Orange stuurt mij een deurwaarder

Ik heb internet bij Orange. Ik ben het grootste deel van mijn leven een Telenetklant geweest, maar Orange had een aanbieding voor glasvezelinternet aan dezelfde prijs als wat ik bij Telenet betaalde, dus ben ik overgestapt.

Weinig klachten over het netwerk zelf — dat doet, zoals een mens zou verwachten, wat het moet doen. Meestal. Soms valt het eens uit gedurende een half uur of een uur, maar dat gebeurt zeer weinig. (Het zou natuurlijk niet mogen gebeuren, dat weet ik ook. Maar bon.) (Het is ook nog nooit zo snel geweest als beloofd was dat het zou zijn, maar bon.)

Wat al de rest van de dienstverlening betreft: Orange zuigt kloten, en al zeker in vergelijking met Telenet.

Ik kreeg deze brief in mijn fysieke postbus:

Ik word IN GEBREKE gesteld om een bedrag van 160 euro UITERLIJK BINNEN DE VIJFTIEN DAGEN TE BETALEN.

Ah ja, want de gasten van Orange sturen elke maand een mail met de boodschap dat ik moet betalen. En daar staat, als ik hem niet uit de spam moet vissen, zeer behulpzaam, ook in dat ik mij het leven véél aangenamer kan maken:

Okay. Volg even mee. Ik klik op “domiciliëring”. Dat brengt me naar een pagina met “Hoe kan ik mijn facturen betalen?”. Eerste keuze is “via de My Orange-app of Klantenzone”.

Klinkt als een plan. Ik trek mijn telefoon open, zoek naar My Orange-app, en installeer die:

Ja, zó eenvoudig is het dus niet:

De My Orange-app werkt enkel voor mensen die een telefoonabonnement bij Orange hebben. Dat heb ik niet. Tja. Niets aan te doen. Optie twee dan maar, “Via de klantenzone”?

Ik volg de link naar Klantenzone, en kijk eens!

Het is zowaar mogelijk om met Itsme in te loggen, mijn favoriete manier om veilig ergens binnen te geraken.

Oh. Helaas:

Allez dan. Registreren dan maar. Natuurlijk vragen ze mij eerst of ik een Orange-telefoonnummer heb (neen), maar gelukkig kan ik ook mijn internetnummer invullen. In de DAGVAARDING van de GERECHTSDEURWAARDER stond mijn Klantnummer (1.762 en dan nog vier cijfers). Ik vul dat in, het wordt geweigerd met de boodschap “Voer een geldig 8-cijferig internetnummer in”.

Bon goed, denk ik dan, ze hadden dat puntje er uit kunnen filteren. Maar alla, we zijn er bijna. Gewoon 1762 en de laatste vier cijfers ingeven en we zijn er.

Helaas:

Tiens. Mijn klantnummer is dus niet mijn “internetnummer”. Gelukkig, gelukkig! staat er een info-icoontje naast “internetnummer”. Dat zeg me het volgende:

Oh okay. Het “internetnummer” eigenlijk het “Easy Switch ID”. En dat bevindt zich op de eerste pagina van mijn factuur in de linkerbovenhoek. Ik zoek de eerste de beste factuur in mijn mailbox; de linkerbovenhoek van de eerste pagina van die factuur zegt mij dit:

(Het is misschien niet zo zichtbaar, maar ja: dat is tekst in bitmap in een PDF.) (Die mij zegt dat mijn telefoonabonnement, dat ik niet heb, duurder wordt.) (Goeie CRM, Orange!)

Op pagina drie van de factuur staat dit:

Géén Easy Switch ID.

Zucht.

Dan maar via domiciliëring? Ah ja, dat kan:

Oh wacht, inderdaad. Dat is ook in de Klantenzone, en daar kan ik niet binnen wegens geen internetnummer, euh, Easy Switch ID.

De enige overblijvende methode is een PDF downloaden, afprinten, invullen, weer inscannen en dan per mail opsturen. Of niét inscannen en per post opsturen.

Maar hey, “Bij Orange zien we digitalisering als een kans. Een kans die we zo veel mogelijk mensen willen bieden. Via ons netwerk, onze opleidingen, onze partnerschappen… Stap voor stap naar meer digitale inclusie“.

En ja, daardoor komt het dus dat ik keer op keer die klotefactuur te laat betaal. Omdat de mail in de spam terechtkomt. Omdat, als ik hem dan terugvind, ik de hele rigmarole doorloop van account aanameken ah neen het lukt niet, ah fuck, PDF printen, ik heb geen printer, dammit, dan maar met een manuele overschrijving.

Ik kan niet wáchten tot Telenet ook een degelijk glasvezelding heeft. Dan ben ik meteen weg.

Te weinig tijd

Er is weinig dat ik zo graag doe als samen aan iets werken. Serieus, met twee samen tekenen of schrijven of nadenken, dat gaat veel méér dan twee keer zo snel en twee keer zo goed als hetzelfde werk apart doen. De manier waarop de tijd dan voorbij vliegt is een indicatie van hoe fijn werken het is.

We hebben sinds een tijdje op het werk een soort evenknie-groep van wat wij doen, waar het dus in theorie enorm geestig zou zijn om ook op die manier mee samen te werken — maar helaas: het samenwerken is voorlopig beperkt tot twee keer een uur per week. Dat is dus echt veel te kort.

Andere werkmeetings met andere teams zijn bijvoorbeeld drie keer per week een tot twee uur, of een keer per week een halve dag. Of elke dag een half uur. En met mijn naaste collega is het natuurlijk elke dag zo lang als nodig.

We gaan de frequentie en/of de duurtijd dus moeten opdrijven. Ik kijk er nu al naar uit.

Mediocritas romantica

Ach ach. ’t Was quiz in de Vooruit (voo-euyng-uit, denk ik dat die ‘Voo?uit’ uitgesproken moet worden, tegenwoordig), en we zijn alsnog de meest gemiddelde van allemaaal geworden.

We gaan daar eerlijk in zijn: dat is waar wij zo’n beetje thuis horen, in vergelijking met de concurrentie bij Gentquizt. Als er drie poules zijn en we zijn op de één of andere manier in de derde poule beland, lukt het ons wel eens om de poule te winnen. De tweede poule hebben we ook wel al gewonnen. (En één keer, maar dat was een heel speciale eerste quiz van het jaar in open lucht, hebben we de hele quiz gewonnen.)

We zijn absoluut niet slecht, maar op die ene keer na ook absoluut nooit in the running voor een podiumplaats.

Ik kan daar mee leven. U voor het hoofd stoten omdat ge pakweg Don MacLean antwoordt in plaats van Donovan. Met vier of vijf zitten zoeken naar iets dat ge wéét, maar er gewoon niet op kunt komen. Keer na keer een voorzichtige niet-zo-slechte prestatie zien verworden tot roemloos veel slechter na een desastreuze laatste ronde. Stomgaweg vergeten dat er niet alleen een Philippine maar ook een acrostichon in de antwoorden zit.

Maar het is echt gemeend: ik kan daar absoluut mee leven.

In de woorden van Rowwen Hèze’s Jack Poel op muziek van de vandaag helaas schielijk komen te gaan Henny Vrienten:

En dat was het voor vandaag // Nu is alles wat ik vraag // Leven met een 7
Al dat streven naar een 10 // Terwijl ik eigenlijk misschien // Wil leven met een 7

G’ontziet u dat

Er moet op het werk iets groots en nieuws begonnen worden. Iets dat eigenlijk wel wijs om doen is, maar ook iets dat veel werk is om op te zetten en niet simpel en alles.

Ik weet redelijk duidelijk wat er moet gebeuren, maar het is, zoals ze in Holland zeggen, behoorlijk bewerkelijk. Of, gelijk er tegenwoordig veel te veel over vanalles en nog wat gezegd wordt: het is best wel pittig. Een best wel heftig traject.

Veel veel werk. En zeer veel manieren om er mogelijk aan te beginnen.

Gnn.

Veertig jaar Spectrum

Bij mij was het geen veertig jaar geleden. In 1982 kon ik alleen maar dromen van een eigen computer. Mijn eerste computerervaringen een paar jaar eerder geweest, op een Tandy TRS-80 Model I (met Level 2 BASIC, en met twéé floppy disk drives) die we in de vakanties in bruikleen kregen van een vriend van de familie.

In 1982 was er iemand waarmee ik op school zat die in de buurt woonde, die had een ZX81 staan.

Ik was meteen gefascineerd, zefs al was dat een ding waar eigenlijk bijna niets mee te doen was. Ik kocht elke week computertijdschriften, in het Frans (no problemo) en in het Engels (met vertaalwoordenboek bij de hand), en ik droomde hard van een eigen computer.

Dat is uiteindelijk een ZX Spectrum geworden, ergens in denk ik 1985. Tweedehands gekocht met een cassettespeler en een doos vol slechte spelletjes, voor 4000 Belgische Frank — het equivalent van tegenwoordig ongeveer 300 euro.

Ik heb er zo enorm veel plezier van gehad. Op leren programmeren (in BASIC en in Z80) en op leren blind typen (ja, zelfs met dat rubberen keyboard). En spelletjes gespeeld natuurlijk. Duuzd spelletjes.

Tijden die niet meer terugkomen, RANDOMIZE USR 0 nog aan toe. Gelukkige veertigste verjaardag vandaag, ZX Spectrum.

Taboo

Ik ben sinds recent in Notion aan het steken wat ik kijk, zal kijken en gekeken heb. Daar stond om ik weet niet meer welke reden Taboo in.

Ik wist niet meer waarom dat daartussen stond, maar ik vertrouw mijn vroegere ik, dus schoot ik dan maar in gang, op de Netflixen.

Maar zo een goede serie.

James Delaney komt terug in Londen na jaren en jaren in het buitenland, net te laat om de dood van zijn vader mee te maken. We komen in stukken en beten te weten wat James allemaal meegemaakt heeft: op schepen gevaren, slaaf gemaakt, op de één of andere manier zeer rijk geworden.

Het is net het begin van de 19de eeuw, Napoleon is a going concern, de East India Company is rijker dan de zee diep is, en de relaties tussen EIC en prins-regent (GEorge II is niet meer a going concern, blijkbaar) zijn complex.

James’ moeder was een native american, die door zijn vader gekocht was, samen met een stuk land. Zijn moeder is al jaren dood, en er is ook nog een halfzus in het spel waar hij een soort psychische band mee heeft. Om dat stuk land is er allerlei te doen: zowel de East India Company als de Engeland als het net geboren Amerika willen het.

En James zit gewrongen tussen al die verschillende partijen.

Van structuur heeft het iets van Casa de papel of Lupin: onoverkoombare obstakels die op de één of andere manier toch overkomen worden, of niet, of wel, of niet, of wel. Maar van stijl is het helemaal anders: donker, mystiek, met Tom Hardy die meer in grommen dan in woorden communiceert.

Maar zeer zeer goed, zeker dat. Er komt mogelijks een tweede seizoen. Ik zie dat wel zitten.

Zó verschrikkelijk anders was dat dus niet

Ik had vandaag een meeting met mensen. Een meeting in het écht, bedoel ik dan. Niet via de interwebs. Toen ik er op weg naartoe was, bedacht ik dat het al lang geleden was dat ik nog eens een niet-virtuele meeting in professionele context had.

Meer specifiek: op maandag 4 april 2022 heb ik meegedaan een workhop met Refu Interim. Op woensdag 13 oktober 2021 heb ik met mijn fijne collega Benjamin een observatie gedaan in het controlecentrum van Eurocontrol.

En daarvoor was het al geleden van donderdag 12 maart 2020, waar ik om 6u de trein naar Brussel nam en dan de shuttlebus om van een paar minuten na acht tot kwart na vier te werken, en dan de shuttlebus en dan de trein om tegen twintig na zes weer thuis te zijn.

Drie meetings met levende mensen op meer dan twee jaar tijd. En toch meer productief geweest dan denk ik ooit.

Maar kijk: vandaag dus een echte meeting met echte mensen. Het deed niet eens écht raar. (Misschien dat het grote plastieken scherm tussen ons daar iets aan deed. Wellicht niet.)

Gemakkelijker om lichaamstaal te lezen? Ongetwijfeld. Maar veel van mijn online meetings zijn zelfs zonder camera, en dan lukt het ook om ‘lichaamstaal’ te lezen. Net zoals het ook lukt om signalen op te vangen als het over enkel geschreven communicatie gaat. Wat moeilijker, wat meer moeite doen om te verduidelijken, wat meer goeie wil om er van uit te gaan dat niemand het slecht bedoelt, maar wel mogelijk.

Zodus. Een meeting in het echt. En het was eigenlijk wel een fijne meeting, eigenlijk.

Hoe ze mensen behandelen in hospitalen

Om de zoveel tijd komt er eens een boek of een artikel uit van een dokter of van verplegend personeel, waar die dan beschrijven hoe ze zelf in het hospitaal verzeild geraken en dan pas beseffen hoe erg het er aan toe gaat.

Ik heb naaste familie die ondertussen een week of twee in het hospitaal ligt, wegens gebroken heup en nieuwe heup gestoken. En wegens leeftijd op de afdeling geriatrie.

Nu, er is geen mens die zal zeggen dat mijn familielid geen moeilijk persoon is: het moet juist zijn, en “daarom” is geen reden, en ’t is niet omdat de leeftijd een bepaald getal zegt, dat dat daarom wil zeggen dat een mens behandeld moet worden als een klein kind.

Ik kan mij inbeelden dat het gemakkelijk is, na een paar keer te veel vragen stellen of te veeleisend zijn (waarom precies moet ik deze pil nemen, de thee is geen thee maar poeder in zakjes, de yoghurt is geen natuuryoghurt maar zit vol bewaarmiddelen), om iemand in het vakje van “dat is die ambetante patiënt voor wie het nooit goed genoeg is” te steken, maar toch.

Het is verwarrend, als ge medicatie krijgt, en als ge dan de bijsluiter opzoekt op het internet en ziet dat ge eigenlijk veel te veel krijgt voro uw gewicht. Of als er u papieren gegeven worden waarop staat hoeveel ge van wat krijgt wanneer, maar dat daar dan blijkbar voortdurend van afgeweken wordt — zo van “middel X alleen geven in hoge nood”, maar dat dan willens nillens vier keer per dag krijgen.

Het is demotiverend, als er op dag één iemand langskomt om te vragen of er morgen een kapper moet/mag langskomen, ge zegt ja, en twee dagen later is geen kapper geweest. En als ge dat dan zegt, niet eens al klagend, tegen uw bezoek, dat u dan van aan de andere kant van de kamer toegebeten wordt JA MEVROUW DAT IS DE LOGISTIEKE DIENST HE WIJ KUNNEN DAAR OOK NIETS AAN DOEN. We begrijpen dat, verplegend personeel, dat het jullie schuld niet is. We zeggen ook niet dat het iemands schuld is, we vinden het gewoon demotiverend. Het is echt nergens voor nodig om te roepen en te spreken als tegen een vierjarige.

Ik heb ook lang in het hospitaal gelegen. Ik was géén lastige patiënt, denk ik toch. Ik stelde geen vragen, ik beruste er in dat ik geen details kreeg, ik hield mij in stilte bezig. Het hielp wellicht ook dat ik niet op de geriatrische afdeling lag.

Zucht.

Abonnement opzeggen

Ik wil een krantenabonnement opzeggen. Het is het tweede krantenabonnement op een paar weken tijd dat ik, om verschillende redenen, wil opzeggen.

En zowel bij de eerste als bij de tweede krant kan dat alleen maar door de krant zelf op te bellen, tijdens de kantooruren, en zelf met eigen stem te verklaren dat ik het abonnement niet meer moet hebben.

Ik vind dat belachelijk.

Bah.

De Morgen over Halo

Ik las een review van Halo, de tv-reeks, in De Morgen.

