Electric Sheep

Ik wist dat er een nieuw seizoen van The Orville aan kwam, en dus heb ik de eerste twee seizoenen nog eens herbekeken.

Het begint als een farce, een parodie van Star Trek, maar zelfs vanaf het begin — en zeker in het tweede seizoen — zit er zo veel hart in dat het veel méér dan een parodie wordt. Als het geen heiligschennis zou zijn, zou ik durven zeggen dat The Orville zich verhoudt tot Star Trek als Young Frankenstein ten opzichte van andere Frankensteinfilms: tegelijkertijd de beste hommage aan en misschien wel één van de beste in het genre zelf.

Waar het in het begin nog min of meer duidelijk is precies in welke afleveringen van TNG The Orville zijn mosterd haalt, komt de reeks op den duur helemaal in zijn eigen plooi. Blijft er wel slapstick in zitten, maar wordt het alsmaar beter en beter en beter.

Na de eerste twee seizoenen heb ik maar meteen aangesloten met aflevering één van het derde seizoen, Electric Sheep. De titel alleen al geeft te vermoeden dat het met Isaac te maken zal hebben, de robot aan boord. Die heeft, zonder al te veel te spoilen, in het midden van seizoen twee gruwelijke dingen gedaan, met de dood van enorm veel mensen tot gevolg. Even zag het er naar uit dat alle biologische levensvormen in het universum er zouden aan geloven — tot Isaac zelf de redding was.

Dat was in de enige tweedeler tot nog toe, Identity delen I en II, aflevering 8 en 9 van het tweede seizoen. Aflevering 10 gaat om met één van de gevolgen van die gebeurtenissen (vredesgesprekken tussen voormalige aartsvijanden); aflevering 11 is een ontroerende aflevering met een tijdscapsule; aflevering 12 gaat over identity politics. Aflevering 12 gaat over een tijdreis-iets dat grappig begint om uiteindelijk half in mineur te eindigen — en dan in aflevering 13 blijkt dat die halve mineur een volledig ander universum heeft gemaakt waar de gebeurtenissen van aflevering 8 en 9 helemaal anders eindigen en effectief bijna al het biologische leven er aan gaat.

Het komt uiteindelijk nog goed, en dat was dan het einde van The Orville. Tot nu dus.

Blijkt dat die drie jaar afwezigheid van het scherm er nóg een betere serie van gemaakt heeft. Wat er in Identity I en II gebeurde heeft wel degelijk gevolgen. Natuurlijk heeft het gevolgen. Isaac is écht een robot zonder gevoelens — niet in de haha-ik-snap-geen-woordspelingen-en-ik-zeg-altijd-I can not-in-plaats-van-I can’t-zin zoals Data in The Next Generation, maar gewoon echt nul gevoelens. Op een bepaald moment heeft hij beslist om heel de mensheid (en meer) uit te roeien, en dan later heeft hij beslist om dat alsnog niet te doen. Hij heeft daarbij géén gevoelens gekweekt, maar blijft altijd zijn rationele zelf.

Uiteraard is het moeilijk voor mensen aan boord om Isaac te vertrouwen. Natuurlijk zijn er mensen die hem haten om de ontelbare doden die hij heeft veroorzaakt. Zelfs, en vooral, mensen die hem daarvóór het meest graag zagen en het meest vertrouwden. Hij wordt gemeden, mensen willen dat hij dood was.

En dan pleegt Isaac zelfmoord in deze eerste aflevering op Disney+.

Do Androids Dream of Electric Sheep, vroeg Philip K. Dick zich af in het boek dat Blade Runner werd. Deze aflevering, wat de titel ook doet vermoeden, geeft uiteindelijk de boodschap dat neen, robots dromen niet. Zelfs in zelfmoord zijn ze rationeel.

Ik heb daar mijn twijfels bij. Ik vraag me af wat ze gaan doen met het vervolg van het seizoen.

Verder hoop ik twee dingen: (1) dat het niet altijd zo gespannen en somber zal zijn en (2) dat het voornamelijk-episodisch blijft, en dat ze er geen seizoenlang verhaal van maken.

En jawel: één serie meer die ik elke weer zal moeten bekijken.

