Michel Vuijlsteke's weblog

Tales of Drudgery & Boredom.

Categorie: Kinderen (pagina 1 van 28)

Toekomst op komst!

Er gaat geen week voorbij of ik denk er aan om iets te schrijven dat begint met Ik kan het haast niet geloven, maar het is al…

Yep, het zijn alweer bijna examens. De halfvastenfoor staat er al bijna, en dat wil zeggen dat het ook op de universiteit bijna examens zijn. Het was nog maar net nieuwjaar (de kerstverlichting hangt er bij ons nog), en het is al bijna paasvakantie.

En als het bijna paasvakantie is, wil dat zeggen dat het jaar bijna gedaan is. En dat we een dochter zullen hebben die universiteit zal doen. Aan de Blandijn, hoe hard ze het ondertussen ‘Campus Boekentoren’ ook willen noemen.

We zijn vandaag naar de infodag van de Letteren en Wijsbegeerte gegaan. “We”, ja. Ik en Zelie, niet wegens dat ze het niet zou kunnen zelf, of dat ze mijn hulp nodig heeft of wat dan ook, maar omdat het wijs is om dingen samen te doen, nu het nog kan.

Duuuuus: wij om negen uut stipt in auditorium E. Dat er vreemd genoeg precies zo uitziet zoals het in mijn geheugen zat — in tegenstelling tot de trappen aan de ingang van de Blandijn, die in mijn hoofd vier keer zo hoog waren als ze bleken te zijn.

Intro door de decaan, uitleg door Professor Bourgeois (hoeveel ik ook probeer, ik krijg Zelie maar niet in de richting geschiedenis en/of archeologie geduwd, pff), en dan een eerste testles. Latijn, niet omdat ze dat per se wil doen, maar wel omdat het ontderwerp er interessant uitzag: lineair lezen.

Nemen we een willekeurige Latijnse zin:

Belgae patrum nostrorum memoria omni Gallia vexata, Teutonos Cimbrosque intra suos fines ingredi prohibuerunt

Voor bovenstaande zin naar Caesar (DBG II.4) betekent dit een aanpak in volgende stappen:

  1. We slaan de hele zin over omdat het werkwoord normaal gezien aan het einde staat. Inderdaad vinden we daar de vervoegde vorm prohibuerunt en we gaan er dus van uit dat dit de persoonsvorm is.
  2. Intussen hadden we al wel in de gaten dat de zin begon met een vorm Belgae die op de plaats staat waar het onderwerp verwacht kan worden, namelijk zo ver mogelijk van de persoonsvorm af.
  3. Met een beetje geluk weten we dat het werkwoord prohibere zoiets betekent als ‘verbieden’ (anders lukt het ons misschien dit in het woordenboek tussen de verschillende mogelijkheden terug te vinden) en dan hebben we dus een lijdend voorwerp nodig. Dwalend door de zin komen we de groep Teutonos Cimbrosque tegen die in de accusatief staat en dus voldoet aan de eis voor het lijdend voorwerp.
  4. Nu beginnen de problemen want onze automatische piloot kan hier niet verder. Maar misschien beseffen we nog net dat je normaal gesproken iemand verbiedt om iets te doen. Dus hebben we een tweede werkwoord nodig, liefst in de infinitief. Inderdaad vinden we in de zin ook de vorm ingredi (en we gaan er even van uit dat iedereen deze deponente vorm onmiddellijk kan herkennen).
  5. Nu betekent ingredi zoiets als ‘binnengaan’. Dat betekent dus dat ergens binnengegaan moet worden en dat brengt ons bij het volgende element dat we nodig hebben: intra suos fines.
  6. Hier stopt het. Al de rest is invulwerk. Wat we nog geen plaats hebben gegeven (patrum nostrorum memoria omni Gallia vexata), proberen we nu op een of andere manier in te passen. Gelukkig bestaan daarvoor ook een paar standaardmethodes met als belangrijkste de Losse Ablatief: die past op elk potje zolang het om ablatieven gaat!

