Voorlaatste dag, en bijna onwezenlijk dat het tegelijkertijd zo rap is gegaan en dat ik mij moeilijk kan inbeelden hoe het leven vóór de Gentse Feesten was.
Nog één dag en ik ga voor de voorzienbare toekomst dit soort conversaties niet meer hebben:
- (zeer verwarde blik, wanhopig rondkijkend) Euh is dat hier voor bonnekes?
- Neen, ge kunt gewoon betalen met uw bankkaart aan de bar. En dan kunt ge uw leeggoed naar hier brengen.
- Ah en wat doet gulder hier dan?
- [keuze van antwoorden, met inspiratie van het moment]
- Wij zijn eigenlijk gewoon decor.
- Dat is hier een sociaal project.
- Wij zijn van de beschutte werkplaats.
- Ge kunt hier altijd terecht voor een goed gesprek (of: boekentips, goeie series, opinies over dinosaurussen, ideeën voor recepten, investeringstips, …)
- Hier kunt ge uw bekers brengen als ze leeg zijn, en geef ik u daar geld voor.
Of
- (zeer verwarde blik, wanhopig rondkijkend) Euh hoe werkt dat hier eigenlijk?
- Vooral op vrijwilligers / Redelijk goed, bedankt, en bij u?
- Jamaar wat is hier de bedoeling eigenlijk?
- [terug naar antwoorden hierboven]
Of de Hollanders, waar ik weiger ook maar een woord of lettergreep toe te geven aan hun taalimperialistische neigingen: blijven spreken over leeggoed en over een bankkaart in de plaats van –horribile dictu– pinpas, nee maar serieus.
Of de Fransozen die ik dan wel in het Frans aanspreek want we zijn tenslotte in Gent, en de mensen uit allemaal andere landen die echt helemaal verward zijn over wat dit allemaal is.
Of de zatte en alsmaar zatter wordende mensen waar geen zinnig gesprek mee mogelijk is toch vriendelijk maar kordaat op weg zetten en deëscaleren voor zot.
Of die paar idioten die écht ambetant doen zo rap mogelijk weg krijgen door gewoon toe te geven — sorry, ik kan alleen via de bankkaart, niet in cash — nee mevrouw, ik heb géén twee euro van uw bankrekening gehaald, kijk, hier staat het: ik heb u drie euro gegeven, maar het kan zeker zijn dat het er niet direkt op staat, dat kan een paar dagen duren soms — oh, het spijt mij dat dit de slechtste ervaring van uw leven was en dat het uw eerste en laatste keer is — ja mevrouw — mevrouw, hier is vijf euro cash, is dat OK? — u zal een boze brief schrijven? — sorry dat het hier niet zo leutig was, maar ik denk niet dat ik u méér kan helpen dan dit — ik weet het mevrouw, maar er staat een man of vijftien achter u die ik ook graag zou helpen — het spijt me echt, en toch hopelijk nog ne goeien avond mevrouw.
Maar zo’n mensen waren in totaal letterlijk op de vingers van één zelfs redelijk verminkte hand te tellen, op negen dagen tijd en ik wil niet weten hoeveel duizenden mensen in totaal.
Het publiek is over het algemeen zeer — verbazend zeer — postief en happy. Misschien zelfs iets té happy, maar dat is dan misschien mijn slecht karakter dat in mijn achterhoofd de hele tijd blijft zeggen dat als ons thema “buiten is het miserie maar bij ons zijt ge veilig” is, er misschien wat meer zou mogen getoond worden van die miserie, en dat het misschien een béétje minder comfortabel zou mogen zijn.
De cognitieve dissonantie bijvoorbeeld van enerzijds het kinderhospitaal waar naar jaarlijkse heerlijke traditie kinderen wonden worden aangebracht en vingers afgekapt, en anderzijds dingen als dit is mij bij momenten té schrijnend:








