Dirk & Steele #6: Soul Song

Jaja, ’t is aan de cover te zien dat het hier om een boek gaat met een niet-lelijke man. Natuurlijk is het in de vijf vorige boeken ook telkens gegaan over een niet-lelijke man en een niet-lelijke vrouw, maar hey. En ja: het zijn boeken van meer dan tien jaar geleden, anders zou er al lang een niet-heteronormatief verhaal in gezeten hebben.

De formule is voor het eerst in zes boeken niét gebruikt. Het gaat weer over twee personages die onweerstaanbaar op elkaar verliefd worden, spannende avonturen, extra backstory en happy end — maar deze keer is géén van de twee personages een werknemer van Dirk & Steele.

De vrouw van het koppel, Kitala, is een wereldberoemde gevierde vioolspeelster. De man is M’Cal, een meerman die gevangen is door een heks, die hem dwingt om zielen te stelen. Klinkt een beetje als dat van die gargoyles die gevangen waren door een heks, hoor ik u zeggen? Ha, inderdaad. Met zelfs een goede reden.

Kitala heeft in het begin van het boek één superkracht, en het is niet meteen een aangename om te hebben: als ze iemand ziet die vermoord zal worden, kan ze zien hoe dat zal gebeuren. Normaal gezien onderneemt ze daar niets tegen, want haar visioen toont niet wanneer of waar het zal gebeuren — kan vandaag zijn maar ook binnen vijftig jaar. Deze keer is anders: tijdens een concert ziet ze een meisje met een mes in haar oog, en ze besluit haar te waarschuwen.

Waardoor ze samen met het meisje ontvoerd wordt en onverwacht in iets veel duisterder terecht komt dan ze ooit had verwacht. Oh, en toevallig was ook net die nacht M’Cal de meerman er op uitgestuurd om Kitala’s ziel te stelen.

Redt hij toch niet haar leven zeker, in plaats van haar ziel te stelen? Ge weet het vervolg: er gebeuren spannende dingen, ze worden stapelverliefd op mekaar, ze hebben veel seks, ondertussen leren we nog wat bij over de allesomvattende backstory en happy end klaar.

Dirk & Steele #5: Eye of Heaven

Net zoals de vier vorige boeken, volgt boek vijf proper de formule: de medewerker van Dirk & Steele is deze keer Blue. Hij wil enkel met die naam aangesproken worden, want zijn vader is één van de rijkste mensen ter wereld, en hij wil er zo weinig mogelijk mee te maken hebben.

Tot die vader Blue via chantage verplicht om zijn halfbroer op te zoeken, de erfgenaam van het Perrineau-fortuin, die ook al in ruzie met zijn vader leeft. Blue’s kracht is electrokinesie, ’t te zeggen dat hij allerlei dingen kan doen met electriciteit. Voelen of er alarmsystemen onder de grond zitten bijvoorbeeld, of als auto’s afkomen hun electronica kapotmaken, of pakweg een hart doen stilstaan.

Hij schakelt een collega van Dirk & Steele in om de locatie van de halfbroer te vinden, en belandt in een circus. De broer werkt er als ontsnappingsartiest, en Blue redt er bij zijn aankomen meteen het leven van Iris, de knappe wildekattentemster.

Ze worden — uiteraard! — op mekaar verliefd, al is het deze keer niét meteen het beest met twee russen, wegens alsdat Iris geen mensen aanraakt, wegens alsdat ze aan niemand wil laten weten dat ze niet alleen buitennatuurlijk goed met wilde katten kan communiceren, maar dat ze ook eigenlijk van gedaante kan wisselen naar een kat.

Volgt spannend avontuur, ondertussen leren we nog wat bij over de allesomvattende backstory en happy end klaar.

Next!

Twee van die dagen

Het is weer PI planning op het werk. Dat is waar negen grote teams allemaal samen beslissen hoe we de volgende twaalf weken wat wanneer gaan doen. Niet altijd evident, maar het kan nu eenmaal niet anders in een situatie waar al die teams allemaal weliswaar agile werken maar ook allemaal op elkaar moeten steunen voor allerlei afhankelijkheden. (Voor al uw informatienoden daarover: één adres — SAFe.)

Dat zijn dan dus meetings van letter ’s morgens tot letterlijk ’s avonds, en altijd alert moeten zijn. Ik heb geen probleem met meetings — ik doe dat eigenlijk zelfs graag — maar het zijn wel lange dagen. Met soms moeilijke discussies. En dat het alleen maar kan werken als iedereen echt 100% eerlijk is over wat mogelijk is en wat niet mogelijk is, wat de beschikbare middelen zijn en wat de risico’s zijn.