Wie zich als gepassioneerd lezer met Latijnse teksten bezig houdt, voelt hoe heel deze aanpak botst met de schoonheid van de teksten en met een realiteit die men niet kan ontkennen. Geen Romein kan op die manier gelezen hebben, want dan stelt zich de vraag waarom een schrijver het zijn lezers zo onmogelijk gemaakt heeft! Bovendien mag ik niet vergeten dat een Romein eigenlijk met zijn oren las: teksten werden geschreven om voorgelezen en dus gehoord te worden. ‘Stille’ lectuur bestond wel – althans in de zin van een individuele en persoonlijke lectuur – maar was niet de regel. Indien de analytische leesmethode nu vertaald wordt naar de Romeinse manier van lezen, blijkt een Romein een zin te hebben gehoord die allesbehalve Latijn is:

prohibuerunt Belgae Teutonos Cimbrosque ingredi intra suos fines patrum nostrorum memoria omni Gallia vexata

Het is duidelijk wat hier gebeurd is: het Latijn is benaderd alsof het Nederlands of om het eender welke moderne taal was. De analytische leesmethode heeft geen respect gehad voor de wijze waarop de Romein zijn taal benadert maar gedaan of deze gelijkgesteld mocht worden aan het moderne taalgebruik. Wie wenst te begrijpen wat er in de Latijnse zin dan wel aan de hand is, moet in de eerste plaats uitgaan van de woordvolgorde zoals deze in de Latijnse zin gehanteerd wordt.

Ja, zeer interessant en zo dus wel. De uitleg werd niet gegeven door Prof. Wim Verbaal zelf (tekst hierboven uit: Verbaal, Wim, “Leren lezen als Romeinen: niet enkel een kwestie van syntaxis!”, in De Herdt, Katja (red.),  Taal in tekst. Taalbeschouwing in het klassieketalenonderwijs, Academia Press, Gent, 2015, p. 7-38) [is mijn citeerstijl eigenlijk nog in orde, vraag ik mij af?], al stond hij wel in het leslokaal achteraan te monkellachen. Het was een sympathieke meneer die ook in het echt leraar Latijn op een middelbare school was, en dat ik meteen zin had om weer Latijn te doen.

En dat het mij deed denken aan het fijne artikel over Reginald Foster, The Vatican’s Latinist, en hoe die een heel ander curriculum volgt dan klassiek (ha!) gedaan wordt:

The vast majority of students who study Latin study five or fewer authors (Caesar, Cicero, Vergil, Ovid, and Catullus), and take four or more years to see even those five. A select percentage of students may read as many as half a dozen more. But students who studied with Foster in 2011 read what can be found in Ossa: all of those five authors, plus Roger Bacon’s Compendium of Philosophy, Lucretius’s On the Nature of Things, the correspondence of Marcus Aurelius with his teacher Fronto, Seneca’s Consolation to Helvia, Raphael’s epitaph, the personal letters of Anselm of Canterbury, the dedicatory plaque of the cathedral of Milwaukee, Boccaccio’s On Famous Women, Tacitus on the Germans, Clement XIV on the suppression of the Jesuits, Kepler’s Commentary on Galileo’s Starry Messenger, Walter of Chatillon’s twelfth-century Satire Against the Curia, Antonius Galateus’s Hermit, Giovanni Pietro Maffei’s sixteenth-century description of China, documents from the Councils of Constance, Trent, Vatican I and II, and dozens more texts by dozens more authors: Livy, Raymond Lull, Ambrose, Bede, John Paul II, Thomas More, Tibullus, Plautus. Foster’s method put back together what language courses generally separate: the experience of learning a language and the cultural value of knowing it.

Daarna zijn we uitleg gaan vragen over hoe het jaar aan te pakken zou zijn als Zelie van september tot bijna eind februari in Engeland zit. Blijkt dat het allemaal wel kan, een half jaar later beginnen, maar dat het paradoxaal genoeg voor de meest vreemde vakken niet mogelijk is om in te pikken in het midden van het jaar. Engelse taalvaardigheid bijvoorbeeld: ik ga ervan uit dat het wel in orde zit met die taalvaardigheid, maar blijkbaar is het een cursus vol huiswerk en permanente evaluatie en zo, en dus pech: het is aanwezig te zijn.

Dan zou ze dus ergens op het einde van het parcours nog een half jaar cursussen te doen hebben, en heel de tijd te paard tussen twee jaar zitten. Ahem.