Dit is de trailer van het derde seizoen. Ik ga hem niet bekijken want ik wil verrast worden, maar als het mensen over de schreef trekt om te kijken, à la bonne heure!

Beter dan verwacht

Het is moeilijk om positief ingesteld te blijven, als er een nieuwe Star Trek of Star Wars-serie of -film uitkomt. We weten allemaal dat het méér dan negen kansen zal tegenvallen, ook en vooral omdat de oude reeksen en films in ons hoofd zitten als “toen was het nog goed”.

Enerzijds: natuurlijk was het toen ook al voor een groot deel niét zo goed, en soms zelfs ronduit bagger. Anderzijds: het is absoluut waar dat het tegenwoordig vaak nóg veel cynischer is dan het toen was. Precies uitgekiend om bepaalde demografieën te bespelen, met mensen aan de stuurknuppels zonder echte voeling met wat Star Wars en Star Trek en scienfiction eigenlijk echt zouden moeten zijn.

Zouden moeten zijn volgens sommigen, bedoel ik dus.

Ik probeer altijd positief ingesteld te blijven. En dus slik ik mijn teleurstelling in bij het begin van seizoen twee van Picard en denk ik dat het ondanks een paar valse noten alsnog goed zal komen. En slik ik mijn teleurstelling in op het einde van seizoen twee van Picard en kies ik ervoor om alsnog de goede punten te onthouden. Net zoals ik in het verguisde derde seizoen van de originele Star Trek in de volgens velen slechtste aflevering ooit echt wel goeie dingen zag.

Pictured: (L-R) Celia Rose Gooding as Uhura, Melissa Navia as Ortegas, Ethan Peck as Spock, Bruce Horak as Hemmer, Anson Mount as Pike, Rebecca Romijn as Una, Jess Bush as Chapel, Christina Chong as La’an and Babs Olusanmokun as M’Benga in the official key art of the Paramount+ original series STAR TREK: STRANGE NEW WORLDS. Photo Cr: James Dimmock/Paramount+ ©2022 ViacomCBS. All Rights Reserved.

Star Trek: Strange New Worlds, daar moet ik zelfs niet zoeken of mijn best voor doen: het is onironisch, zonder enige twijfel, van begin tot einde uitstekend. Cast, verhaal, acteren, decor, cinematografie, alles. Ik heb de eerste vier afleveringen gezien en ik vond ze ronduit fantastisch. Anson Mount’s Christopher Pike is zeer snel mijn favoriete Star Trek-kapitein geworden, en dat wil bijzonder veel zeggen in een categorie waar ook Jean-Luc Picard in zit.

Elke aflevering heeft ons tot nog toe al meer backstory gegeven over individuele personages (Uhura is meer uitgediept in één aflevering dan in alle seizoenen en films van TOS, begot). Hemmer is een heerlijke typische grumpy mens in Engineering, ik kijk er naar uit wat ze met Nurse Christine Chapel doen (oorspronkelijk Majel Roddenberry, de persoon die –al was het via haar stem– in de meeste Star Trek-afleveringen heeft gezeten van alle acteurs), en ik ben in het algemeen ongelooflijk content dat het weer episodisch is, as opposed to één lange film over een twaalf of meer afleveringen uitgesmeerd.

Ik reserveer mijn finale oordeel nog tot het einde van het seizoen, om te zien wat ze daar doen, maar het zit echt enorm zeer goed.

Star Wars: Obi-Wan Kenobi daarentegen: tja. Ik wil het goed vinden hé, maar het zal toch wat meer zijn best moeten doen. Het transparante Chinese karakter voor de Chinese markt, Leia-is-de-nieuwe-baby-Yoda (maar eigenlijk Leia-is-een-irritant-wicht), ik moest wat zuchten. De aliens die soms echt gewoon veel te lui zijn gemaakt: serieus, een persoon die er als een stermol uitziet, waarvan de lippen niet bewegen, maar die wel de perfecte uitspraak heeft van iemand met lippen en een tong en tanden zoals de onze? Het verhaal, dat aaneenhangt van toevallige ontmoetingen en doorgetelefoneerde plots twists? Die keer dat een hele roedel slechteriken er bijna niet in slaagden een kleuter te vangen die meer trippelde dan liep?