Het is eens wat anders dan “jaja komt in orde maak u geen zorgen” enerzijds of “gho ja ik schat dat het wel iets tussen tien en twintig weken werk zal zijn”.

Dirk & Steele #4: A Dream of Stone & Shadow

Charlie is een gargoyle, maar hij is samen met zijn broers gevangen door een boze heks. Hij is onsterfelijk. ’t Is te zeggen, hij kan wel dood gaan, maar dan wordt hij een tijdje later gewoon weer levend. De tijd dat hij dood is, kan zijn ziel rondzwerven in de wereld.

Tijdens zijn rondzwervingen komt hij een meisje tegen dat in een kelder opgesloten zit en er alleen maar uitgehaald wordt om kinderporno te maken. Charlie kan er niet direct iets aan doen, behalve tegen het meisje zeggen dat hij haar zal helpen. De volgende keer dat hij dood is, gaat hij op zoek naar iemand die er wél iets aan kan doen, en na veel zoeken vindt hij Agatha, een helderziende die bij Dirk & Steele werkt.

Het is op een ik en een gij koekenbak en primeur! ze moeten elkaar zelfs niet gezien hebben om al van dattem te doen:

Making love to a beautiful woman while in a non-corporeal form had its benefits. Namely, the exotic and very public locations one could perform such acts; such as airplanes, bathrooms, the edge of baggage carousels, the lines at rental car stations—and in rental cars themselves. While parked, of course. Charlie had never been much of a ladies’ man—for obvious reasons—but he found himself having an indecent amount of fun giving Agatha surprise orgasms everywhere she went.

Jaha. Het is een novelle en dus kort, en het verhaal is redelijk rechtlijnig: kinderporno, Charlie & Aggie doe er iets aan, en dan moet Charlie nog bevrijd worden.

Ik vond het misschien wel het beste verhaal in de reeks tot nog toe.

Dirk & Steele #3: The Red Heart of Jade

Het begint min of meer duidelijk te worden, het patroon: elk boek worden er twee nieuwe hoofdpersonages geïntroduceerd, eentje dat bij Dirk & Steele werkt en eentje niet. En dan gebeuren er spannende dingen en worden ze stapelverliefd op mekaar, ondertussen leren we nog wat bij over de allesomvattende backstory en happy end klaar.

’t Is hier niet anders Dean Campbell werkt bij Dirk & Steele en is op zoek naar een moordenaar, die mensen verbrandt. En dan komt hij Mirabelle tegen, die hij al in twintig jaar niet meer gezien had, waar hij samen mee opgegroeid was en dat ze onafscheidelijk waren en oh ja klein detail: dat ze er alletwee van overtuigd waren dat de andere morsdood was.

Neen dus. Zij is ondertussen professor archeologie, en er is een duistere historie van ontvoering en moord nadat haar team een vierduizend jaar oude mummie had gevonden met een stuk jade in haar borst.

Dit boek speelt zich af in het verre oosten, te weten China en Hong Kong en Taiwan, en jawel, draken en alles.

Het is geen slecht boek. Het is ook geen uitstekend boek. Ik heb er veel te lang over gedaan, en dat is geen goed teken met dit soort pulp: dat wil zeggen dat het verhaal niet zó enorm boeiend was dat ik meteen het einde wou weten.

Maar bon, op naar het volgende, want de reeks steekt nog niet tegen.

Kemble maakt ruzie

Toen ik Beowulf aan het lezen was in een nieuwe vertaling, was ik benieuwd naar oudere vertalingen. Ik keek op de wikipediats, en die zei me dat de oudste vertaling naar modern Engels door John Mitchell Kemble was, in 1837. Het internet zijnde wat het internet is, is het tegenwoordig bijna evident dat dat boek ook online te lezen is — en jawel: alhier staat het boek. De vertaling van Beowulf staat in v2, en ik heb er niet meer dan een paar pagina’s van gelezen, maar er zijn inderdaad veel betere vertalingen.

Wie er zelf aan wil beginnen, trouwens: dit is een fantastische bron van informatie, met de originele tekst, voor elk woord een vertaling, grammatica, en alles.

