Een Nederlandstalig boek, mij aangeraden door verschillende mensen waarvan ik de opinie volkomen vertrouw.

Ik zeg wel meer dat ik het moeilijk heb met Nederlandstalige boeken: dat is geschreven in een taal die niet mijn taal is, en elke pagina werkt dat vervreemdend. In andere talen is het ook zo, natuurlijk, dat schrijftaal soms zeer ver van spreektaal kan staan — *KUCH*Frans*KUCH* — maar daar stoort het mij minder.

En ja, ik geef grif toe dat het niet alleen de afstand tot de spreektaal is die mij tegensteekt, maar ook en vooral het Noord-Nederlands, waar ik eczeem van krijg. Waarom “het geïntendeerde publiek” en niet “het doelpubliek”? “Daarover moet ik nadenken, zoals dat in de volksmond heet” — euh welke volksmond? Of hoe er enkel nog de-woorden (mannelijk) en het-woorden (onzijdig) zijn, waardoor vraag en fontein plots van geslacht veranderen:

‘Dat is een moeilijke vraag,’ zei ik. ‘Daarom stel ik hem ook.’

De fontein zelf leek hierover nog het meest verbaasd. Vanuit de dennenappelvormige marmeren sculptuur in het midden van de vijver, die op zichzelf al curieus genoeg was, stond hij daar opeens te spuiten met een waterstraal die hij, omdat hij niet wist welk doel hij moest dienen, dan maar recht omhoog liet gaan.

Ik vond Grand Hotel Europa een degelijk boek, trouwens. Ben ik daar alvast van af. Geen uitstekend boek, wel degelijk. Maar ik vind dat het er véél en véél te vingerdik op ligt dat Pfeijffer hier Literatuur Aan Het Doen is.

Er is een hele reeks in elkaar hakende verhaallijnen met onder meer Pfeijffer in Grand Hotel Europa en de personages die daar rondlopen, de relatie tussen Pfeijffer en zijn vriendin Clio in Genua en dan Venetië, een poging om een documentaire over toerisme te maken als annex van een boek over toerisme en de zoektocht naar een verloren Caravaggio.

Er zijn de talloze totaal transparante metaforen: het Grand Hotel Europa zelf, om te beginnen, met al zijn “oud Europa”-gasten en zijn majordomo, de vluchteling die piccolo werd, de nieuwe Chinese eigenaar die het hotel verbouwt om het aan de smaak van de nieuwe Chinese toeristen tegemoet te komen, het onvermogen van de Europese gasten om tot een vergelijk te komen over iets dat eigenlijk totaal oncontroversieel zou moeten zijn, etc., etc., etc. Of, hoe meer on the nose kan het zijn: de vriendin heet gewoon Clio, zoals –haha, zo goed gevonden zeg— de muse van de geschiedenis.

Er is de bij momenten verschrikkelijk storende metafictie. Grand Hotel Europa is een boek geschreven door Ilja Leonard Pfeijffer, waarin hij schrijft hoe Ilja Leonard Pfeiffer een boek schrijft in het Grand Hotel Europa, met Ilja Leonard Pfeiffer als hoofdpersonage. Dat alleen al is meh, maar daar voortdurend de nadruk op leggen is aargh. Is hij in gesprek met iemand in Skopje:

‘Gaat u over Skopje schrijven, meneer Pfeijffer?’

‘We zitten, zoals we hier zitten te praten, al midden in een hoofdstuk. Waarom vraag je dat?’

Of als het over zigeuners, nee Roma gaat:

Wanneer ik deze passage herschrijf, zal ik er speciaal op moeten letten dat wat ik zeg niet racistisch overkomt

Of wanneer hij zijn eigen boek omschrijft (wel een gemak dat we zelf het hoofdthema niet meer hoeven bij elkaar te sprokkelen):

‘Ik wil eigenlijk helemaal geen boek over toerisme schrijven, Peter. Dank je wel dat je mij dwingt om daar expliciet over te zijn. Toeristen zijn slechts het symptoom van iets groters en ernstigers, zoals gasten op een begrafenis een symptoom zijn van de dood. Dat wil ik in mijn boek onderzoeken. Het moet gaan over Europa, de Europese identiteit, die verstrikt is in het verleden, en over de uitverkoop van dat verleden op een geglobaliseerde markt bij gebrek aan geloofwaardige alternatieven. Het moet een liefdesverklaring worden aan Europa vanwege wat het ooit was, dat op dit moment vanwege wat het ooit was onder de voet wordt gelopen door de laatste en definitieve barbaarse invasie. Het wordt een triest boek over het einde van een cultuur.’

