Permanente opdracht

Het was de laatste dag dat Vijf speelde, denk ik. Ik was bijna te laat—’t is te zeggen, ik was bijn meer dan een half uur te vroeg, want alleen door een half uur te vroeg te zijn kon ik vijf dagen aan een stuk de beste plaats van het hele huis hebben, links op de eerste rij verscholen achter de geluidsinstallatie—en ik reed op de fiets langs het Baudelopark.

Een juffrouw met een klipbord stond in het midden van de weg, en of ik een minuutje had?

Natuurlijk had ik een minuutje, ik ben een aimabele mens in het echt, echt waar.

Ze toonde mij een logo, en of ik kon zeggen wat dat logo me zegde.

“Fortis,” antwoordde ik, want het zag er een beetje uit als het Fortislogo.

“Oh,” zei ze, alsof nog niemand anders haar dat die dag gezegd had. Of het logo me zó iets meer zei: en ze ontplooide de folder waar het logo op stond een beetje meer. Een strook van foto’s met negerkindjes erop, die mij door de camera heen met grote ogen aankeken. Ik kon sympathiseren: het was schrikkelijk warm die dag.

Ze zei de naam van de organisatie waar ze voor werkte, ik ben ze nu vergeten. En of ik misschien kon raden waar die organisatie voor instond?

Ogen, schatte ik. “Staar? Cataract? In Afrika?” raadde ik.

“Oh,” zei ze, alsof ik de eerste was die dát als allereerste antwoord gaf. “Kent u —— misschien?”

Nee, ik kende —— niet. Maar het was blijkbaar wel ongeveer juist wat ik geraden had: iets met gezondheid, en ogen, en Afrika. Het kan ook ruimer geweest zijn dan ogen.

Het was een sympathieke dame, maar ik had plaatsen te zijn en dingen te doen, en het was tijd om voort te maken. “Kan ik een formulier krijgen? En hoeveel storten de mensen zo gemiddeld per maand?”

“Oh,” zei ze, alsof ik de allereerste mens was die ze niet met handen en voeten moest overtuigen. “Het hangt er een beetje van af, sommige mensen geven meer en andere minder. Maar mag ik u niet eerst wat meer vertellen over wat —— doet?”

Nee, helaas, dat ik niet zoveel tijd had. Maar dat ik er zeker van was dat er met mijn geld goeie dingen zouden gedaan worden, en of ik het formulier misschien nu kon invullen?

Ze diepte een formulier voor een permanente opdracht op, en of ik wist dat mijn gift van de belastingen afgetrokken kon worden? Ik heb ze maar niet gezegd dat dat me eigenlijk niet zo hard kan schelen, dat ik niet zo’n formulierenterugvindmens ben, en dat die paar euro per maand het verschil niet zullen maken.

Ik heb zelf mijn naam en mijn adresgegevens ingevuld, en getekend en alles. Mijn rekeningnummer wist ik niet meer. Het is denk ik al dertig jaar hetzelfde, maar ik ken het nog altijd niet van buiten, op de laatste cijfers na: 123–33.

Ik heb mijn telefoonnumer achtergelaten, en dat ze me maar moest bellen, dan zou ik de eerste zeven cijfers nog doorgeven. Of ik vanavond thuis was? Nee, maar morgen wel, de hele dag.

En toen moest ik écht weg, en nee, ik had écht geen tijd om nog wat meer informatie over —— te krijgen, en een folder was ook écht niet nodig, dàg! en nog veel succes!

Het heeft een volledige week geduurd voor de juffrouw gebeld heeft.

Ik had ze vanavond aan de lijn: ik weet niet meer hoe ze er uit zag, ik weet niet meer wat het goede doel was waarvoor ze werkte, maar ze had wel een mooie stem aan de telefoon.

Ze heeft op drie minuten telefoon mijn rekeningnummer aangevuld (“…en de laatste cijfers had ik al!”), en helemaal op het einde van het gesprek zei ze “en misschien tot ziens”.

Alsof ze daar echt naar uitkeek.

Doe mee met de conversatie

5 reacties

  1. Ik moet bekennen dat vooraleer ik mijn geld recurrent geef aan een hulporganisatie dat ik toch wel es nakijk wat ermee gebeurt hoor.

    AZG is zo een organisatie waar ik al jaren en geef, en deze blijft in mijn hoofd steken, voor later als ik wat meer verdien / de kinderen het huis uit zijn.

Laat een reactie achter

Zeg uw gedacht

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.