..maar dat geheel terzijde. Vóór Kemble’s vertaling van Beowulf in deel twee van The Anglo-Saxon poems of Beowulf, The Travellers [Widsið], and The Battle of Finnesburh staan 56 bladzijden “Postscript to the Preface”, waar Kemble zijn beklag doet dat hij in het voorwoord van het eerste deel van zijn werk niet genoeg plaats had om te zeggen wat hij wou zeggen, en ook dat hij het toen heel erg druk had, en oh ja ook dat zijn bronnen “laborious as they are, are subject to one serious reproach: they treat mythic and traditional matters as ascertained history”.

Euh tja. Redelijk fundamenteel probleem, zou ik zo zeggen, ervan uitgaan dat mythes en overleveringen 100% historisch zijn. Maar hey, Kemble, daar zei recent iemand niet voor niets over “best described as an independent scholar of determination and energy but not means”.

En dan leest ge door die hele boterham vol zaken die tegenwoordig ongetwijfeld al allemaal totaal anders bekeken worden, en zit het leutigste in de staart. Helemaal op het einde van zijn postscript to the preface staat dit — ik kopieer het volledig, ’t is té grappig:

I wish I could have closed this preface in peace and charity with all men, but it could not be so: a pamphlet has appeared, directed in the most personal and offensive manner against myself, but not confining its attacks to me: the profound contempt which, as scholars and men, both Mr. Thorpe and myself entertain for this production and its author, would but for one assertion made in it, have caused it to remain unnoticed by me, especially as the tone and style in which it is written are its own all-sufficient condemnation. This pamphlet cunningly circulated from Oxford, dated from Oxford, but printed in Holland, contains a statement so seriously affecting the honesty of a great man, as to leave me no discretion as to whether it should or should not be noticed.

It is stated by the author, that having in a conversation with James Grimm learnt that I was personally unacquainted with him, (a fact perfectly true two years ago, although we have been for nearly five years on terms of confidential correspondence, a fact moreover which the presumed writer of the pamphlet learnt from myself in Cambridge), he put to Grimm the following consistent and logical query, “Why then do you praise him?” To which Grimm answered, “Why, he has praised me, and one hand washes the other, one good turn deserves another.”

Although, knowing my friend’s short way of dealing with impertinent coxcombs, I thought something of this kind might have been said, but assuredly not in the sense attributed to it, I felt it my duty to myself and Grimm to tell him what was reported of him, especially as I very much, and very justly suspected, that the pamphlet would not be sent to him. His indignant denial of ever having held any such conversation as that attributed to him, was received by me in London, and was voluntarily repeated by him to me this year in Göttingen. The motives of this scandalous fabrication lie open to the sun: with the pamphlet and its author I have now done, and can only regret that his forged dates should have so long imposed upon me, most of all that they should for a while have caused me to entertain an angry feeling towards some of my fellow-labourers in Oxford; they have the fullest apology from me for my error.

Be the author of the pamphlet a layman or a clergyman, be he a disgrace to Oxford or to Cambridge, I will give him one piece of advice, to remember that it would have better beseemed him, instead of vapouring about Christian feelings, to have acted up to that Christian law which declares “Thou shalt not bear false witness against thy neighbour.” From henceforward he stands stamped as a calumniator and a slanderer in the opinion of all who prefer the open assertion of an honourable, upright, and most distinguished man, to the underhand insinuations of a malicious, anonymous, and most ungentlemanlike scribbler.

Munich, Nov. 1835.

Dus iémand heeft gezegd dat Grimm alleen maar positief was over Kemble omdat Kemble iets positiefs had gezegd over Grimm, dat op een pamflet gezet en dat pamflet verdeeld. En Kemble was daar zó van in zijn gat gebeten dat hij heel het verhaal moést in zijn boek zetten.

Ik ben enorm benieuwd naar de rest van het verhaal.

Dirk & Steele #2: Shadow Touch

Geen idee wat ik verwacht had. Niet dit, in alle geval. Het vorige boek eindigde met een happy end, achtig, maar ik had toch ergens gedacht dat de personages zouden verder gebruikt worden. Neen dus: dit is iets helemaal anders dan het eerste boek. Andere personages, ander type verhaal.

Artur Loginov is een detective bij Dirk & Steele. Zijn talent: als hij iets of iemand aanraakt met zijn bloot vel, komt hij te weten wat er allemaal in het verleden van dat ding of die persoon gebeurde. Om begrijpelijke redenen heeft hij meestal handschoenen aan. Op een bepaalde dag wordt hij ontvoerd.