De reviewer van dienst is boos dat Master Chief zijn gezicht toont. Tja. The Mandalorean slaagde erin om het hoofdpersonage bijna de hele reeks zijn helm op te laten houden, in Halo is ervoor gekozen om van Master chief en de andere Spartans geen mythische onkenbare helden te maken, maar echte mensen. Ik heb er geen problemen mee.

In het spel speel ik zelf Master Chief. In een boek kan ik voordurend een interne monoloog meevolgen. Op televisie is het verdedigbaar dat er gezichten getoond worden.

Verder heb ik meer dan eens hard met mijn ogen moeten rollen bij de review. Zoals hier:

[…]een verbijsterende scène in het begin van de eerste aflevering, die probeert aan te geven hoe verdorven de elitestoottroepen van de Covenant zijn door hen zichtbaar kids aan repen te doen schieten. Wat wellicht de narratieve durf van de makers had moeten tonen, maar eerder iets zegt over hun morele kompas.

Zozo. “Narratieve durf”? Ja, verbijsterend zeg, dat zo’n dingen zouden gebeuren in een oorlog. En het zegt inderdaad bijzonder veel over het morele kompas van de makers dat ze zoiets durven tonen, dat Covenant kinderen aan flarden schieten. Oei mijn ene oog was uit zijn kas gerold, een momentje.

Ik ben nu vier afleveringen ver, en ik wacht nog even af met een finaal oordeel.

Neen, het is niet wat ik er van verwacht had. Master Chief en Cortana zijn helemaal anders in mijn hoofd. Maar het is al zó lang geleden dat ik Halo gespeeld heb en er een paar boeken van gelezen heb, dat ik er ook kan naar kijken met de blik van iemand die er niéts van af weet. En dan vind ik het tot nog toe een degelijke serie.

Wat ik altijd probeer te doen, als ik een film of serie zie van een boek (of omgekeerd, een boek van een film of serie), is mij inbeelden dat de gebeurtenissen van de film, het boek of de serie eeuwen geleden gebeurd zijn, en in allerlei verschillende, licht of zwaar andere vormen tot bij ons gekomen zijn. Dat er daardoor niet echt één versie is en dan een (uiteraard) slechte afgeleide versie, maar dat er twee of meer tradities zijn die tot bij ons zijn gekomen.

Dat zorgt er dan voor dat ik mij niet opwind over inconsistenties en verschillen.

En dan deze, in de review:

de buitenscènes zien eruit alsof ze in iemands achtertuin zijn opgenomen, en de binnensequenties in iemands garage. Halo lijkt op een scifireeks van vijfentwintig jaar, terwijl recente genreseries als The Expanse of The Mandalorian de visuele lat toch al wat hoger hebben gelegd.

Het hondenfluitje “genreseries” daargelaten, en ook dat er wellicht een “geleden” moest komen na “vijfentwintig jaar”: wat een zielig argument. Om te beginnen is het voor een groot deel persoonlijke opinie. Ik had het er alvast niet moeilijk mee, en de decors zaten voor mij alvast niet in de weg van mijn suspension of disbelief.

Als ik mij over iets opwind, dan zal het meestal niét over de production value zijn. De meest fantastische verhalen kunnen verteld worden door drie man met een tafekleed over hun hoofd op een podium in een jeugdhuis, of in het donker aan een kampvuur, zonder enig decor. Star Trek had ook decors van bordkarton. De ‘marmeren’ decors van I Claudius vielen begot bijna omver als de acteurs een beetje luid spraken. Blake’s 7 was denk ik écht opgenomen in iemands garage, en de keizerin van het universum zat erbij als een receptioniste bij de kinesist. Babylon 5 was gemaakt met plakband, een paar oude Amiga’s en kostuums uit de verkleedwinkel. Maar elk van die dingen was wel van het meest fantastische dat er ooit op televisie is uitgezonden.

Afijn. Ik heb het wat lastig met het Kwan-subplot, dat voorlopig niet veel bijdraagt tot het algemeen, maar voor de rest ben ik vooralsnog zowel tevreden als benieuwd naar het vervolg.