En uiteraard is het hele concept, dat we allemaal weten waar een jaar of zeven later eindigt — Ben Kenobi een kluizenaar op Tatooine en even later een force ghost gemaakt door Darth Vader, Leia in de senaat en even later heel Alderaan vernietigd, geen spoor meer van de Inquisitors, Luke op weg naar jedischap — op voorhand al een domper op de hele onderneming.

(Ik kan niet de enige zijn die het een beetje akelig vind dat Ewan McGregor nu maar acht jaar jonger dan Alec Guiness toen die Obi-Wan speelde, denk ik trouwens.)

En toch, en toch: ik vind het niet zó slecht. En ik zie veel mogelijkheden om er iets goeds van te maken. Ik kijk er naar uit om (in het verhaal, niet op tinternet) te weten te komen wat Inquisitor Reva drijft, en ik hoop dat er iets van verzoening komt. De hele inquisitie trouwens, vraag ik mij van af hoe ze die gaan doen verdwijnen tussen nu en 1977. Ik vraag mij af of er een confrontatie komt tussen Obi-Wan en zijn vroegere padawan, en hoe ze daar alletwee uit komen, en hoe dat hun gevecht in 1977 zal hercontextualiseren. Ik ben benieuwd of we meer gaan te weten komen over machinaties in de senaat, of over de Sith.

Ik blijf er dus naar uitkijken, elke week. Een mens leeft op hoop.

Schimmel

Dus ik kijk naar één van mijn wilgen-in-een-pot en ik zie dit:

Onderaan en rechts en links gezonde bladeren (behalve dat ze aangevreten worden door smeerlappen van zaagwespen, grrr), maar in het midden en bovenaan: bladeren die aan het verdorren zijn.

Zeer vreemd.

Van dichter bij bekeken zie ik dat de stam gewoon kapot is. Niets aan te doen: ik neem mijn secateur en tot zover stam. 🙁

Ik dacht eerst dat er iemand tegen was gelopen of dat er een beest in zat of zo, en dat zou wel eens kunnen geweest zijn, maar toen ik die stam — die door en door droog was — in twee brak, zag ik dit:

Dat wit is, denk ik, een schimmel. Die er via een klein barstje of een wondje is in geraakt. Djutoch.

Het was niet eens de enige plaats waar dat aan de gang was, dus het zou wel eens kunnen dat het gewoon zomaar een schimmel is:

Djutoch. Dat is precies hetzelfde dat er (denk ik, opnieuw) gebeurd is met mijn Acer. Die is op het einde van vorige zomer gelijk 90% van zijn takken (en 80% van zijn stam) kwijtgeraakt aan een schimmel.

Pfeh.

Dienstmededeling

De tijd vliegt soms zó snel, ge kunt u dat niet inbeelden. Het lijkt nog maar gisteren dat ik van Adhese naar Namahn ging. En ik weet nog goed dat ik het toen bijna niet kon bevatten dat het al bijna acht jaar geleden was dat ik van Namahn naar Adhese ging.

Ik heb toen een dikke vier jaar bij Namahn gewerkt — het is nu opnieuw een dikke vier jaar geworden, want binnenkort is er deze changement de décor:

Een jaar of tien Netpoint, bijna twee jaar Europacollege, in totaal een jaar of negen Namahn, en een jaar of acht Adhese. ‘t Is niet meteen jobhoppen, maar toch.

Naast vier jonge kinderen, die veruit de hoofdreden waren waarom ik twaalf jaar geleden besloot te stoppen bij Namahn, was er ook het consultantsyndroom: meestal te laat beginnen, en altijd te vroeg stoppen. Een consultant komt ten vroegste binnen als het probleem minstens al geschetst is (en dus mogelijk ook verkeerd geschetst). Een consultant vertrekt als zijn opdracht gedaan is — in mijn branche betekent dat meestal: als er ergens een omschrijving is van hoe het ding moet gemaakt worden.

Dat is nu absoluut niét de reden.