Elena Baxter werkt niet bij Dirk & Steele. Ze is een verpleegster in een hospitaal, en verbergt voor iedereen dat ze mensen kan genezen. Het gemakkelijkste voor haar om te genezen is kanker: gewoon de cellen van het lichaam ervan overtuigen om niet meer kankercellen te zijn — maar ze kan ook gebroken beenderen sneller doen genezen en psychische problemen aanpakken en allerlei.

(Even tussendoor: een duidelijk teken dat dit boek niet recent geschreven is, dat laatste. Wat in 2006 nog een lovenswaardig iets was — She can mend the mind — is in 2021 uiteraard zwaar problematisch. Iemand die van perfect unieke mensen met hun eigen mind zomaar door handoplegging saaie cookie-cutter neurotypische klonen maakt: brr. Dat is van hetzelfde niveau als zeggen dat ze Dove mensen zou kunnen doen horen, alsof Doof zijn een handicap is.)

In alle geval: ook Elena wordt op een bepaalde dag ontvoerd.

Ze worden allebei wakker in een soort gevangenis, waar al redelijk snel blijkt dat er experimenten uitgevoerd worden op mensen als hen. Niet dat ze elkaar zien, in het begin, maar ze horen wel vanalles.

Lange opbouw kort: ze worden een tijd gemarteld, maar Elena en Artur vinden elkaar en slagen er samen in om zich (met nog een paar lotgenoten) te bevrijden uit de klauwen van het slechte Consortium. Ze blijken ergens in Rusland te zijn, en dan gaan ze allemaal samen iets dat in in Moskou zou gebeuren proberen tegen te gaan.

Spannend, daar niet van. En er is inderdaad wat worldbuilding, die alleen maar kan uitgebreid worden in volgende boeken. Ik blijf lezen tot het me teveel tegensteekt!

Dirk & Steele #1: Tiger Eye

Eind augustus las ik Monstress, en echt uitstekend was dat niet, maar ook niet meteen rotslecht. Ik had nog nooit van de scenariste gehoord, en schets mijn verbazing als ik zie dat ze een hele reeks paranormal romance-boeken geschreven heeft!

Ik ben altijd in de markt om wat schlock te lezen, dus hey, waarom niet.

De Dirk & Steele uit de naam van de reeks is een detectivebureau, gesticht een tijd geleden door ene Dirk en ene Steele, en tegenwoordig nog altijd geleid door hun kinderen (of kleinkinderen, ’t kan zijn dat ik me van generatie vergis). Het verschil met andere detectivebureau’s is dat de detectives van Dirk & Steele paranormale detectives zijn. Er zijn er bij die gedachten kunnen lezen, die telekinese doen, die de toekomst kunnen voorspellen of in het verleden kijken.

Dela Reese heeft iets van een gevoel voor metaal: van gelijk welk metaal object weet ze wat er allemaal mee gebeurd is, en ze kan er ook vanalles mee maken. Ze is een kunstenares (in metaal), een zwaardsmid, en uiteraard ook een detective bij Dirk & Steele.

Ze is in Beijing voor een zaak, en als ze daar een lokale markt iets koopt, krijgt ze er van een mysterieuze oude vrouw voor bijna niets een mysterieuze doos bij.

Blijkt, begot!, dat er in de doos een man opgesloten zat!

Hari is al een jaar of tweeduizend onsterfelijk en opgesloten in de doos door een slechte tovenaar, en hij moet de persoon die hem uit de doos haalt, dienen tot die persoon schielijk komt te gaan. Klassiek genie-in-de-lamp-scenario, jazeker. En wat geraadt ge? Natuurlijk, Dela behandelt hem meteen als een persoon met een eigen leven, weigert hem commando’s te geven, en het duurt niet één hoofdstuk voor ze op mekaar verliefd zijn.

Oh en ah ja: Hari is niet alleen eeuwen oud en ongelooflijk knap en onsterfelijk, hij kan ook in een tijger veranderen.

Kijk, ik ben niet de grootste kenner van literatuur die er is, en mijn opinies over wat goed en slecht is, wat saai en wat interessant, zijn ongetwijfeld met een soeplepel zout te nemen. Maar als een seksscène begint en al een tijdje aan de gang is, en één van de twee partners verandert in een tijger en de seksscène blijft verdergaan, dan ben ik ineens geïnteresseerd waar het nog allemaal naartoe zal gaan in het boek. 🙂

Bleek dat het niet verder bleef gaan op dat elan, ’t is te zeggen, er komt geen yiffing van welke omschrijving of vorm dan ook in voor, op dat ene korte moment na. Het was verder een competent geschreven boek, met een schrijver die denk ik meer thuis is in Azië dan in Amerika, met een degelijk einde en een belofte van meer worldbuilding.