Ook storend: als Pfeijffer vaak ettelijke (ettelijke) bladzijden gewoon information dump doet. En nee, het komt niet over als iemand die gewoon veel weet en dat graag deelt: ik vroeg me meer dan veel af of hij Wikipedia, een papieren reisgids dan wel een toeristische folder aan het afschrijven was. Soms is hij er zich zelf van bewust, lijkt het wel: zo zegt hij na een excursus over Hiëronymus van Stridon gewoon letterlijk “Maar ik dwaal af”. Zelfkennis, ’t is toch altijd dat. (Of misschien is dat net de bedoeling omdat Europa niet veel meer dan dat heeft: feiten en feitjes op een rij, geschiedenis zonder toekomst, en heb ik het helemaal niet gesnapt, in welk geval het opzet geslaagd is waarvoor proficiat.)

Ik heb het moeilijk met de voortdurende vermeldingen van kledij- en andere merken (om niet te spreken van de herhaling: vijf keer vermelden dat hij Rosso di Ischia opdoet en vier keer zeezoutlotion op zijn wangen, vier keer het over zijn “solid brass zippo” hebben), de nadruk op zowel Pfeiffer’s dandyeske koketteren met maatkostuums en dure kleurgecoördineerde dassen als de lelijkheid van zijn pafferige oude lichaam in verhouding met zijn beeldschone vééééél jongere vrouwelijke liefdespartners. (Misschien is dat net de bedoeling omdat Pfeijffer Europa belichaamt, als een gedelapideerde ruïne onder een oppervlakkig opulent uiterlijk, en heb ik het helemaal niet gesnapt, in welk geval het opzet geslaagd is waarvoor proficiat.)

Ik moet het verder ook niet hebben van de pogingen tot omschrijvingen van seks, die — wellicht is het weer de taal, soppeloentje nog aan toe — eerder als knullig, infantiel en belachelijk overkomen dan wat dan ook anders. (Misschien is dat net de bedoeling omdat seks nu eenmaal ten gronde knullig en niet serieus te nemen is en heb ik het helemaal niet gesnapt, in welk geval het opzet geslaagd is waarvoor proficiat.)

Hotel Grand Europa is bovenal een boek waar de auteur onophoudelijk, voortdurend en genadeloos aan het woord is. Alle personages spreken op precies dezelfde irritant hoogdravende manier, alsof ze permanent hun eruditie moeten etaleren. En of het dan een bejaarde filosoof is of een Macedonische romajongen van 13 in een sloppenwijk of een Italiaanse kunsthistorica van adel of een Amerikaans tienermeisje van 17, maakt voor Pfeiffer minder uit. Het gaat tot in het belachelijke: als een hoogbejaarde man het pagina’s en pagina’s lang heeft over toeristische cijfers en statistieken beseft Pfeijffer precies dat dit een béétje ongeloofwaardig is, en schrijft hij zichzelf een suspension of disbelief-dialoogje:

‘Ik ben ervan onder de indruk dat u al deze cijfers paraat hebt,’ zei ik.
Hij glimlachte. ‘Ik moet toegeven dat ik vanmiddag nog wat onderzoek heb gedaan. Ik had het vermoeden dat het onderwerp toerisme vanavond ter sprake zou komen.’
‘Ik ben u zeer erkentelijk dat u de moeite hebt genomen om ons diner voor te bereiden, al zou ik geneigd zijn daaraan toe te voegen dat het te veel eer is.’