Misschien dat ik ondertussen zelfs nog eens wat boeken (her)lees.

The Uncanny Counter

De tags die mijn dochters aan The Uncanny Counter gaven toen we aan het overlopen waren wat ik zeker nog moest zien: “superhelden” en “geesten en al”.

Dat is niet gelogen.

Het begint met een scène in een auto: So Mun maakt een tekening van hemzelf en zijn grootouders. Zijn ouders staan er niet op, want die hebben zo veel werk dat ze er nooit bij zijn.

De ouders zien de tekening, zijn er het hart van in, en beloven hem dat ze meer tijd zullen maken. Hij begint ze er bij te tekenen — en dan wordt de auto in de prak gereden. Zijn ouders sterven, So Mun overleeft maar zijn ene been is om zeep.

Jaren later zit So Mun op school en worden hij en zijn vrienden zwaar gepest door een groepje zoons van rijke en machtige mensen.

En dan komen de Counters in beeld: een groep van vier mensen die er normaal uitzien, maar verschillende superkrachten hebben. Ze hebben ene gevecht met een slecht geest net als Mun en zijn maten in de buurt zijn. Eén van de vier sterft, en zijn geest verlaat zijn lichaam. Normaal gezien zou die geest naar een persoon in de buurt gaan die in coma ligt, maar, ge raadt het: de geest vliegt bij Mun binnen.

Mun wordt één van de Counters, een vechter tegen slechte geesten, met zijn eigen reeks superkrachten. Géén typisch k-drama, dit: er is nauwelijks of geen romatiek, maar wél ander drama. En gevechten. En spannende dingen. Het voelde met de standaard 16 afleveringen noch te lang, noch te kort. En het einde was zowaar tegelijkertijd een propere afsluiting als een opening naar een tweede seizoen. Waar ik wél benieuwd naar ben.

Degelijk verhaal, degelijk gefilmd, fijne personages, en méér dan degelijke acteurs (het zou de eerste keer niet zijn dat er ergens een verdwaalde zanger gewoon schoon loopt te zijn in een serie — niet hier). Aangeraden!

Het licht dat aan gaat

Er is een ding dat gemaakt is een jaar of vijf geleden. Dat gaat binnenkort omgezet worden naar ergens anders. Er wordt gevraagd om er een aantal dingen aan aan te passen en toe te voegen. Mijn collega gaat spreken met de mensen die het ding gebruiken en brengt verslag uit.

Dan is er een een kort gesprek woensdag, met de vraag of we een voorstel kunnen maken. Volgende week? Euh neen, dan is er Paasvakantie — kan het tegen vrijdagmiddag?

We trekken tijd uit donderdagnamiddag om ideeën te vergaren, we hebben allerlei in ons hoofd, op den duur een heel blad vol cryptische tekeningen en gedoe.

Het was al heel de week één van die weken, we waren alletwee zeer moe, het was 17u: we zijn er mee gestopt, en we gingen dan vandaag verder werken. Het zat in ons hoofd, we wisten waar naartoe gegaan.

Vandaag dan: eerst ’s morgens stakeholderconsultatie voor een ander project, en dan om 11u30 fris begonnen aan het tekenen voor de vergadering om 14u30. Het was wat méér dan alleen dingen toevoegen en aanpassen: het ding was vijf jaar geleden gemaakt, en ondertussen is het platform waarop het gemaakt werd al redelijk wat geëvolueerd, dus moet er wel wat conceptueel herdacht worden.

We zijn er niet helemaal geraakt, tegen de meeting. Of beter: ik dacht dat we er wel geraakt waren, en we hebben wel allerlei dingen opgelost die we moesten oplossen — maar de oplossing van het probleem dat de mensen zelf hadden en waar ze ons voor nodig hadden, dat hadden wij voor een groot deel zelfs niet als een probleem gezien.

Ter onzer halve verdediging: het was niet perfect uitgelegd, precies omdat de mensen die het uitlegden er zelf niet echt een greep op kregen. Maar eerlijk is eerlijk: ik had het alvast niet visceraal gesnapt, die eerste meeting woensdag. Maar hoezee! Tijdens de meeting vandaag overkwam mij het schoonste dat u op werk zoals het mijne kan overkomen: het licht ging aan.