Waar ik dus naar het vervolg van uitkijk.

Beowulf – A New Translation

Traduttore, traditore. Het is een bijzonder moeilijk vak, vertalen. Elke vertaling is noodgedwongen ook een hertaling, en geen mens wil een letterlijke woord-voor-woord-vertaling, tenzij om academische redenen misschien. Het is moeilijk om een pakweg Deens boek geschreven in 2021 te vertalen naar het Nederlands omdat we hele lappen context en verwijzingen missen — beeld u dan in hoe moeilijk het is om iets te vertalen dat meer dan duizend jaar geleden geschreven is, in een écht totaal andere wereld.

Beowulf is zoiets, en en Beowulf heeft daarenboven nog stapels andere dingen die het notoir moeilijk te vertalen maken.

Beowulf is natuurlijk enorm veel vertaald geweest. Heel veel vertalingen lezen enorm oubollig, en dat is vaak helemaal bewust. Zoals Tolkien in 1940 schreef:

If you wish to translate, not re-write, Beowulf your language must be literary and traditional: not because it is now a long while since the poem was made, or because it speaks of things that have since become ancient; but because the diction of Beowulf was poetical, archaic, artificial (if you will), in the day the poem was made.

Dus ja, er is iets te zeggen voor een archeïserende versie. Maar van de verschillende versies die ik geheel of gedeeltelijk las, vond ik die van Seamus Heaney’s tot nog toe de beste, met een (voor mij) fantastische balans tussen episch en intiem.

Ter illustratie, drie verschillende versies van hoe Beowulf zichzelf voorstelt als hij in Heorot toekomt. Francis Barton Grummere’s versie uit 1910 wordt tegenwoordig nog altijd als uitstekend beschouwd:

Thou Hrothgar, hail! Hygelac’s I,
kinsman and follower. Fame a plenty
have I gained in youth! These Grendel-deeds
I heard in my home-land heralded clear.
Seafarers say how stands this hall,
of buildings best, for your band of thanes
empty and idle, when evening sun
in the harbor of heaven is hidden away.
So my vassals advised me well, —
brave and wise, the best of men, —
O sovran Hrothgar, to seek thee here,
for my nerve and my might they knew full well.
Themselves had seen me from slaughter come
blood-flecked from foes, where five I bound,
and that wild brood worsted. I’ the waves I slew
nicors   by night, in need and peril
avenging the Weders,   whose woe they sought, —
crushing the grim ones. Grendel now,
monster cruel, be mine to quell
in single battle! 

Schoon, “in the harbor of heaven is hidden away”, “blood-flecked from foes, where five I bound”. Vergelijk die “episch gedicht”-versie met Heaney’s bijna parlando-versie:

“Greetings to Hrothgar. I am Hygelac’s kinsman,
one of his hall-troop. When I was younger,
I had great triumphs. Then news of Grendel,
hard to ignore, reached me at home:
sailors brought stories of the plight you suffer
in this legendary hall, how it lies deserted,
empty and useless once the evening light
hides itself under heaven’s dome.
So every elder and experienced councilman
among my people supported my resolve
to come here to you, King Hrothgar,
because all knew of my awesome strength.
They had seen me boltered in the blood of enemies
when I battled and bound five beasts,
raided a troll-nest and in the night-sea
slaughtered sea-brutes. I have suffered extremes
and avenged the Geats (their enemies brought it
upon themselves, I devastated them).
Now I mean to be a match for Grendel,
settle the outcome in single combat.

Opnieuw die heerlijke alliteraties wel (“boltered in the blood of enemies // when I battled and bound five beasts”), maar helemaal anders. Wel, Headley heeft een nog totaal andere insteek:

In contrast to the methods of some previous translators, I let the poem’s story lead me to its style. The lines in this translation were structured for speaking, and for speaking in contemporary rhythms. The poets I’m most interested in are those who use language as instrument, inventing words and creating forms as necessary, in the service of voice. I come from the land of cowboy poets, and while theirs is not the style I used for this translation, I did spend a lot of time imagining the narrator as an old-timer at the end of the bar, periodically pounding his glass and demanding another. I saw it with my own eyes.

