Vandaag was Zelie naar Brussel, examen gaan doen. Balletexamen, zo één van die examens waarmee ze dan overal ter wereld in de juiste graad kan beginnen, met een examinator die uit het buitenland komt en alles en alles.
Ondertussen thuis gezeten met Anna en de jongens. Louis en Jan hebben de hééééle namiddag op de Wii gespeeld: ze zijn een volledige level verder, ‘t schijnt. Ze waren zo opgewonden dat ze alletwee naar boven kwamen, zo van “we waren! en dan! een kasteel! en ik was dood! maar Jan was nog ééntje! en dan moest hij! en we moesten maar twee keer! of nee drie! en dan waren we gewonnen! want we moesten nog maar éék keer! springen! en hij was! dood! en nu zitten we een level! verder!”
Met één hand een artikel voor Gentblogt geschreven, en tegelijkertijd met Anna gespeeld. Samen naar Belle en het Beest gekeken. Gespeeld met de kat. Filmpjes gemaakt. Gepuzzeld. Verkleedfeestje gespeeld. En fotosessie gehouden:
(Natuurlijk dat Anna geen Anna zou zijn als ze er niet de helft van de tijd de zot mee aan het houden zou geweest zijn:)
Op hetzelfde filmrolletje stonden trouwens nog foto’s van Jan aan het voetballen, de laatste keer dat ik erbij was.
Het miezerde, het veld lag er als een modderbad bij, en de keeper van Jan’s ploeg had meer aandacht voor de moddertaartjes die hij aan het maken was dan voor dbal die keer op keer de netten in vloog.
Jan heeft zijn best gedaan.
Behalve als hij niet zijn best deed. En als hij op de bank vloog wegens “spelen” tijdens het voetbal spelen. Ik heb het niet meteen zien gebeuren, maar aan hun gedrag op de bank te zien, kan ik het mij levendig inbeelden dat ze niet met onverdeelde aandacht stonden te voetballen.
Nu net hoorde ik ze fluisteren. In het pikkedonker, met vastgebonden handen. Heel stilletjes. Het klonk als “tatiss, totiss”.
Na navraag en hernavraag blijkt dat ze, na een dag waar ze al 18 of zo uur onafgebroken wakker is geweest, om middernacht met haar laatste krachten het volgende aan het frazelen was: “…hoe lekker dat dat is. Stok-vis.”
Als blikken konden doden, lagen hier al twee verpleegsters op te stijven.
Anna heeft al drie keer het buisje van haar sondevoeding uitgetrokken vanavond. En dus is het al drie keer terug moeten gestoken worden. Eerst onder protest, maar de laatste twee keer met vooral een zeer, zéér boze blik.
Ik denk dat ze het nu door heeft, dat die sonde hoedanook terug zal gestoken worden…
…schreef ik dus tien minuten geleden. Bleek dat ze het nóg eens gedaan had.
‘t Is wreed maar er is niets aan te doen: ze ligt nu vastgebonden in haar bed. Die sonde moet er echt in blijven.
…en net nu is de pijnstiller voor haar hand natuurlijk uitgewerkt, en piekt het en jeukt het dat het niet te houden is. Aaargh.
Vertaling: Anna, die we thuis zo goed op de grond als met haar hoofd aan het voeteneind terug kunnen vinden zo onrustig dat ze slaapt, ligt in een ziekenhuisbed op grotere hoogte dan normaal, met een sonde in haar maar en een infuus in haar nek, en kan zelf geen hand uitsteken als ze uit het bed zou vallen — haar handen zijn aan haar middel vastgemaakt.
Ge zier van hier dat ik een oog ga dicht doen.
Update 7u05: ik had het niet gezien tot nu net, maar ze is erin geslaagd om die sonde alsnog uit haar maag te trekken. Resultaat: zo ongeveer heel haar bed onder de plakkerige sondevoeding. Zucht.
Alle lof voor de verpleging hoor. Ik zou voor geen geld in hun plaats willen zijn.
Kan het nog erger dan dat uw kind op intensieve zorgen ligt?
Ja, dus, blijkt. Natuurlijk dat er niemand schuld aan heeft of zo, maar het contrast tussen een afdeling met evenveel dokters en verplegers als patiënten, waar elk kind aan een batterij monitors hangt en er nooit iemand meer dan vijf meter ver is, en een “normale” afdeling, is wel bijzonder groot.
