Daarnet was Zelie haar dagelijkse dosis van twintig of zo nieuwe Latijnse woordjes aan het overlopen. Vraag eens aan mij, zeg ik om te lachen.

Waarop ze mij overhoort, en blijkt dat ik gelijk achttien en een half van de twintig woorden nog wist.

Dat is dus verdorie meer dan ik ooit zou geweten hebben toen ik zelf in het tweede jaar Latijn zat.

Als ik met een half oog meevolg met Zelie en haar Latijnse woorden, dan ken ik het honderd procent van buiten: de zeshonderd woorden die ze vorig jaar moest kennen, daar moogt ge mij om het even wanneer een examen van geven, dat zal zowat perfect zijn.

Hoe erg is dat, jong.

Ik heb daarop gevloekt, bloed zweet en tranen toen ik die moest leren toen ik zo oud was als zij. En dat lukte maar niet en het lukte maar niet — en nu weet ik nog allemaal wat ik toen niet kon onthouden.

Geheugen, ’t is een vuile beeste.