De sleutel van deze vertaling zit in dat laatste, een oude mens in een café die het verhaal vertelt, en “serieus gast ik heb het zélf gezien”. Dit is hoe die oude man vertelt dat Beowulf zich voorstelde:

My respects to Hrothgar. I’m a kinsman
of Hygelac, and over the years, no boasts—  
I’ve been known for my promise and prowess.
I heard tell of Grendel from sailors—seriously,
the whole world knows the stories, swapped and sworn, 
of Heorot Hall’s early curfew, how every night 
you surrender to silence when the sun sprints
out of Heaven, leaving the celestial dome dark.
Every elder knew I was the man for you, and blessed
my quest, King Hrothgar, because where I’m from?
I’m the strongest and the boldest, and the bravest and the best.
Yes: I mean—I may have bathed in the blood of beasts,  
netted five foul ogres at once, smashed my way into a troll den
and come out swinging, gone skinny-dipping in a sleeping sea
and made sashimi of some sea monsters.
Anyone who fucks with the Geats? Bro, they have to fuck with me.
They’re asking for it, and I deal them death.  
Now, I want to test my mettle on Grendel, best him,
a match from man into meat. Just us two,
hand to hand. Sweet.

We blijven zwemmen in een zee van alliteraties (“the boldest, and the bravest and the best. // Yes: I mean—I may have bathed in the blood of beasts”, “swinging, gone skinny-dipping in a sleeping sea and made sashimi of some sea monsters.”) — maar de tekst leeft. Ik ben er helemaal voor.

En ja, Headley geeft toe dat haar vertaling zeer snel verouderd zal zijn, maar op dit moment leest ze bijzonder aangenaam. We nemen er dan maar bij dat het binnen een paar jaar even zielig zal klinken alsof we een Beowulf uit 1971 vol “groovy” en “grok” en “far out” en “Keep on truckin'” zouden lezen.

Ik heb er geen probleem mee dat op “Bro, do you happen to be the Beowulf who challenged Breca in the open ocean, insisting you should swim in shark-seas for no reason but to prove your petty prowess? […]” het antwoord komt “Well actually, buddy, sit down, you’re drunk. Unferth, you’ve run your mouth about Breca, me, and our sea-swagger, but let me drop some truth into your tangent. I’ve been better on the water, deeper in the drink, and stronger in the swim, than any man alive.”

Ik heb ook geen enkel probleem met de (toegegeven, soms zeer nadrukkelijke) feminiserende lezing. Waarom niet, dat Grendel’s moeder een heldin zou zijn? En waarom niet, duidelijk maken dat vrouwen vaak quantité négligeable waren.

Het enige dat mij stoort, is als het soms in het “ontmoeten is ook een stukje (ont)-moeten“-territorium verzeilt:

The Almighty made Earth for us, they sang.
Sun and moon for our (de)light,
fens full of creatures for our feasting,
meres to quench our thirst.

Neen, die “(de)light”, doe dat niet. Dat doet meteen afbraak aan het hele beeld van oude mens die dit aan de toog vertelt, en duwt iedereen er met de neus op dat we naar een geschreven tekst zitten te kijken.

Maar verder: hoera.

Radiance

Ik had dit boek heel graag vijfsterrenuitstekend willen vinden. Uiteindelijk vind ik het maar driesterrendegelijk, en ik vind dat zelf wel spijtig, want er zit een uitstekend verhaal in dit boek. Helaas is het (naar mijn goesting) bijna helemaal verdronken in de vorm van het boek.

Helemaal in het begin van het boek staat een chronologie. Zoals meestal als er een chronologie of een dramatis personae of zo staat, lees ik die diagonaal, en begin ik dan gewoon aan het echte verhaal. Meestal komt het dan wel in orde met de chronologie en met het wie is wie.

Hier was dat maar nauwelijks zo. Ik kon volgen, min of meer, maar het was wel niet evident.

Het verhaal is niet zó ingewikkeld, en staat in outline ook al in de chronologie:

  • Sinds het midden van de 19de eeuw is er ruimtevaart. Ruimtevaart gebeurt quasi letterlijk zoals in De la Terre à la Lune: in een soort ballistische ruimteschepen die afgeschoten worden met kanonnen. Oh, en planeten en manen en dergelijke zijn veel en veel dichter bij mekaar dan in onze wereld, en zijn ook allemaal bewoonbaar.
  • In 1902 wordt een Amerikaanse kolonie op Pluto vernietigd, zonder overlevenden, om een onbekende reden.
  • Severin Unck wordt geboren in 1914. Ze is de dochter van Percival Unck, een gevierde filmregisseur. (In deze wereld zijn de films tot voorbij de jaren 1960 zwart-wit en zonder geluid — niet omdat het niet anders zou kunnen, maar omdat het de mode is.) Severin heeft een opeenvolging van moeders (haar echte moeder heeft ze achtergelaten op de dorpel van haar vader, en die vader trouwt om de zoveel jaar met een nieuwe vrouw), en speelt heel haar jeugd in haar vaders films. Ze wordt later ook filmregisseur.
  • In 1917 verdwijnt een Russisch mijndorp op Mars, en ergens na 1940 gebeurt er iets heel vreemds op Venus in het stadje Adonis.
  • Op 1 december 1944 komt Severin met een filmcrew aan in Adonis, om een documentaire te draaien. Op 2 december beginnen ze vreemde geluiden te horen, en op 3 december verdwijnt Severin.