Tijd voor een tweede proefles. Ook niet dat ze dat ooit zou doen, maar uit leutigheid eens gaan luisteren naar Zweeds. Freek Adriaens ging meteen in het Zweeds. Los ervoor. En, gvd, los ook voor interactieve les. Ik heb sinds lang niet meer zo nerveus gezeten. Elke keer ik dacht dat het gedaan was, bleef hij verder doen. Jag kommer från Gent en ge moogt er zeker van zijn dat jag talar ingen svenska, ik zat daar met zweethanden dat hij mij er een tweede keer zou uitpikken.

We hebben na de les nog een paar studenten Duits gesproken, en die wisten ons te vertellen dat het meer voor de hand zou liggen om meteen te beginnen aan het begin van een academiejaar, maar dan eerst een paar vakken te doen die haar zouden interesseren — en misschien ook al een paar vakken zoals Visuele cultuur of Geschiedenis en cultuur van de Angelsaksische landen: dingen die in het tweede semester worden gegeven en geen voorkennis nodig hebben, maar wel al handig zouden zijn om achter de rug te hebben.

Gah. Klinkt niet verkeerd. Dan wordt het een interessant ‘eerste’ semester volgend jaar, en een iets lichtere eerste bachelor het jaar erna. Waar dan misschien weel wat plaats is voor nog wat bijkomende vakken.

En ja, het komt allemaal veel dichterbij, ja. Veel dichter. Zeer snel.

Op avontuur met dochter

Vanavond meegeweest naar de info-avond voor de Italiëreis (vertrekken om vier uur ’s morgens! elke dag wakker om zes uur!), en daarna een beetje rondgelopen op school.

Het was tegelijk namelijk ook ouderavond, met allemaal leraars aanwezig. Niet dat ik ermee wou spreken wegens niet echt nodig wegens geen problemen of issues, maar ’t is toch eens geestig om die mensen in ’t echt te zien. Uiteindelijk helemaal bovenaan kwamen we op de leraar Duits uit, waarmee we alsnog gesproken hebben.

Want morgen ga ik me Zelie mee naar de universiteit, kijken naar de Letteren en Wijsbegeerte, wegens dat zij daar eens zou willen Duits doen. En Engels. Maar dus ook Duits.

Ja, ik weet ook niet waar dat plots vandaan komt.

Oh, en hoe grappig was het om allemaal leerlingen van het zesde jaar te zien met hoodies aan waar ik de beeldjes voor gemaakt heb. En eigenlijk, nu ik eraan denk: ook de uil op de sweatshirt van het laatste jaar van de school van de beste vriendin van Zelie, die heb ik hier persoonlijk hertekend op hoge resolutie:

Jazeker, courtesy of de Vrolijke Liga Voor Concurrentievervalsing Door Gratis Werkende Ex-Consultants.

Sinkeklaas

Op de fiets door de stad. Achteraan bij mij zit A (4 j), ergens voor, achter of naast mij op een minifietsje rijdt Z (net 5 j).

Allebei op volume 12:

zwarte piet! wiedewiedewiet! ik hoor u wel maar ik zie u niet!
zwarte piet! wiedewiedewiet! ik hoor u wel maar ik zie u niet!
ZWARTE piet! wiedewiedeWIET! ik hoor u wel maar ik zie u NIET!
ZWARTE piet! wiedewiedeWIET! ik hoor u wel maar ik zie u NIET!

ZWAR! TE PIET! WIE! DE! WIE! DE! WIET! ik hoor u WEL! maar ik ZIE! u NIET!
ZWAR! TE! PIET! WIE! DE! WIE! DE! WIET! ik HOOR! u WEL! maar ik ZIE! u NIET!
ZWAR! TE! PIET!!! WIEDEWIEDE WIET!!!!!! IK HOOR U WEL!!!! MAAR!!! IK ZIE! U!!!! NIET!!!!!

Dat is dus, ter informatie, zeer, zéér luid, in de quasi-lege middelleeuwse straten van de binnenstad.

Thuisgekomen, eerste vraag — allereerste vraag, elke dag, elke keer: “Maar ik heb honger. Wanneer eten wij?” Dat is dus om 17u30, met in de loop van de dag drie dikke boterhammen (philadelphia, confituur, krabsla), een suikerwafel, een grany-koek, een halve appel en een kiwi binnen.

