliseerd wordt in Indië. Hij speelt er godheid na godheid in blockbuster na Bollywood-blockbuster.

In eht begin van het boek bevinden ze zich samen in een vliegtuig dat gekaapt wordt, en dat uiteindelijk ontploft boven het Kanaal. Ze vallen samen naar beneden maar worden op de één of andere manier miraculeus gered; Chamcha wordt een duivel (compleet met hoornen en staart), Farishta wordt een engel (compleet met halo).

Hoezee! ’t Is magisch realisme! Een mens weet niet wat echt is en wat niet!

Gibreel had, nog voor de ontploffing, voortdurend dromen waar hij zichzelf als de engel Gabriël ziet, en dat wordt nu alleen maar erger. (Magisch realisme allemaal goed en wel, maar het is redelijk duidelijk dat Gibreel Farishta mentaal niet in orde is.) Zijn dromen komen in een reeks sub-plots terug, die op verschillende manieren parallel lopen met de raamvertelling: het verhaal van Mohammed (‘Mahound’ in het boek) en hoe de Islam ontstond en de Koran geschreven werd, een vignet over een nauwelijks verholen Ayatollah Khomeini, een verhaal over een fanatisch Indisch moslimmeisje dat haar hele dorp op sleeptouw neemt in een pelgrimstocht naar Mekka.

Alledrie personages die zeggen geïnspireerd te zijn door Gabriël, maar Gibreel-als-Gabriël beseft dat hij het niet echt is die inpireert, en dat hij gevangen zit in het (droom)verhaal.

Ah well. Duizend dingen te zeggen over het boek, natuurlijk: wat het zegt over geloof, over wat thuis is, over liefde, familie, obsessie. Over de chutneyficatie van cultuur, het unieke perspectief van migrant. En postmodernisme en intertextualiteit en bla die bla.

Een mens kan het boek lezen met een notablok ernaast en notities nemen en lezen en herlezen. Een mens kan het ook gewoon lezen als een spannend boek vol humor en ontroering.

Zeer aangeraden.

[van op Boeggn]

Gelezen: Southern Bastards v2: Gridiron

southernbastards2Euless Boss in het eerste deel van Southern Bastards is een slechte slechterik. Een mens voelt dat er meer achter zit dan wat er op de pagina staat, en in Gridiron krijgen we dat te zien.

En jawel, het heeft alweer met vaders te maken. De grootste droom van Euless Boss was om één van Running Rebs te worden, maar zijn familie heeft een minder dan goede reputatie en zijn vader is de ergste van al. Cue een al met al traditioneel verhaal, compleet met oude mentor erbij.

Het vleest Euless Boss uit, het geeft meer achtergrond, maar het voelt toch aan alsof het minder met de geplogenheden van het genre speelt dan het eerste deel. Een oude mentor okay, tot daar aan toe — de coach in Rocky, Yoda in Star Wars, Mr. Miyagi in Karate Kid, so far so monomyth — maar in het diepe Zuiden van de VS er een zwart van maken, en dan nog een blinde zwarte, da’s mij nét iets te veel in de magical negro-richting.

Maar bon. De tekeningen van Latour blijven uitstekend, en dit deel twee is een uitstekend opstapje naar deel drie, waar de dochter van Earl Tubb op het toneel komt. Yay!

gridiron

[van op Boeggn]

Gelezen: Titus Groan

Titus GroanAh, heerlijk. Een boek dat gemaakt is om te beluisteren, en om van te genieten. Jawel: audioboek! Er zijn mensen die er absoluut niet van moeten weten, maar dat zijn mensen die verkeerd zijn. Wij zijn gemaakt om verhalen te vertellen aan mekaar, en er is iets visceraal anders aan een voorgelezen verhaal, dat er niet is als je het zelf leest.

Als ik zelf lees, dan is dat tegen wil en dank aan tweehonderd per uur, kan ik bijna niet stil staan, wil ik altijd vooruit, verder, het vervolg weten. Voorgelezen is dat niet mogelijk. Is het de auteur die beslist, niet ik. En voor sommige verhalen is dat meer dan de moeite waard: Gormenghast is er één van, en Simon Vance zet het kasteel en zijn bewoners magistraal neer. Meer nog: Gormenghast is beter als het door Simon Vance voorgelezen wordt dan als ik het zelf lees.

Mervyn Peake is de anti-Tolkien: geen draken, geen magie, geen kaart die landmark voor landmark afgegaan wordt, en jawel, geschreven in 1946 maar niéts clichématigs. Het is de reis die belangrijk is, niet de bestemming. Euh, niet dat er een reis of een bestemming is in Titus Groan, wegens iedereen blijft in de buurt van het kasteel, maar toch.

Sepulchrave is de 76ste graaf van Groan. Hij heeft zich er al jaren bij neergelegd dat hij van zijn geboorte tot zijn dood geleefd zal worden, met een ritueel voor bijna elk uur van elke dag van het jaar en met precedenten voor al wat er ooit zou kunnen gebeuren. Zijn vrouw, Gertrude, heeft schijnbaar alleen oog voor haar legioen witte katten, en voor de dozijnen vogels die ze voortdurend rond haar heeft. Hij heeft een dochter van 15, Fuchsia, die zowat alleen in haar eigen wereld leeft en nog het meest contact heeft met de quasi-demente Nannie Slagg, al generaties lang kinderverzorgster. Dan zijn er nog de twee zussen van Sepulchrave, de tweeling Cora en Clarice: jaloers op Getrude en de wereld, willen de macht veroveren zonder eigenlijk goed te begrijpen wat ‘macht’ is, en en zonder eigenlijk om het even wat goed te begrijpen.

Het kasteel van Gormenghast is een microcosmos waar jaar na jaar quasi niets verandert. En dan, om het met de krantenkoppen van de laatste jaren te zeggen, gebeurt dit.

In de gigantische keukens van het kasteel, waar de al even gigantische Swelter de plak zwaait, is de zeventienjarige Steerpike het zodanig beu dat hij ontsnapt. Op de dag dat Titus geboren wordt, de zoon van Sepulchrave en Getrude, en dus de toekomstige 77ste graaf.

Steerpike werkt zich in het leven van Fuchsia en van de tweeling, en wordt de helper van Dr. Prunesquallor, de dokter van het kasteel.

Verandering! In een wereld die niet kan omgaan met verandering!

Ik vind dit een heerlijk boek. Fantastisch. Wondermooi van taal, hilarisch grappig en diep ontroerend bij momenten, verschrikkelijk spannend ook. Oh, en ik heb het niet eens gehad over mijn favoriete personage: Flay, waarschijnlijk de meest onveranderlijke van alle onveranderlijke mensen in het kasteel (denk Christopher Lee op zijn droogst), die pas begint te leven als hij noodgedwongen moet veranderen. Meesterwerk.

(Fair warning: er zijn mensen die zot zijn van Gormenghast, en dan zijn er mensen die Gormenghast haten. Ik denk niet dat er veel mensen zijn die ergens tussenin zweven, zo van “mwofja, niet slecht maar ook niet goed”.)

[van op Boeggn]

Older posts