De laatste meer dan vier jaar heb ik namelijk de on-ge-loof-lijke luxe gehad met mijn collega Johan quasi-totaal embedded te kunnen werken bij Eurocontrol. Eurocontrol is een complexe organisatie, met complexe projecten. We hebben gewerkt aan RAD en aan Airspace, twee tools om allerlei vitale gegevens in de Europese luchtvaart te beheren. We hebben gewerkt aan de Crisis-toepassing, voor als er vulkaanuitbarstingen zijn of oorlog of andere calamiteiten. Aan DNP, dat elke dag zegt wat de luchtvaartsituatie is en hoe allerlei problemen opgelost worden. We hebben het concept uitgetekend en uitgewerkt van Flight, de nieuwe toepassing voor het beheer van vluchten, die onder meer gebruikt wordt door alle luchtvaartmaatschappijen die in Europa vliegen. We hebben hetzelfde gedaan voor Flow, de toepassing die gebruikt wordt door FMP’s en Towers, voor onder meer de coördinatie van luchtverkeersleiding.

We hebben het voorrecht gehad om als UX architect te kunnen werken aan het hele concept van Design Thinking bij Eurocontrol, en aan een allesoverkoepelend design system. We waren betrokken bij EHMI, CHMI, n-CONECT en iNM — vier generaties van enorm grote alleroverkoepelende frameworks, die ettelijke decennia technologie omspannen. Ik heb er met een stapel, een stapel fijne mensen gewerkt — László, Benoît, Andy, Gregory, Habone, Laurie, Emmanuel, Michael, Marcel, Benjamin, Emilie, Livia, Philippe, Hamis, Chris, Ioana, Alexandre, Raphael, Vicky, Serge, Yces, Dieter, Louis, Carlos, Claudia, Esmeralda, Koen, Victor, Zain, Nicola, Srdjan, Marie, Andrew, Hatice, Thierry, Tommy, Jean-Michel, Guido, Anastasiia, Pierre-Henri, Ece… het houdt gewoon niet op: PO’s, analysten, architecten, ontwikkelaars, gebruikers, experten, projectbeheerders, scrum masters, Grote Bazen — ik kan nog pagina’s lang doorgaan.

Samen met Johan bij Eurocontrol werken was zonder overdrijving het meest voldoening schenkende werk dat ik misschien wel ooit gedaan heb. We hebben half Europa afgereisd om observaties en interviews en gesprekken te doen in controlekamers waar normaal nooit iemand onbevoegd mag komen. We hebben jaren de helletocht van en naar Haren gemaakt (twee uur heen! twee uur terug!), en sinds Covid hebben we meer dan twee jaar aan een stuk letterlijk elke werkdag lief en leed gedeeld via Teams. We hebben getekend, vergaderd, gebrainstormd, gespecifeerd, overlegd, geworkshopt, geanaliseerd, onnoemelijk veel bijgeleerd, redelijk wat tanden geknarst, maar vooral veel fijn werk gedaan, en veel, véél gelachen.

Ik ga dat (en hem) zo verschrikkelijk hard missen, ge kunt u dat moeilijk inbeelden.

Waarom van werk veranderen, dan? Er zijn een aantal redenen.

Ik zat op een avond, zoals het een oude mens betaamt, rond te lummelen op Facebook, en er kwam een advertentie voorbij voor een job bij de Universiteit Gent. Ik klikte erop door omdat de job op het eerste zicht leek op wat ik al jaren doe, en ik benieuwd was hoe ze het omschreven en wat de vereisten waren.

Hoe meer ik las, hoe meer ik geïnteresseerd was. De omschrijving van het werk was precies wat ik het liefste doe: iets tussen conceptueel en praktisch werk, spreken met gebruikers en ontwikkelaars, binnen het haalbare een zo goed mogelijke oplossing bedenken, de ontwikkeling begeleiden, en er van begin tot einde bij zijn om het mee in goede banen te leiden.

Geïnteresseerd, maar naturlijk niet om meteen van werk te veranderen. Wél geïnteresseerd genoeg om te bedenken dat ik het mij altijd zou beklagen als ik niét eens zou spreken met die mensen. Gewoon, eens zien.

Ik had mij daar een beetje aan mispakt. De Universiteit, dat is natuurlijk net iets groter dan een gemiddelde KMO, en het was meteen van testen online en dan testen in ‘t echt bij een recruteringsbureau, en pas dán uiteindelijk ook van spreken in ‘t echt.