Het eten de maandag is in twee of drie schuifjes: eerst Z & A, daarna mijn eten (iets anders wegens Ziekten), daarna dat van Zelie, Louis en Anna, en dan dat van Jan en Sandra (voetbal en laat werk).

Ik maak dus de eerste batch eten klaar (kippenburgers, worteltjes met thym en honing), Z & A beginnen te eten terwijl ik mijn voedsel klaarstoof (basmatirijst en kip en kruiden en ajuin). Het begon met lachen en tateren onder elkaar (om de paar minuten, ik: “jongens, stop met spelen aan tafel, eet jullie eten op”).  Tot plots, zeer verontwaardigd:

Z: Stop met mij uit te lachen!
A: (lacht Z vierkant uit)
Z: Stop met mij uit te lachen!
A: (overdreven, valse lach) Ha! Ha! Ha! Ha! Ha! Ha! Ha!
Z: Stop ermee! IK TEL TOT DRIE! Eén! Twee!
A: (blijft lachen)
Z: Drie! Vier! Vijf! Zes! Zeven! Acht! [nee, ze heeft het systeem nog niet zo goed door]
A: (treiterende lach)
Ik: A, dat is niet lief, je bent aan het uitlachen. Stop daarmee en eet verder!
A: (stopt met lachen, neemt een hap eten op zijn vork en zweeft er wat mee in de lucht)
Ik: A, zet u wat dichter bij de tafel, en eet bóven uw bord, jongen.
A: (lacht)
Z: Als je blijft lachen met mij dan ga ik lachen met u als jij boos bent!
A: (blijft lachen)
Z: Maar STOP met mij uit te lachen!

Zucht.

Vijf minuten later: A heeft geen honger meer. Hij heeft een halve kippenburger gegeten en twee soeplepels groenten. En neen, met geen stokken te overtuigen om ook nog maar één hap te nemen. Ah well. Hij begint dan maar aan een liedje.

A: Wie stout is! Krijgt lekker de roe!
A: Lekkers de roe! De roes lekkers! Stoute lekkers! Lekker de roe!
A: Wie dat stout is die krijgt lekker de roe!
A: Lekker de roe!
A: Lekker de roe!
A: Sinkeklaas kapoentse!
Z: ’t Is wel Sinterklaas niet Sinkeklaas! En kapoentje niet kapoentse!
A: Sinkeklaas!
Z: SinTERRRRRRRklaas!
A: SinKERRRRRRklaas!
Z: S i n TTT ERRRRR k l a a s !
A: S i n KERRRRR k l a a s ! In mijn soentse! Lekker de roe!

Het ooggerol van Z was bijna tastbaar.

Z: Jij bent fantasie aan het doen! En ik vind dat irritant!
A: Sinkeklaas kapoentse! Wie stout is die krijgt dan lek-ker-de-roe!
Z: Weet jij wat dat is, fantasie?
A; Neen.
Z: Dat is liegen. Of mopjes maken. Of verhaaltjes vertellen. Maar nu is het liegen. En ik vind dat irritant.

Waarna ze de helft van het eten van A dat hij had laten staan, ook heeft binnengewerkt. En dan nog een kippenburger en nog wat groenten. (“A, wil jij ook nog een beetje eten? — NEEN!”) En dan had ze nog honger en vroeg ze een Danio, die ze gekregen heeft. Waarop A een crisis deed omdat hij ook een dessert wou.

Z: Dessert is alleen voor zeer zeer zéér flinke kindjes die hun vlees en hun groenten opgegeten hebben. Niet voor stoute kindjes die uitlachen.

Ahem ja. 🙂

Druk druk druk

De kinderen waren hier vandaag. ’t Is te zeggen: de twee pleegkindjes, Jan en Anna en een vriend van Jan. De twee oudste zitten nog altijd in Portugal met de scouts.

Dat is dus redelijk druk, kleine kinderen. Ik was dat ook al een beetje vergeten.

En ’t is dus zeker niet dat ze drukker zijn dan die van ons, want in het overzetten van foto’s kom ik ook hier en daar filmpjes tegen, en kijk, dit is een jaar of tien geleden in onze toen nog niet verbouwde keuken:

Springkonijn-Louis, die was ik helemaal vergeten. En hoe Zelie klinkt gelijk Anna! En hoe hun stemmen veranderd zijn! (En dat Anna nog niet geboren was!)

