close up shot of a jellyfish

Le mental wil gelijk niet meer goed mee, de laatste tijd. Ik loop gelijk de hele tijd rond met het gevoel dat er iets zeer hard gaat mislopen, één dezer dagen of weken of maanden. Ik weet niet wat, ik weet alleen dat het gaat gebeuren.

Niet dat er een specifieke aanleiding voor is of zo, ’t is gewoon zo’n veralgemeende sense of impending doom.

Eén klein ding dat mij meer stoort dan ik dacht dat het mij zou storen, is dat ik naar een Specialist Ter Zake ben gegaan, dat die allemaal testen heeft gedaan, en dat die mij vertelde dat ik een probleem heb met mijn kortetermijngeheugen.

Ge zoudt denken dat weten dat er iets is, beter is dan het aan andere dingen toeschrijven. Of dat gezegd worden dat er écht iets verkeerd is, een geruststelling is. Neen dus. Ik zie ze overal, mijn geheugengaten:

  • Ik had een stuurgroepmeeting. Ik had mijn gsm mee. Ik ga na de meeting twee verdiepingen naar beneden, steek mijn gerief in mijn fietstas, bedenk dat ik een foto wil nemen en vind mijn gsm niet. Waar is gsm? Had ik hem mee naar beneden? Geen idee. Terug naar boven: geen gsm. Heb ik mijn gsm ergens anders gelegd? Geen idee. In het WC misschien? In de keuken? Nee, geen van beide. Fuck it, geen flauw idee waar.
    Dan maar onverrichterzake terug naar beneden, en par acquit de conscience toch nog eens overal kijken, ook waar ik weet dat hij niet kan zitten: gsm blijkt in fietstas te zitten. Kak.
  • We gaan ’s middags met collega’s eten. Er zat al iemand aan het tafeltje, manifest een collega. Hij weet wie ik ben — ik weet voor de dooie dood niet wat zijn naam is, wat hij doet, waar ik hem van ken. Blijkt: ’t is eigenlijk een echt naaste collega waar ik gelijk al twintig meetings mee heb gehad.
  • Ik ben een boek aan het lezen. Het ligt niet op één van de drie plaatsen waar ik een boek dat ik aan het lezen ben, verwacht te vinden — dus ben ik het boek kwijt. Er is geen manier ter wereld dat ik dat boek nog ooit ga terugvinden tenzij ik het toevallig tegenkwam.
  • Idem voor: mijn goeie vulpen, mijn Kindle Scribe, mijn andere goeie schrijfstok, mijn laptoptoetsenbord, duizend dingen waarvan ik wéét dat ik ze ooit heb gehad, maar geen enkele manier heb om ze terug te vinden.
  • Ik heb een reeks medicamenten en Medische Hulpmiddelen nodig. Ik heb de medicamenten in een logische doos bij elkaar gestoken. De Medische Hulpmiddelen, daar had ik op dat moment geen doos voor en ook geen logische plaats; ik heb ze dan maar op een niet-logische voorlopig plaats gestoken.
    Toen één van mijn dozen Hulpmiddelen op was en ik een nieuwe doos moest opendoen, wist ik niet meer waar ze zaten. Onvindbaar. Ik heb dus een nieuwe voorraad gekocht. Ik heb eergisteren de oude voorraad per toeval teruggevonden (op schap 2 en 3 van mijn nachtkastje). Ondertussen ben ik de nieuwe voorraad kwijt.

Ik kon al een tijd al lachend zeggen dat het dementie was die aan het toeslaan was, maar de realiteit is: het is al mijn hele leven zo, al van op de lagere school. En nu ik weet dat het echt is en geen verstrooidheid of watdanook dat erger wordt, voel ik er mij slechter bij.

Begrijpe wie begrijpen kan.

Enfin bon. ’t Wordt wat werken aan de coping mechanisms. Tijd om nog eens alles dat in huis ligt te klasseren. Om alles een écht logische plaats te geven.

Misschien een database met foto’s aanleggen of zo, wie weet.

Oh en ook: fuck genetica. ’t Is allemaal geen cadeau.