Die testen, we gaan daar ook eerlijk over zijn, waren vooral leutig dan iets anders, want ik ging daar met nul stress naartoe. Wegens ik héb al een job en ik ben niet op zoek, weetwel. En het gesprek in het echt, dat was ook met zeer weinig stress — ik zat in mijn hoofd nog met de modus van “gho ja we zien wel”. Ik heb het denk ik ook een paar keer gezegd, tijdens dat gesprek, dat ik geen werk zocht, en dat ik helemaal nog niet zeker was of ik wel ja zou zeggen als zij ja zouden zeggen.

Maar dan kwam ik thuis en besefte ik gelijk helemaal in één keer hoe écht graag ik dat werk zou willen doen, en dat het werk en de werkgever moeilijk dichter bij mijn droomjob en mijn droomwerkgever zouden kunnen zijn.

Ik heb de nacht na dat gesprek bijzonder weinig geslapen, zo hard zat ik er mee in. En toen ik een mail kreeg dat ze mij de job aanboden, heb ik alle mogelijke scenarios in mijn hoofd afgespeeld: ik héb werk, ik doe dat graag, ik heb het gevoel dat ik daar mensen ga in de steek laten en ik doe dat niet graag.

Uiteindelijk was het een collega die mij zei dat ik de zaken niet moest bekijken zoals ze op dit moment zijn, maar dat ik mij moest inbeelden dat we een paar jaar later waren. Als ik nu neen zeg, is er een risico dat ik het mij binnen vijf jaar ga beklagen?

Ja, natuurlijk. Uiteraard. Geen twijfel. Ik zou heel mijn leven blijven zitten met “wat als?”. Ik zou het mij morgen al beklagen.

En dus werd het ja, met veel goesting. En wordt het met veel spijt afscheid nemen van een hele stapel fijne collega’s — niet alleen bij Eurocontrol maar natuurlijk ook bij Namahn.

En uitkijken naar, zoals dat heet, Een Nieuwe Uitdaging. 🙂

Recent gezien

Behalve Stranger Things seizoen 4 deel 1 (ergens tussen 5/10 en 6/10) en het meer dan uitstekende Prehistoric Planet (11/10) heb ik recent ook nog gezien:

Outer Range. Het is koboïs zonder idianen, en het is ook wel wat science fiction. Een minuscuul klein beetje in de zin van Stranger Things, een iets minder klein beetje in de zin van Dark, dat ook al zo’n uitstekende serie was met veel realisme en eigenlijk maar incidenteel sciencefictionelementen.

Veel meer zeggen zou niet goed zijn, denk ik. Het is wel uitstekend, met bijzonder fijne acteerprestaties van onder meer Josh Brolin. En ik kijk uit naar het vervolg, wegens geëindigd op een beetje van een cliffhanger.

The Lincoln Lawyer. Tgoja. Een advocatenserie zoals er wel meer advocatenseries zijn, maar dan wel met sympathieke mensen en degelijk gemaakt. The Lincolnadvocaat uit de titel heet zo omdat hij zijn praktijk vanuit een reeks Lincoln-automobielen voert. Er was eerst een film, er is nu een serie. De serie is aangenaam om naar te kijken. Niet om van omver geblazen te zijn, maar wel aangenaam.

Descendants of the Sun. ‘Korea’ en ‘oorlog’ waren de tags die er in mijn opvolgsysteem aan hingen, en dat is het dus. K-drama, over mensen in oorlogen. VN-troepen, heb ik de indruk, want zo enorm veel echte oorlogen doet Zuid-Korea niet op zijn eentje. Kang Mo-Yeon is een spoedgevallenarts. Ze komt Yoo Shi-Jin tegen en de vonken spatten er af, maar als ze hoort dat hij in de Special Forces zit, vraagt ze zich af of ze wel een toekomst zouden kunnen hebben.

En dan wordt Shi-Jin naar Uruk gestuurd, een vaag Grieksachtig Europees land waar een burgeroorlog aan de gang is. En –ding ding!– Mo-Yean gaat ook naar daar, als vrijwilligster-arts. Het onvermijdelijke gebeurt, uiteraard. Spanning en avontuur, lichte humor, en verder eigenlijk wel sympathieke mensen die op een redelijk realistische manier met elkaar interageren.