De resultaten, deel één

Vanmiddag getelefoneerd en gehoord dat Louis naar het volgende jaar mag — degelijke punten op een paar na, waar dan volgend jaar mits wat meer voorbereiding wel een mouw aan zal gepast worden — en deze avond was het dit:

Akoestiek die op niets trekt, maar ziet nu! Een diploma lagere school op zak!

Morgen is de laatste schooldag en weten we ook hoe het met Zelie zit. Ik heb helaselijk werk te doen, maar Sandra gaat met de kinderen (al de kinderen, ook de twee euh nieuwe kinderen) iets gaan doen in de stad. Pannenkoek eten of wafel of zo.

En dan is het vakantie, of hoe het bij normale mensen heet: twee maanden niet weten waar de kinderen geplaatst terwijl wij op het werk zitten. 🙂

(Ik zal dan wel ergens vakantie nemen, ik weet alleen nog niet juist wanneer. ’t Zal wel eens passen.)

De planning

We zijn weer een pleegkindjesvergadering en een pleegkindjesbespreking later, en we hebben wat duidelijker zicht op de pleegkindjestijdslijn.

Zoals het er nu naar uitziet: morgen komen ze voor de eerste keer een paar uur langs bij ons (we gaan pizza maken!), dit weekend komen ze eens een hele dag af, misschien doen we iets de laatste schooldag, de maandag daarop de hele dag bij ons, dan ga ik eens vrijdagnamiddag bij hen, de dinsdag daarop zij de hele dag bij ons, en dan van zaterdagochtend tot zondagavond (met een overnachting!), en de week daarna twee overnachtingen van zaterdag tot maandag, en dan zijn we eind juli en hebben we een afspraak om te zien hoe het ermee zit.

En als alles goed gaat, zou het zomaar kunnen dat ze vrijdag 29 juli naar ons verhuizen.

Yay!

Spannend

Wat zeg ik, “spannend”? Ik bedoel zeer zeer spannend.

Morgen hebben we een afspraak met Pleegzorg, om te bespreken wat de timing zal worden voor de kindjes. We hebben ze ondertussen al weken aan een stuk om de zoveel dagen eens gezien: op bezoek Sandra en ik, daarna op bezoek met Anna en Jan erbij, daarna met allevier de kinderen, en dan nog eens allevier, en ondertussen heb ik ze ook nog op school gezien en ben ik ermee naar de oogarts geweest in het hospitaal.

Ze kennen ons dus zo ongeveer wel. En deze week komen ze een eerste keer af, en gaan we samen pizza maken, en daarna is er een dansoptreden van Jan en Louis en komen ze ook mee.

Maar hoe het precies zit, daar gaat het morgen over.

Het oorspronkelijke plan, van een hele tijd geleden, was dat ze midden augustus zouden afkomen, maar als ze op twee weken tijd zowel een nieuw gezin als nieuwe school moeten verwerken, dan kan ik mij inbeelden dat dat een beetje veel is. Als het van ons afhangt, dan zouden we graag hebben dat ze ergens pakweg midden juli hier zouden zijn, dan heeft iedereen tijd om te acclimatiseren, kunnen er Gentse Feesten gedaan worden, kan de weg naar school verkend worden en de school zelf.

Want we gaan er hoedanook van uit dat ze na een tijdje, als ze beseffen “hey, dit is echt wel definitief“, plots helemaal zouden kunnen gaan flippen. Dat was bij al de andere kinderen ook zo, als ze naar de crèche gingen, en als ze naar school gingen. En dus hebben we dat liever niét allemaal samen ergens begin september.

Dus ja: spannend.

Diagnose: we weten het niet

Tiens dat doet raar. We hebben nu twee kindjes bij, maar ik weet niet of het wel koosjer is om ze bij naam te noemen. Ik vermoed van niet, en ik neem het zekere voor het onzekere en dus doe ik het niet.

En nu weet ik dus niet wat gedaan. Geen zooi in de zin van ‘dd’ en ‘ds’ (Amerikaanse mommyblogkutzooi voor ‘darling daughter’ en ‘darling son’). Geen artificiële vervlaamsingen van datzelfde — over mijn opstijvend lijk dat ik met akeligheden in de zin van “groot mannetje” of “kleine broer” of “liefste K” of iets dergelijks ga beginnen. Ik haat dat met een vurige passie *schudt machteloze vuist naar vrouwen die dat heel de tijd doen*.

‘Pleegkind A’ en ‘Pleegkind B’ klinkt honderd keer klinischer dan het voor mij aanvoelt, en schuilnamen of zo (‘Zoë sterretje fictieve naam en Arthur sterretje fictieve naam’) lijken ook zo knullig. Urgh. Ik ga misschien gewoon eens vragen of ik ze niet met toestemming van alle partijen bij hun echte naam mag noemen. En meteen ook of niemand er een probleem mee heeft dat ik af en toe eens een foto online zet. Serieus zeg.

MAAR IN IEDER GEVAL.

Vanmorgen dus naar de oogmeester gegaan met de twee. Het is allemaal niet zo eenvoudig, dus was het een oogmeester met meer diploma’s en specialismen dan gewoonlijk, in het hospitaal. Eén diagnose van “astygmatisme maar een bril lost het wel op en eigenlijk kon een gewone dokter u dat ook wel zeggen”, en één diagnose van “euh we weten het niet maar we gaan alvast een bril geven wie weet helpt het een beetje”.

astigmatism

Confronterend, als je op een paar maand tijd vier verschillende verhalen hebt gehoord, en ondertussen nog altijd niet weet wat er aan de hand is — maar vooral: confronterend dat ook de specialist niet weet wat er aan de hand is.

Er kan vanalles fout gaan bij het zicht, van problemen met het oog, de lens, het netvlies, de oogzenuw tot allerlei plaatsen in de hersenen. Oog en zo zien er normaal uit, maar toch loopt het helemaal niet goed, met dat zien. CVI, hoorde ik vorige week als diagnose nummer vier (na “10% zicht”, “ziet op 1 meter wat wij op 10 meter zien” en “ziet alles wazig”). Ik was content, niet met de diagnose (want CVI is niet om mee te lachen), maar wel met de zekerheid.

En kijk vandaag: terug naar een mengeling van de eerste drie diagnoses, want tegenwoordig, zei de dokter, wordt er al eens te snel naar een diagnose van CVI gegrepen als er problemen zijn maar niet meteen gevonden wordt waar ze aan gelegen zijn. En er is vorig jaar een hersenscan gebeurd en die zegt dat alles OK is met het gezichtscentrum, dus CVI is het wellicht niet.

Daar staat tegenover dat het er in het echt niet zo OK uitziet en dat de andere specialisten ter zake, van de begeleiding, wél tekenen zien van CVI. Het zou nog kunnen liggen aan het netvlies, en daar zijn ook testen voor, maar met zo’n jong kind moet dat onder volledige narcose en da’s toch wat zwaar. Volgend jaar zou het zonder narcose kunnen lukken, dus we zien dan wel.

Wat het ook is, ’t is niet alsof we ze minder graag gaan zien, maar ’t zou wel fijn zijn om er een betere uitleg aan te kunnen geven dan “we gaan dan volgend jaar nog eens een onderzoek doen”.

Ah well. Het is een wereld die open gaat, van GON-begeleiding en thuisbegeleiding en verslagen en opvolging allerlei.

Eén ding vind ik wel bijzoner goed: behalve de andere dingen is er ook astygmatisme, en alvast dat is met een bril op te lossen. Hoera!

Gezinsuitbreiding ten huize ons

logo pleegzorgIk denk dat de vraag gevallen moet zijn ergens in de eerste dagen of misschien zelfs uren dat Sandra en ik samen waren, in de nevelen der tijd toen de dieren nog spraken: Sandra vroeg of ik wel kinders wou hebben. Ik denk dat mijn antwoord toen een redelijk perplex “euh ja, waarom soms?” moet geweest zijn.

“Ofwel twee, ofwel vier”, zei Sandra, en ik had daar geen enkel probleem mee. En zie: er lopen er nu vier rond bij ons thuis.

Ik weet niet meer hoe of wanneer het precies voor het eerst ter sprake kwam, en wie het precies eerst zei, maar zeer zeer lang geleden hebben wij allebei gezegd dat als het moment er zou zijn, wij wel eens iets met pleegzorg zouden doen.