Nog eens, zonder het minste verwijt, maar we zijn plots van het jaar 2009 terug in de jaren 1960 terechtgekomen. Ik denk dat ik vier man (vrouw) zag voor een hele verdieping–een doolhof van kleine kotjes vol zieke kindjes.
En wat zegt de dokter? Hoe is het met Anna? Geen idee. Ze heeft veel pijn, ze beeft helemaal, ze is wat minder verward dan ze was, maar ze heeft nog nauwelijks een hap gegeten. We hebben zo’n vier uur en een half gewacht: er was op een verdieping lager een ernstig iets, en dus kwam er vandaag geen dokter meer. Morgen, wellicht.
Akelig, serieus.
En ik had het uitstekende idee om hier de nacht door te brengen: ‘t is hier zo heet dat ik haast niet kan bewegen, mijn boek is op, mijn drank ook, het enige netwerk dat ik heb is op de telefoon (er zijn welgeteld twee kamers met netwerk hier, dit is niet één van die twee) en Anna krijst voortdurend van de pijn aan haar hand.
À la bonne heure. Die eerste paar dingen, daar is mee te leven. Dat laatste, minder.
‘t Is erg met hoe weinig iemand op den duur content is: “het lijkt iets minder onstabiel” is dan plots een reden om te feesten, en dat er iets minder druk moet gezet worden op de beademingsmachine (onverwacht, wegens dat we niet eens wisten dat dat een probleem was gisteren) is dan ook al een opluchting.
Wat gisteren “nog 24 à 48 uur” was, is vannamiddag “nóg zeker 48 uur” geworden, en voor de rest weten we niets.
Anna ligt ondertussen aan dubbel zoveel computers met getimede spuiten vol medicamenten in, en er staat naae mijn giesting op veel te veel van die spuiten “dubbele dosis”.
Haar bloeddruk is stabiel maar dat is alleen omdat ze daar massief middelen voor krijgt, en ze zouden die eigenlijk dringend willen/moeten afbouwen, want haar handen en voeten moeten dringend meer doorbloed raken.
Er zijn vanmorgen chirurgen geweest om naar haar hand te kijken (die met een wonde erop van vorige week), maar zolang haar handen niet genoeg doorbloed zijn, gaan ze er niet aan komen, had ik gehoord.
Geen nieuws is geen nieuws. Nog goed, noch slecht.
En ondertussen: het onophoudelijk gepiep van de alarmsystemen, en niet anders dan heel de tijd scenario’s in mijn hoofd. Stel ze zeggen dat het kiezen is tussen een been en leven. Tussen twee benen en leven. Tussen hersenschade en… Tussen blind en… Tussen…
Aargh. Sandra zei dat ze het gemakkelijker had in het hospitaal dan uit het hospitaal: bij mij dus niet. Te weinig afleiding. Te veel nadenken.
En bij elk nieuw soort alarm machteloos naar het enige kijken waar we iets van kunnen snappen: de monitor met hartslag (175), met bloeddruk (100/48), met zuurstof (100), en met temperatuur (38,7). Anna zelf verandert niet.
Nóg 48 uur. Minstens.
En vooral niet denken aan die mevrouw die we gisteren zagen voorbij wenen als we in de wachtzaal zaten: “ze zijn ze kwijt, we zijn ze kwijt.”
When humour and science collide, Louis en Jan in conversatie aan de ontbijttafel.
- Pluto was vroeger een planeet.
- Ja, Pluto bestaat niet meer.
- Nee, Pluto bestaat wel nog maar het is geen planeet meer.
- Ja, Pluto is een hond geworden!
- Nee, Pluto bestaat wel nog maar het is niet meer één van onze planeten, het is een dwergijsplaneet.
Oef. Ik zat er mee in, met Zelie haar gehoorprobleem. Gelijk: serieus serieus, dat ik er mee in zat. Ik had al direkt visoenen van allerlei Ziektes waar ik eigenlijk liever niet aan wil denken, en bij elke klacht (hoofdpijn! oogpijn! steek in knie!) had ik opstoten van milde bezorgdheid.
Ik zeg milde, ik bedoel ernstige.
Ik zeg bezorgdheid, ik bedoel aanvallen van panische angst.