Ik vond het geen serie die ik zou herbekijken of eigenlijk zelfs aanraden. Absoluut niet slécht hé, maar net niet serieus genoeg, net niet humoristisch genoeg, te middle of the road. Vind ik. Anderen vinden het ongelooflijk fantastisch goed en van het beste dat ooit uit Korea is gekomen, ik zeg het maar.

Stranger Things, seizoen 4, deel 1

Zeer vreemd, zo’n reeks met acteurs van dertig-going-on-zeventien.

Serieus, ik wéét dat Millie Bobby Brown net achttien geworden is, maar ze ziét er zeker tien jaar ouder uit:

..en ze word verondersteld een meisje van 14 te spelen?

Ah well.

Verder: bwof. Het is niet slécht, maar het is zeer ver van goed. Run of the mill jaren-1980-videotheek-horrorfilm, met een groter budget en een Russisch subplot, dat er even goed niet had kunnen zijn.

Met een verhaal dat zó dun is, dat het in de jaren-1980 ruim in een film van anderhalf uur had gekund, in plaats van nu 8 uur en 55 minuten.

De ontknoping, of beter, de tussentijdse ontknoping (want er komt nog een deel twee van seizoen vier, en daarna nog een seizoen vijf), was zó hard een doorgetelefoneerd cliché dat ik alleen maar kan vermoeden dat het de bedoeling was.

Jaja, ik kijk naar het vervolg. Maar met lange tanden.

Den hof, status update 3: potten

Wacht wacht, vóór ik het over potten heb: ik had vandaag deze juffrouw op mijn vinger.

Jazeker: ‘t is een sluipwesp. Niet het minste idee welk merk, maar als ik het goed heb, dient die enorm lange legboor om eieren te leggen in beesten die in hout rondwurmen. Larven van kevers en zo.

Terug naar potten. Vorig jaar heb ik een reeks grote potten gekocht om tomaten in te kweken. Dit jaar gebruik ik die potten om zo nu en dan dingen in te zetten, en ook wel om te zien wat er in overleeft. Dit is pot één:

Om de zoveel tijd koopt Sandra een pot tijm, als er iets met tijm moet gemaakt worden, en dan staat die pot in de weken en maanden erna gewoon dood te gaan in de keuken. Ik had daar geen goesting in, en dus heb ik de plant in de pot gezet. Het plantje erachter is appelmunt, die stond te verpieteren in een andere (veel kleinere) pot op het terras. Ook dat kon ik niet meer zien. Onderaan een kleine wilg die zichzelf uitgezaaid heeft, en linksboven daarvan iets onbestemd dat wellicht zeer giftige zwarte nachtschade is.

Pot twee:

Achteraan staan twee van een zekere dood geredde basilicumplantjes (alhoewel ze het ook hier niet echt goed doen, en ja ik weet dat ze niet in volle zon zouden mogen staan, en ja ze krijgen elke dag water van onderaan). En vooraan links een vlinderstruik, één van de vele die zichzelf uitgezaaid had.

Pot drie is misschien wel mijn favoriete van de drie:

Er staat ook een vlinderstruik in, maar ik steek er ook de stukken mos in die de vogels elders in den hof lospikken (bijna zeker Saxifraga en Selaginella). En er hebben zich allemaal dingen in uitgezaaid: linksonderaan twee kleine geraniums, en verder ook nog Veronica en Ambrosia en Bowlesia. Bijzonder benieuwd wat het zal worden.

In drie andere potten staan er gewoon bomen. Een esdoorn en twee verschillende soorten wilgen. Voorlopig doen die het allemaal redelijk goed — de esdoorn nog het beste van de drie. Ik moet voor de wilgen wel voortdurend op post zijn om de zaagwespen ervan te halen:

Het is niet bijzonder evident, die potten. Ze drogen veel rapper uit dan volle grond, en ze moeten dus voortdurend water krijgen. Weinig garantie dat alles overleeft, maar hey. We zullen wel zien.

