Ik maakte vorige week een AI-dweper mee. Ik vind dat hard irritant.
Ik maakte een paar dagen geleden een AI-hater mee. Ik vind dat zo mogelijk nog irritanter. De drogredeneringen, het hysterisch gekrijs, de emotionele bagger en de overdrijvingen — even pijnlijk als inhoudelijk zwak.
Er zijn stapels redenen om sceptisch te zijn: de klimaatimpact, schimmige zaken rond intellectuele eigendom, de fundamentele luiheid van mensen die kritiekloos aanvaarden wat ze te horen krijgen — maar bekijk het als gewoon een tool, en wat een fantastische zaak is het toch allemaal.
Ik zie gelijk vier dingen waar mensen plezier uit halen als ze iets maken: het idee hebben, het idee uitwerken, het ding zelf maken, en het eindresultaat. Schematisch vroeger in de prehistorie van software maken, zag dat er zo uit:

Kijk nu, ’t is een watervalmodel!
Meer moderne mensen maken daar dan een iteratief ding van en dat ziet er dan naiefgewijs zo uit:

De realiteit zag het er in tijdsspenderen bij mij meestal zo uit:

Maar als ik kijk waar ik mijn plezier uit haal, is dat meer iets als 5% het idee hebben, 80% analyse en nadenken en iteratie en uitleg hoe het moet werken, 2% het maken, en wat er overschiet het eindresultaat zien en tonen aan mensen in mijn onmiddellijke omgeving:

Als ik iets programmeer met de hulp van AI, ziet het er niet uit zoals hierboven, met allemaal balken werk waar ik wéét dat het kan, maar dat ik moet zoeken en typen en testen en doen, maar wel zo:

Op de tijd dat ik één ding uitwerk, kan ik een hele reeks dingen maken. Zonder vloeken op mezelf. Wel met een beetje vloeken op de AI, maar dan vooral ook: mijn eigen opdracht zo klaar mogelijk uitleggen, zoeken op oplossingen en manieren om dingen te laten werken, niet zoeken op de syntax van commando’s of details van implementatie.
Zo moet het zijn: het domme werk door de AI, het nadenken door de mens met hulp van de het ding.