En dan was het ineens vluchtelingmiserie, en keken we rond ons en zagen we dat de kinderen groot genoeg waren, dat we al met al ruimte in ons huis en in ons hart hadden, en hebben we een mail gestuurd naar de Bevoegde Instanties, dat we wel mensen zouden willen opvangen als daar nood aan zou zijn.

In een eerste tijd kregen we een beleefd antwoord dat het fijn was dat we wilden helpen, en dat dergelijke initiatieven zeker goedbedoeld zijn, maar dat het belangrijk is dat de opvang van asielzoekers zeer goed wordt omkaderd, en dat Fedasil verantwoordelijk blijft voor de opvang van asielzoekers en dat ze daarvoor samenwerken met een aantal partners, en allerlei, en allerlei.

Maar zie: een paar weken later kregen we een mail van Pleegzorg Vlaanderen, dat er een infomoment was en dat we uitgenodigd waren. Een paar vijven en zessen later bleek dat het misschien minder evident was om niet-begleide minderjarige vluchtelingen op te vangen, maar dat er behalve hen ook nog zeer veel andere kinderen kunnen geholpen worden.

We hebben er eigenlijk niet over moeten discussiëren, en zo zaten we in de tweede helft van vorig jaar en begin dit jaar in een hele reeks vormingsavonden met een hele reeks andere mensen die ook aan een pleegzorgtraject dachten te beginnen.

Te leren over hechting en verlies en omgaan met allerlei, lange lange vragenlijsten in te vullen en later te bespreken, geïnterviewd te worden, de kinderen in de dingen te betrekken — tot we uiteindelijk weerhouden werden als pleeggezin.

Er zijn allerlei vormen van pleegzorg, van crisisopvang over intermittente hulp tot opvang van volwassenen, maar wat wij eerder zagen zitten was perspectiefbiedende pleegzorg, ’t is te zeggen permanente opvang, op langere termijn. En om de verhoudingen in het gezin wat te respecteren, van een kind jonger dan onze jongste.

Zeer kort door de bocht zijn er dan twee kanten: het kind en wat het nodig heeft, en het pleeggezin en wat het kan aanbieden. En dan wordt er een matching gedaan, waarbij de twee aan elkaar gekoppeld worden. En dan zijn er nog de geboorte-ouders als die nog in beeld zijn of anders een voogd, misschien begeleiding, eventueel nog een reeks andere betrokken personen en soms ook nog een jeugdrechter die moet akkoord gaan… lang verhaal kort: vanaf binnenkort zijn we met twee kinderen extra. Twee, want welk soort beul gaat een broer en een zus van 3,5 en 4,5 jaar uit elkaar trekken?

Pleegzorg is akkoord, de jeugdrechter is akkoord, de ouders zijn akkoord: de volgende stap is de ouders ontmoeten, en dan de kindjes, en dan eens op bezoek, en dan eens wat langer, en dan definitief. Dat zal dan in de zomer zijn, waarschijnlijk.

Ge moet ons niet zeggen dat het allemaal niet evident gaat zijn, maar sod it: dit voelt goed, en we kijken er allemaal samen naar uit.

Dat van die plaats in ons hart, dat was al geregeld. Nu nog de kringloopwinkel bellen om letterlijk plaats te maken in het huis.

Rapporten

Ziet:

gieter__70296_zoom

Zó fier ben ik op de kinderen. Zowel Louis als Zelie hebben een meer dan schitterend rapport. Derde jaar en vijfde jaar.

Niet dat het vanzelfsprekend of gemakkelijk was: ze hebben er voor moeten werken, en dat ze dat gedaan hebben, is nog wel waar ik het meest trots op ben.

Het concept ‘examens doen, en dan met een gerust hart het rapport afwachten’ is mij altijd vreemd geweest, maar met een beetje geluk zijn zij nu op weg voor de rest van hun studieloopbaan.

Ik kan niet in woorden uitdrukken hoe blij dat mij maakt.

Oh neen oh neen oh neen

Eén september! Kinderen naar school!

Zelie ligt nog in haar nest, die moet pas om elf uur of zo op school zijn. Jan en Anna zijn met Sandra naar school, en dat ziet er, voor zover ik op Facebook kan volgen, redelijk in orde uit:

Louis… die ging met mij meefietsen naar een nieuwe school. We rijden naast elkaar of vlak achter elkaar, alles in orde, ik zeg hem op een bepaald moment “normaal zouden we hier rechts afslaan maar er zijn nu werken, dus we gaan wat verder rechts afslaan”, hij zegt “OK”, ik sla rechts af, ik kijk achter mij: geen Louis te bekennen.