Den hof, status update 2: beesten

Elke dag, soms meer dan eens per dag, ga ik naar de lavendel om er de rozemarijngoudhaantjes van te plukken. Handenvol.

Er is helaas niet veel aan te doen wegens geen natuurlijke vijanden hier, behalve mij dus.

De rozemarijn heeft er voorlopig géén last van, maar de salie helaas wel. Hij stond een beetje in bloei, en er zat verdomme een keer op de bloemen, en een andere op een blad:

Ik pluk de beesten, en dan ga ik naar de straatkant en dump ik ze bij een boom, waar ze ongetwijfeld van honger gaan doodgaan. En dan neem ik in het terugkeren lieveheersbeesten mee: er is een camion voorbijgekomen in het begin van de week die een tak van de boom voor ons huis heeft gereden, en die tak zit vol lieveheersbeesten, in allerlei stadia van ontwikkeling.

Ik zet ze dan in de buurt van de rozelaar, die normaal gezien het meeste last heeft van bladluizen — de rozelaar die het dit jaar trouwens absoluut niet goed doet. Ik denk dat hij last heeft van de droogte. Of misschien is het wel iets anders. Ik hoop van ganser harte dat hij er uiteindelijk nog door komt.

Er zitten niet enorm veel bladluizen in de tuin in het algemeen, wat ik kies te interpreteren als een teken van een zeker soort evenwicht. Kijk, dit is waar er zitten, op de joge takken van de bomen:

En jazeker, verdedigd door mieren, maar: ook hele stapels geparasiteerd door sluipwespen. Yay!

Er zijn hier en daar al wat spinnen, maar ‘t zijn vooral de hooiwagens die opvallen, want die zitten echt wel overal:

Heel erg spijtig: het deksel van de kattenbak, dat al sinds jaar en dag vol met water stond en dus een bijzonder interessant ecosysteem was, is achter mijn rug uitgegoten en ligt nu vol met leeggoed voor de glasbak. Awoert!

Het enige stilstaande water dat er nu nog is in den hof, is een emmer met regenwater die in de loop van deze week gevuld is geraakt, en die ik zorgvuldig zal aanvullen als hij lijkt op te drogen. Want ik heb wel goesting om te zien wat er in dat water gebeurt. Vandaag zitten er alvast allemaal rattenstaartlarven in.

Dat zijn de larven van zweefvliegen, die nergens kwaad aan doen. Hieronder ziet het er uit alsof ze de dooie naakte slak aan het opeten is, maar dat doen die beesten dus niet, ‘t zijn vegetariërs.

Den hof, status update 1: ex-kruiptijm

Het zijn dingen, een hof hebben. Ik heb gedegen onderzoek gedaan naar wat er theoretisch goed zou moeten groeien en dan na overleg met een meer dan degelijke tuinarchitect die dingen geplant.

En dan komt de natuur ten tonele, en is het poerdroog en hittegolf in de zomer, en dan zeiknat en nog zeiker nat, en dan weer hittegolf gecombineerd met moerasomstandigheden in de zomer en een zwembad in de winter en aargh.

Het probleem is: we hébben zoveel mogelijk drainage in den hof, met zond en stabilisé en stenen en alles, en daar dan goeie grond boven — maar we leven nu eenmaal in de Waterwijk, waar het zó al drassig wordt op 20 minuten onder de oppervlakte, en tja.

Ik heb twee keer nieuwe en/of bijkomende kruiptijm geplant, en die heeft het telkens een jaar goed gedaan tot het weer een moeras was in de winter. Dit jaar heb ik een totaal andere strategie: ik ga niéts bijplanten en zien wat er gebeurt. Een jaar of twee aan een stuk, als het moet.

Dit is de stand van zaken, van boven bekeken:

Tja. Daar in het midden, waar het rond deze tijd twee jaar geleden een prachtige zee van groene kruiptijm was met kleine witte bloemetjes, is het nu een patchwork van hier en daar een plantje kruiptijm dat nog een klein beetje overleeft, hele stukken ondertussen uitgedroogd levermos en echt mos, en verschillende ander soorten “onkruid”.

Ik zeg “onkruid”, ik bedoel “planten die niet dood te krijgen zijn en die een mens normaal niét in zijn hof wil zien”. ‘t Is te zeggen: dingen die het misschien wél zouden kunnen uithouden.

Dit is een foto van een plaats waar er nog wat kruiptijm leeft en wat levermos, en verschillende soorten ander mos:

Kruiptijm met begot zelfs bloemen op, en vruchtlichamen (vermoed ik toch) op het mos, klaar om te zaaien:

Het komt er eigenlijk op neer dat ik de dingen laat staan die normaal gezien op Google alleen gezocht worden in combinatie met “verwijderen” of “bestrijden”. “Levermos verwijderen”. “Klaverzuring bestrijden”. “Mos verwijderen”.

Klaverzuring, specifiek, is enorme vuiligheid: dat heeft verschrikkelijk diepe wortels, dat heeft uitlopers die zelf ook wortel schieten, het schiet zijn zaad overal naartoe. Maar ook: het is mooi van kleur (van lichtgroen tot dieppaars afhankelijk van de soort), het bedekt de grond, het heeft mooie witte of gele of roze bloemetjes.

De muurleeuwenbek die ik absoluut in de tuin wou hebben en die ik een paar jaar aan een stuk maar niet kon doen groeien (ondanks voorzichtig zaadjes bij elkaar borstelen van aan de straatkant van het huis en ze dan in hoeken en kanten steken tegen de muur in tuin), en waar ik dan maar ten einde raad een zakje zaad gekocht heb en gezaaid, die blijkt drie jaar later onuitroeibaar en vreselijk woekerend te zijn. Waar ik niets tegen heb: om de zoveel tijd trek ik gewoon hele handen vol uit, en een week of twee later staat het er gewoon weer.

Dat geeft dan dit. Plukjes nog niet helemaal gestorven kruiptijm, waarvan we binnen een paar maand zullen zien wat het doet. Mos en levermos. Muurleeuwenbek. Klaverzuring. En ga het gewoon laten doen.

Niet eens gemiddeld

Het was een fijne quiz vandaag, met fijne mensen, in de Vooruit. Of is het de viernulvier? Of de viernulvier in de Vooruit?

We zaten op de één of andere manier nog altijd in poule twee, ondanks het minder dan uitstekende resultaat de vorige keer, en ‘t was ahem ja. We zijn derde geworden. Van poule twee. Te goed voor de gemiddelde score, niet goed genoeg om de poule te winnen.

Maar hey, we hebben ons geamuseerd, en meer dan dat moet het niet zijn.

In Moore-dubio

Ik krijg om het kwartier deze reclame op Facebook:

En ik ben nu al heel de tijd in dubio: ga ik 99 euro uitgeven om die cursus te volgen? Ik houd van Alan Moore, die er in geslaagd is om decennia aan een stuk geniale dingen te schrijven en zijn eigen fijne norse zelve te blijven.

Mijn familie wist niet zo direkt wie de man was, behalve dat hij er als Dumbledore uitziet. Dat is natuurlijk wel waar, en Moore is ook wel met magie bezig natuurlijk. Ik schoeberde in de rapte een stapeltje comics bij elkaar van een schap in de buurt en ze moesten wel toegeven dat inderdaad, het ze wel iets zegt:

Grr. Ik heb echt goesting om die cursus te kopen. Maar ‘t is wel veel geld. En ‘t is het einde van de maand.

Misschien in het begin van volgende maand misschien.

Simpel eten

Soms is het simpelste eten het beste. Ingrediënten vanavond: zalmmoten, houtsnippers, asperges, boter, eieren, citroensap, water, zout, peper.

Peper en zout op de zalm, houtsnippers (van oude Jack Daniel’s whiskeyvaten, maakt de zak ons wijs — voor ‘t zelfde geld is het hout dat ooit in de buurt van een whyskyaroma gelegen heeft, natuurlijk, maar het riekt wel goed) in de rookoven, in gang zetten.

Asperges schillen en in de stomer zetten.

Eierdooiers en een geperste citroen en een beetje water en zout op een zacht zacht vuur kloppen als was het sabayon, en dan een heel pak boter stukje bij beetje inkloppen.

Asperges wat opbakken in boter.

Hopsa, klaar!