Dat gevoel van “aha, nú heb ik het door”. En van “zó past de puzzel in mekaar”. En ook van “damned, ik moet hier dringend een paar dingen neerschrijven en tekenen, dat ik het zeker niet vergeet als ik er in de loop van volgende week opnieuw naar kijk”.

We hebben er na de meeting met de mensen zelf nog een tijdje over gebabbeld om het allemaal een beetje in vorm te boksen, kwestie van iets te hebben voor volgende week. En zo kijk ik nu al uit naar het werk dinsdag.

The School Nurse Files

Swoon. ’t Is met Nam Joo-hyuk, de zwemmer van Weight Lifting Fairy Kim Bok-joo. Gemiste kans om de Koreaanse titel van deze serie letterlijk te vertalen, wel: School Nurse Ahn Eun-young past beter in de rij van “omschrijving naam” (zie ook Strong Girl Bong-soon, Rookie Historian Goo Hae-ryung).

Ahn Eun-young is verpleegster op een school, en ze is ook de enige die kan zien dat er allerlei kwalachtige en geleiachtige wezens rondwaren. Ze gaat ze te lijf met een uitschuifbaar plastieken regenboog-light-sabre, en zeer veel meer uitleg dan dat wordt er niet gegeven. De dochters omschreven het genre als “absurd”, en ik zie wel waar ze vandaan komen. Er gebeuren redelijk random dingen in, en aangezien het een serie is met maar zes afleveringen, is er véél te weinig tijd om de zaken rustigaan hun beloop te laten.

We gaan veel te snel van “wat doet die Eun-young raar” naar “okay, we aanvaarden allemaal dat ze onzichtbare dingen ziet, let’s go with the flow”. We gaan ook veel te snel van “er gebeuren hier en daar wat rare dingen” naar het equivalent van de ontknoping van een seizoen van Buffy the Vampire Slayer, met een soort Hellmouth-achtig iets onder de school.

Maar uiteindelijk wel leutig, en het voelt al met al niét aan als K-drama. Het is ook zo kort dat ik het misschien wel eens zou durven herbekijken omdat ik zeker ben dat ik dingen gemist heb.

Moderne ontwikkeling en al

Ik help in mijn vrije tijd Refu Interim met, euh, database- en computerdingen.

Hoe gaat zoiets? Het is Batahlan, jaren geleden, en Xavier van cirQ vraagt of ik iemand ken die een database zou kunnen maken, en ik vraag wat rond, en terwijl ik uitleg aan een collega die dat eventueel wel zou kunnen doen, zoek ik zelf naar de manier waarop het zou kunnen gemaakt worden, en voor ge het weet, heb ik zelf een hele toepassing in mekaar gestoken in Django.

Het is al –miljaar!– decennia geleden dat ik voor mijn beroep geprogrammeerd heb, en ik ga mij geen enkel moment van de dag een ontwikkelaar noemen, maar zo’n klein toepassinkje, dat is toch eigenlijk geen programmeren, juist? Toch? Hé?

Enfin bon, we zijn dan een aantal jaar later en ik loop tegen de grenzen van waar ik goesting in heb aan. Ja, ik wéét wat er allemaal anders en beter zou moeten. Een moderne toepassing anno tegenwoordig, dat doet allerlei dingen die mensen normaal vinden, maar waar toch wel wat werk aan zou geweest zijn, als ik mijn ding zou verder ontwikkeld hebben.

Django als een headless ding gebruiken, daar een React of Vue frontend op zetten, bladiebla, jaja, maar doe het maar eens als ge wel weet hoe dat in theorie moet, maar als ge géén moderne ontwikkelaar zijt.

Ik heb echt waar serieus negatieve goesting om te brielen met docker of iets gelijkaardigs, een ecosysteem van tools bovenop tools bovenop tools op poten te zetten waarvoor ik de helft van het internet moet downloaden, en dan te werken in dingen die door die tools vertaald worden naar iets anders dat door nog meer tools naar nog iets anders vertaald wordt, en dan ergens in een pipeline terechtkomt waar, als alles goed gaat, uiteindelijk iets bruikbaars uitkomt.