Ik heb Louis letterlijk 50 meter geleden nog gesproken, ik ben rechts afgeslaan, hij kon rechtdoor gegaan zijn of links afgeslaan. Ik keer meteen om, maar hij is in geen mijlen meer te zien.

AARGH.

Hij had nog een half uur om op school te zijn, en we waren op dat moment op 900 meter van de school. Normaal gezien zou het dus moeten lukken — hij is er al geweest en hij wist de algemene richting en hij is gewoon met de fiets te rijden en alles, maar toch: AAARGH.

Update: Hij was een straat verder naar rechts afgeslaan, ervan overtuigd dat we uit elkaar moesten gaan, en dan gewoon zelf proper op tijd op school geraakt. Alles in orde, dus.

Zucht.

’t Is bijna gedaan!

Ik zou kunnen zeggen dat het voorbijgevlogen is, de vakantie, maar dat zou gelogen zijn.

Ik kan mij nauwelijks nog voorstellen wat het was, school: zo lang geleden lijkt het. Maar morgen is dus de laatste dag grote vakantie.

Er zijn redelijk wat zaken anders dit jaar, ikben eens benieuwd hoe het allemaal uit zal draaien. En volgend jaar wordt nog spannender. En het jaar daarna nóg meer.

Tick tock. Tick tock.

Van wind en van water, van water en wind

Oooooo spannend.

Ziet, Anna al helemaal in de sfeer van de locatie:

Anna in Knokke

Ze is vandaag afgereisd naar Knokke-le-Zoute, waar door een samenloop van omstandigheden een plaatsje vrij gekomen was in een zeilkamp.

Niet dat ze dat al ooit gedaan had, en niet dat dat haar zou tegenhouden. Ik dacht eerst dat het in een optimist op een plas water zou zijn, maar bleek vanmorgen dat het catamarans op de echte zee zijn. Een week van huis, zowaar.

Ze kan uitstekend zwemmen, dus da’s toch al iets. 🙂

Oh, en wat ook Spannnnnnnend! is: Zelie begint morgen aan haar eerste kamp als (stagiair-)monitor. Iets voor zeer kleine kindjes, een moestuinkamp. Met allerlei dingen voor te bereiden en stageverslagen en godweetwatnogallemaal.

Oh, en ook spannend, maar ondertussen al achter de rug: er was vandaag een tjoetjoebers-bijeenkomst in Gent, en Zelie is er naartoegeweest, en ze staat met Zaka op de foto EN AL.

Oh, en niet spannend want ze doen dat gelijk heel de tijd: Jan gaat op voetbalkamp. En Louis speelt op de computer. 😀

Scouts, en: Anna is een alien

De kinders gaan op scoutskamp. Meer nog: de oudste twee zijn al op scoutskamp. Zelie is vanmorgen om halfacht vertrokken, Louis om negen uur. Zelie is op dit moment ergens tussen Boom en Hamont-Achel: zij gaat namelijk te voet naar het kamp. Honderd kilometer te voet, jawel.

Er zijn allerlei thema’s, maar het is niet helemaal gelukt om iedereen een kostuum te geven: Jan heeft niets speciaals en Zelie (‘reis naar Mars’) heeft een grijze t-shirt en grijze short. Louis (‘Game of Thrones’) heeft een indrukwekkende cape met bont en een zelfgetekende heraldische marter in de stijl van de wolf van de Starks:

…en Anna is een alien met overal ogen:

Ha! (Aan de naaimachine: Sandra, natuurlijk.)

Voorbij halfweg, denk ik

Het is hier al bijna elke dag “goed!” geweest bij de examens van de twee oudste, op een paar keer “mwa, min of meer” na.

En het fijne van de zaak is: geen flauw idee wat dat betekent. Voor hetzelfde geld is het uitstekend, voor hetzelfde geld zijn er halve drama’s gebeurd. En ik heb soms de indruk dat ik er meer mee inzit dan de kinderen zelf.

Zucht.

Oudere berichten

© 2017 Michel Vuijlsteke's weblog

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