Het boek is een collage van film- en radioscripts, van verschillende vertellingen en brieven, van de debriefing door een detective van de vriend van Severin, anderhalf jaar na haar verdwijnen, en ook van een film door Severin’s vader gemaakt tussen december 191 en oktober 1962.

Over dat laatste zegt de chronologie dit:

  • 1959: Production begins on The Deep Blue Devil (dir. Percival Unck)
  • 1960: Major rewrite on The Deep Blue Devil, retitled The Man in the Malachite Mask (dir. Percival Unck)
  • Winter 1961: Major rewrite on The Man in the Malachite Mask, retitled Doctor Callow’s Dream (dir. Percival Unck)
  • Summer 1961: Major rewrite on Doctor Callow’s Dream, retitled And if She’s Not Gone, She Lives There Still (dir. Percival Unck)
  • December 1961–October 1962: The action of The Deep Blue Devil The Man in the Malachite Mask Doctor Callow’s Dream And If She’s Not Gone, She Lives There Still takes place

Art deco die tientallen jaren duurt, een intrigerend verhaal in een boeiende alternatieve wereld: het is een boek dat ik graag veel liever zou gelezen hebben. Ik vermoed dat het beter is om het meer dan één keer te lezen, maar dat ga ik nu niet meteen doen. Misschien later.

Black Cloud, Vol. 1: No Exit

Dat was een teleurstelling. Zelda leeft op straat maar ze kan naar een andere wereld gaan ook, waar ze blijkbaar iemand heel belangrijk moet geweest zijn — iets met oude goden of een vorige generatie opzijgezet hebben of een revolutie of zo — maar ze is daar dan weggegaan om onduidelijke redenen.

In onze wereld belooft ze aan de burgemeester om zijn zoon een tijdje weg te houden, en ze steekt hem dan maar in haar wereld. Waar hij dan blijkt een reus geworden te zijn en onhandelbaar.

Het is allemaal zeer verwarrend, en ik was absoluut niet gemotiveerd om verder te lezen.

Bah.

Sum: Forty Tales from the Afterlives

“Read Sum and be amazed”, maant de omslag mij aan.

“Read Sum and go meh“, vrees ik.

Het concept: veertig korte korte verhaaltjes van wat er gebeurt nadat we dood gaan. Hier en daar zit er eentje tussen dat wel iets heeft. Het eerste verhaal bijvoorbeeld, waarbij na de dood alle gelijkaardige gebeurtenissen na elkaar herbeleefd worden: twee maanden lang naar de voordeur van uw huis stappen, zeven maanden seks, dertig jaar slapen zonder wakker te worden, vijf maand bladeren door een tijdschrift op het toilet, etc. etc.

Maar na een verhaal of vijf zes had ik de indruk dat het vooral heel veel herhaling was. Zeer veel judeochristelijke God, een paar keer Wizard of Oz, een stuk of vijf zes keer dat mensen eigenlijk een soort tandwielen in een machine zijn (of substraat voor micro-organismen, of simulatie-achtige computers), een keer of drie dat blijkt dat het leven maar een soort vakantie is, etc. etc.

Dat is twee keer “etc. etc.” in één tekst, en laat dat nu precies het gevoel zijn dat ik had toen ik ergens in de helft zat. Het bleef maar voortslepen, met kleine variaties op een aantal thema’s.

Misschien een goed boek om af en toe eens een verhaaltje van tegen te komen, maar zo na elkaar gelezen is de spoeling echt wel te dun, en hoe uitstekend David “Neuroscientist, Author, Technologist, Entrepreneur — His research encompasses brain plasticity, sensory substitution, time perception, synesthesia, and the intersection of brain science with the legal system” Eagleman wel in zijn andere beslommeringen mag zijn: een boeiend boek schrijven, daar moet hij nog veel boterhammen voor eten.