Moderne ontwikkelaars, denk ik, zijn gelijk die kikkers die in een kookpot gestoken worden die langzaam langzaam warmer wordt. Deze rant is van 2016, en ik denk écht niet dat het zes jaar later (!) beter geworden is.

Lang verhaal kort: ik heb een specificatie geschreven van wat ik graag zou gehad hebben van een nieuwe toepassing, dat doorgegeven aan een Echt Bedrijf met Echte Ontwikkelaars, en na een aantal vijven en zessen hebben we bij Refu Interim een nieuwe toepassing. Er is wel nog werk aan, en Echte Bedrijven met Echte Ontwikkelaars zijn natuurlijk geen zotten zoals ik die na hun uren dingen concurrentievervalsend gratis doen.

En dus, om de kosten mogelijk te drukken voor als er kleine aanpassingen zouden zijn, zou ik wel eens kunnen hier en daar toch wat werken aan die wat meer moderne toepassing. Ik ga daar eerlijk in zijn, ik kijk daar niet echt zeer hard naar uit. ’t Is met php, en dat is buiten wat gebriel met WordPress al geleden van euh 1998? 1999? Ik heb nog nooit composer in gang gesleurd, ik heb nog nooit met Laravel gewerkt. Neen, ’t is allemaal niet zó ingewikkeld ongetwijfeld. Maar blurgh. Toch liever gelijk op het werk samenwerken met mensen die weten waar ze mee bezig zijn en elk zijn kant van het werk doen. 🙂

Eerste taak: door een stuk of dertig issues gaan en inschatten of het bugs zijn, feature requests, vragen, of iets daartussenin. Zien of dingen die kapot gemeld zijn reproduceerbaar zijn. Mogelijke oplossingen bedenken. En dan (urgh andermaal) zien wat ik zelf zou doen en wat niet.

On a slightly related note: er loopt in de toepassing die gemaakt is iets verkeerd met de rapportering. In de toepassing die ik gemaakt had, maakte ik als het nodig was gewoon een view bij met een rechtstreekse query naar de database. Nu is dat niet meer zo evident. Er zijn allemaal repositories voor de verschillende objecten, en daar wordt er dan allerlei propers gestructureerd gedaan. Ik ben een oude mens, ik wil op een bepaald moment gewoon iets doen van

select
    r.name refuInterim, year(v.created_on) jaar, v.status status, p.gender gender,
    p.country land, l.name statuut,
    count(v.id) aantal
from volunteer v
    join refu_interim r on v.refu_interim_id = r.id
    join personal_information p on v.id = p.id
    join legal_situation l on p.legal_situation_id = l.id
group by refuInterim, jaar, status, gender, land, statuut

en dat dan naar een spreadsheet sturen waar ik wel zelf mijn pivot tables zal maken. Normaal gezien doe ik dat allemaal in Excel (leve Excel, ik houd van Excel), maar nu deed ik het in de rapte in Google Sheets.

…en zo werd het toch nog een fijne avond, want schets mijn verbazing en aangename verrassing! ’t Is allemaal artificiële intelligentie!

Ja, het was al zó lang geleden dat ik naar Google Sheets gegaan was, dat ik nog niet gezien had wat voor propere suggesties Sheets doet als ik een lange CSV laad. Ik krijg een hele reeks voorstellen om de data op te kuisen, nog voor ik er maar aan denk om er een draaitabel in te steken. Sheets herkent dat “land” een geografische aanduiding is, stelt meteen voor om “Verenigd Koninkrijk” en “UK” en “United Kingdom” en “Jemen” en “Yemen” tot één waarde te herleiden. Ziet “Fillippijnen” staan en vraagt mij of ik wel zeker ben dat dat een land is.

Leutig.

Morgen nog wat tiketten doornemen en dan overleg en briefing. Dát doet ik dan wel weer oprecht graag.