De enige uitzonderingen op de voortdurende gezwollen pompositeit zijn een aantal Nederlanders die in kleine vignetjes aan het woord komen, die trouwens geschreven lijken voor een ander soort boek: de bedrijfsleider van een avonturenvakantiebedrijf en een koppel toeristen dat bewust “niet de platgetreden paden” doen als ze naar pakweg ruraal Pakistan gaan, met als highlight de omschrijving van de afhandeling van een traditionele verkrachting (de broer van het verkrachte meisje mag op zijn beurt het zusje van de verkrachter verkrachten), met de toeristen-die-zich-zeker-geen-toeristen-willen-noemen als passieve getuigen:

We waren het er uiteindelijk over eens dat we niet op reis waren gegaan om alleen maar mooie dingen te zien. We waren tenslotte geen toeristen, godbetere, die zich vergapen aan opgepoetste attracties zonder dat ze begrijpen waar ze zich bevinden, en die het glimmende vernis fotograferen zonder zich te verdiepen in de betekenis van wat ze zien. Wie een land en een cultuur echt wil doorgronden, mag de ogen niet sluiten voor de rauwe kantjes van zo’n samenleving. Zo staan wij erin, hè Yvonne? Wij gaan all the way. Je kunt niet zeggen dat je bij een panchayat bent geweest als je bent weggelopen voor de voltrekking van het vonnis. We zouden blijven, daar waren we eigenlijk heel gauw over uit.

Die stukjes lezen meer als Kopstukken van Godfried Bomans dan als de rest van het boek:

‘Het is eigenlijk heel dubbel,’ zei Yvonne. ‘Aan de ene kant is het natuurlijk best wreed wat er gebeurt. Dat besef je ook wel, zeker als je er iets langer over nadenkt. Maar als je dan al die traditionele gewaden ziet en begrijpt dat je getuige bent van een ritueel dat al sinds de diepe middeleeuwen onveranderd wordt uitgevoerd, dan krijgt het geheel toch een zekere meerwaarde. Begrijpt u wat ik bedoel?’
‘Je moet het in de context zien,’ zei Bas. ‘Als buitenstaander is het natuurlijk gemakkelijk oordelen. Maar als je de moeite neemt om je te verdiepen in de diepere betekenis, ga je de nuances zien. Ik vind dat persoonlijk heel leerzaam.’
‘En voor die mensen daar heeft het echt nog betekenis,’ zei Yvonne. ‘Dat zie je aan alles en dat merk je aan de enorme energie die vrijkomt uit zo’n menigte. Dat heeft iets heel oers.

Maar goed. Behalve de paar Nederlanders is het niet zo belangrijk welke taal de personages spreken: op een paar Chinezen na, spreekt iedereen alle talen perfect, en wordt elke taal weergegeven in vlekkeloos idiomatisch (Noord)Nederlands. Want uiteindelijk spreekt Ilja Leonard Pfeijffer natuurlijk enkel met Ilja Leonard Pfeijffer in dit boek.

En vindt hij zichzelf mateloos interessant. In de woorden die hij één van zijn personages in de mond legt:

Jij houdt als alle grote kunstenaars van de materie waarmee je werkt. Je woont in taal. Je leeft van woorden zoals anderen leven van voedsel en water. Je ademt zinnen. Taal is voor jou tastbaar als brons voor een beeldhouwer. Het is de liefde voor de materie waarmee ze werken die kunstenaars stimuleert om door te gaan en steeds weer nieuwe dingen te maken. Je amuseert je wanneer je schrijft, omdat je het prettig vindt om taal te boetseren en beelden te kneden van woorden.

Jaja.

Het is wellicht een objectief goed geschreven boek. Maar ik werd er niet opgewonden van. Hier en daar flitsen die ik zeer goed vond, maar de zelfingenomenheid was mij té storend om het echt aan te raden.

(Misschien was die zelfingenomenheid net de bedoeling en heb ik het helemaal niet gesnapt, in welk geval het opzet geslaagd is waarvoor proficiat. Maar ik krijg het er nog altijd niet warm van.)

Doe mee met de conversatie

3 reacties

  1. Ik vond er niets aan. Bovenal dat de auteur zich geweldig goed vindt. Het is alsof hij al een goochelaar staat en zegt ‘kijk eens wat ik allemaal uit mijn literatuurhoed kan toveren’. En natuurlijk, de man kan schrijven, bovengemiddeld goed en getalenteerd. Maar dat maakt dit boek nog niet goed. Veel van mijn bezwaren staan in je recensie

Laat een reactie achter

Zeg uw gedacht

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.