In die mate dat ik er heel de week bijzonder zeer slecht van gelopen heb: een mens zou voor minder, vind ik dan.
Vandaag is Zelie naar de neuskeeloormens geweest, en ‘t is blijkbaar vochtophoping in haar middenoor. Een buisje is aangewezen. Trommelvliesbuisje. Een diabolo in haar oor. Een permanent gaatje in het trommelvlies, dat die opengehouden wordt, dat het vocht weg kan lopen.
Volledige verdoving (eikes), microchirurgie (wow), poliklinisch (gelukkig). En normaal gezien zou alles metéén moeten opgelost zijn. Ik mag hopen van wel.
Buisje blijft zitten en wordt vanzelf afgestoten, waarna het trommelvlies vanzelf dichtgroeit (in 98% van de gevallen). Vertelt mij het interweb.
Ik heb nog maar de vogelvluchtversie gehoord, vanavond meer. Maar ondertussen ben ik al een béétje gerustgesteld. En hebben we al zeker één ding te vertellen aan de juf van het derde, waar we vanavond naartoe gaan. Hoera!
Zelie stond gisterenochtend spasmodisch te doen in de keuken. En of ik haar dus kon (schuifel, stommel) zeggen hoe (hop, spring) dat eigenlijk moet, jumpen. Ik weet alweer wat gedaan, qua opzoekwerk. YouTube raiden op zoek naar handleidingen.
Want het moet nu eenmaal, helaas: sommige meisjes van 2A doen het, dat jumpen. En Spencer en Esthée uit de straat doen het ook, dus mag mijn dochter niet achter blijven.
Alhoewel, moeten ze daar niet minstens met twee voor zijn, dat ze synchroon kunnen spasmodiëren? Ik heb zo’n vermoeden dat Louis niet echt te interesseren zal zijn… misschien een team met Spencer en Esthée?
Anna’s allereerste woord naast “mama” (generische term voor volwassenen), was al meer dan een maand geleden chat. In de zin van “poes”, maar dan in ‘t Frans.
Volg mee hoe ze meevolgt op de computer, terwijl ze op mijn schoot zit. Eerst zijn er nog foto’s van olifanten te zien, en dan ga ik naar I CAN HAS CHEEZBURGER en scroll ik een beetje door het archief:
‘t Is echt niet om aan te zien, ons Anna. Ze heeft vannacht haast niet geslapen, en ik houd mijn hart vast voor vannacht.
Ze staat nog een beetje voller met pokken dan gisteren—het kan nóg erger, natuurlijk, maar ik hoop dat we dat niet moeten meemaken:
Ze staat helemaal vol, tot in haar haar. En ze kijkt zo zielig, ge kunt het u niet inbeelden.
Heel haar gezichtje opgezwollen, en onder de eosine (ja, we weten dat er ook doorschijnende dingen bestaan, maar ‘t is gemakkelijker als we zien wat wel en nog niet aangestipt is.
‘t Is echt te hopen dat het ergste achter de rug is.
Anna is in hetzelfde bedje ziek als Jan indertijd, wanneer het op eten aankomt:
…het kan niet rap genoeg gaan. Heel haar mond zit vol, en nóg moet er bij. En dan zit ze daar, met drie vierde van een banaan in haar mond, en eist ze nog eens dat ze haar fruitsap krijgt.
En ‘t was niet de bedoeling, maar ik vind dit eigenlijk wel een wijze coupe:
Ze wordt zó snel groot, ‘t is haast niet te geloven. Sinds een dag of twee begint ze eindelijk aan de hand rond te lopen, veel later dan de andere eigenlijk—en, typisch, ze kan er nu natuurlijk niet genoeg van krijgen.
Ik kan mij inbeelden dat ze binnen niet zó enorm lang ook gewoon echt zal rondlopen.
Alles wat hier staat is mijn eigen opinie. Het wordt niet nagelezen of goedgekeurd door mijn werkgever voor het on-line komt, en ik bied geen enkele garantie voor kwaliteit of correctheid.
Mijn werkgever is het niet noodzakelijk eens met wat ik schrijf, en het spreekt vanzelf dat hij dan ook op geen enkele wijze aansprakelijk kan zijn voor wat ik hier publiceer.
Ter info
Eén van mijn e-mailadressen is michel [at] zog punt org. Normaal gezien antwoord ik daar, buiten de kantooruren, onmiddellijk op.