Thessaly #3: Necessity

Als het hart van het eerste boek Simmea en Apollo waren, en van het tweede boek Apollo en zijn dochter Arete, is het hart van dit boek Crokus, de bouwrobot die na discussies met Sokrates in boek één zelfbewustzijn blijkt te hebben.

Crokus is niet noodzakelijk het hoofdpersonage, maar zijn verhaal benadert het dichtst waar het experiment naar streefde, en zit als een soort skelet in het midden en doorheen het hele boek.

Het derde boek heeft het meeste avontuur van de drie: er zijn aliens, er zijn puzzels op te lossen met tijdreizen, en de inwoners van de ideale stad (of beter, de verschillende interpretaties van de ideale stad) komen, na voor hen subjectief 65 jaar en drie generaties, maar objectief duizenden jaren in hun toekomst, eindelijk oog in oog met de rest van de mensheid.

Dat laatste is één van de twee MacGuffins waar het verhaal om draait. De andere MacGuffin is dat Athene verdwenen is, en dat geen van de goden ze kan vinden. Maar dat ze hints heeft achtergelaten. En vandaar dus een transdimensionaal tijdreisavontuur, met aliens en alles.

Het klinkt vreemder dan het is, en tegelijkertijd is het nog veel vreemder dan het klinkt.

En het was oprecht zeer ontroerend schoon.

Zeer aangeraden.

Den hof: een aaneenschakeling van miserie

Het zijn dingen, met dat slecht weer. Ik heb drie bomen staan in een pot, en kijkt, roest:

Bij één van de drie bomen zitten bijna alle bladeren vol, ’t is godgeklaagd. De bladeren zijn nog niet dood, maar dat is een kwestie van dagen. Ik heb dus maar preventief de aangetaste bladeren (en een paar takken ook) afgeknipt. ’t Is niet meteen het moment, ik weet het, maar bon. De bomen zijn geen twee jaar oud, ’t is geen enorm verlies als ze de winter niet overleven.

Roest was natuurlijk niet alles dat aan de hand is: valse meeldauw bovenaan de bladeren, echte meeldauw onderaan de bladeren, pff.

En stapels en stapels zaagwespen. Niet op de rozen — ik denk dat de mieren ze daar weghouden, maar wel op die bomen, dus. Dat was dus elke dag naar de onderkant van elk blad kijken om dergelijke zever te onderscheppen:

Die vuiligheid in het midden, dat is een hoopje zaagwespeieren, waar er al twee larven van aan het blad aan het eten zijn. Laat dat een paar uur doordoen, en het geeft zoiets:

Degoutante beesten. Bah.

Wat een miserie toch soms, een hof. En dan vooral een hof die zo klein is als die van ons, waar iedere plant een bijna persoonlijke kennis is.

Thessaly #2: The Philosopher Kings

Als het eerste deel het verhaal van vooral Simmea was, is dit vooral het verhaal van Apollo.

We zijn twintig jaar na het eerste boek, en het is opnieuw hetzelfde: er zit wel degelijk een verhaal in (Apollo wil wraak nemen en trekt er met een aantal mensen van de Stad per boot op uit), en er is wel degelijk iets van actie (in alle geval meer dan in het eerste boek), maar het is opnieuw vooral spreken met mekaar en ideeën uitwisselen en discussiëren.

Er is ook een nieuwe generatie, met onder meer de kinderen van Apollo en van Simmea, en één voor één verdwijnen de mensen van de oudere generatie. De personages die overblijven, en dan voornamelijk Apollo, moeten omgaan met het verlies van een belangrijk personage uit het eerste boek — al meteen in het begin van het allereerste hoofdstuk van boek twee.

De ene ideale stad is uit elkaar gevallen, met verschillende min of meer afwijkende Plato-achtige experimenten op het eiland, en, zo blijkt later, ook andere nederzettingen, gesticht door een groep die op het einde van het vorige boek het eiland hadden verlaten.

Er zijn steden die volledig (of zelfs nog méér) het voorbeeld van Plato volgen, er zijn er andere waar ze meer een Christelijke (avant la lettre, letterlijk, want we zijn in vele eeuwen vóór Christus) weg volgen, er is zelfs een stad waar ze de synthese-van-zowat-alles van Ikaros (Pico della Mirandolla) volgen.

En het eindigt op een totale paukenslag, dat het van filosofie naar 100% sciencefiction tilt.

Ik ben bijzonder benieuwd naar het derde boek, en ik verwacht alvast naast filosofen van over heel de wereldgeschiedenis en intelligente robots ook aliens tegen te komen.