Pieter heeft het over de analoge kloof, en dan bedoelt hij dat mensen die opgegroeid zijn in de digitale wereld het moeilijk hebben met dingen als kleefbriefjes bij de apotheker, of formulieren die nog moeten uitgeprint worden en met de hand ingevuld.
Mja. Mja.
Zo heb ik er ook nog wel een aantal: waarom moet ik bewijzen dat ik echt een abonnement heb op de trein, als de controleur met een draadloos toestel kan nakijken of ik er één heb? Of waarom moet ik een belastingsformulier invullen als de staat toch al zowat alles weet?
…maar de échte analoge kloof, die kom ik tegen in interacties met mensen. En het is geen verschil van al dan niet kunnen met de computer werken, het is een generatieverschil.
Mensen die na 1980 geboren zijn, kunnen zich vaak geen wereld meer inbeelden zonder internet. Zij denken niet eens meer in termen van digitaal versus analoog: een computer is gewoon een venster op het internet. En het internet (of: Facebook, Netlog, MSN, spelletjes.be, whatever) is gewoon een onderdeel van het leven.
Eerst huiswerk maken en dan buiten spelen? Nee: multitasken is een onderdeel van het leven, huiswerk maken met een IM-venster open, mail in een ander venster, muziek uit een derde.
Een brief sturen en wachten op een antwoord? Vergeet het, dat is de twintigste eeuw: mailen (of beter: IM, of Facebookmessage) en meteen een antwoord krijgen.
Neem een eenvoudig voorbeeld: communicatie met een begrafenisondernemer. De man komt langs voor een gesprek waar een aantal keuzes gemaakt worden, en verder verloopt quasi alles via mail.
Behalve dat het niet echt loopt, maar eerder kruipt. Ik stuur een mail met een tekst, daar gaan zes uur over voor er een antwoord komt. Ik stuur tien minuten na het antwoord mijn antwoord. Drie minuten later nog een correctie, en vijf minuten laten nog één.
Vijf uur later: een telefoontje. Of ik al tijd had gevonden om de tekst na te kijken. Euh ja: ik had meteen gereageerd. Oh, per mail? Ah ja, ik heb mijn mail nog niet nagekeken.
Een uur of twee later reactie, waar ik vijf minuten later op reageer. De dag erna ergens krijg ik een telefoon terug. En ondertussen heb ik —heel erg letterlijk— uren aan een stuk zitten refresh duwen in GMail. Omdat het écht belangrijk was.
Het heeft niets met ongeduld te maken, maar alles met onmiddellijkheid. Als het antwoord niet meteen kan, dan moet er minstens onmiddellijk een antwoord komen dat er geen onmiddellijk antwoord komt.
Mensen van pakweg na 1980 leven in een wereld waar verandering de regel is, niet de uitzondering. Waar er geen hiërarchie is, of beter: waar structuur bottom-up gecreëerd wordt, niet top-down.
In een bedrijfscontext — en dan spreek ik over grotere bedrijven of overheden, niet over kleine KMO’s — is dat een huizenhoog probleem. De overgrote meerderheid van de beslissingsnemers is van een oudere generatie, en die kan daar door de band moeilijk mee om.
Het zit in kleine dingen soms: vergelijk een typische Outlook-mailbox (oude generatie) met een typische GMail-mailbox. In Outlook probeert de oude generatie met alle macht (automatische regeltjes, folders en subfolders en subsubfolders, kleurtjes, labels, vlaggetjes) een structuur op te leggen. In GMail komt alles op één grote stapel, en vinden we het wel terug door te zoeken.
De oudere generatie wil hebben (MP3’s op mijn computer zetten) en controleren (alles in foldertjes), de nieuwere generatie kan leven met vinden (muziek beluisteren op Youtube of Last.fm) en ontdekken (links volgen en serendipiteit — verras me).
Een ander probleem heeft met een dooddoener van formaat te maken: technologie verandert alsmaar sneller tegenwoordig, meneer.
Voorbeeld, vorige week meegemaakt: drukproeven. Er moesten kaartjes gemaakt worden, en we hadden specifieke eisen — nog zo’n typisch generationeel iets trouwens: niet content zijn met standaardformaten. Vooraan een aflopend beeld, binnen tekst in een bepaald font, achteraan tekst in twee kolommen.
De “drukker” (ik gebruik de term zeer losjes, tegenwoordig is iedereen die een iets-beter-dan-standaardprinter en een snijmachine heeft blijkbaar drukker) heeft een website waarop “drukproeven” (ik gebruik de term zeer losjes, tegenwoordig zijn lageresolutie screenshots van PDF’s blijkbaar ook al drukproeven) staan.
Vernieuwend! (vijf jaar geleden toch)
Een eerste proef staat er zeer snel op, maar die bevat enkel mijn foto en een lege achterkant met “copyright NaamVanDrukker” erop. Niét goed, dus. Mail om uit te leggen wat er moet gebeuren. Urenlang geen antwoord, uiteindelijk telefoon: als de tekst in twee kolommen moet, dan lukt dat niet want “dan moet het in zeven punt mijne jong en dan is da nie meer leesbaar”.
Of ik een PDF kan doorsturen die zijn dan gewoon as is kunnen afdrukken? “Zeker da mijne jong doe gij maar da kom in orde zo mijne jong.”
Ik mail een PDF. Geen antwoord gedurende uren, uiteindelijk mail met “drukproef” (niet meer op de website), waar ze blijkbaar de tekst zelf hertypt hebben, en er één kolom in 9 punt staat, de andere in 10 punt.
Afijn, lang verhaal kort: er zijn zeker zes telefoons aan te pas gekomen, een stuk of tien mails, drie verschillende partijen, en uiteindelijk heb ik de laatste “drukproef” niet eens meer gezien.
Die drukker heeft nu wel zo’n website-met-drukproeven, maar echt werken doet dat niet. Vijf (of tien!) jaar geleden stond hij wellicht op de technolgische vernieuwingsbarrikaden, maar nu loopt hij hopeloos achter — ik vermoed dat die “drukproeven” eigenlijk manuele screenshots zijn die dan naar een zelfgebrouwen “content management systeem” moeten gestuurd worden, en dat het eigenlijk meer last dan gemak is. Niet verwonderlijk: die mens —gespecialiseerd in bidprentjes en doodzantjes— zit natuurlijk helemaal gewrongen: ergens tussen echt digitaal en niet echt digitaal, en moeten omgaan met mensen die eigenlijk vaak nog analoog zijn.
Maar het punt is: technologie gaat sneller dan veel bedrijven, en zéker sneller dan grote bedrijven (of veel overheden). Waar vroeger innovatie uit de bedrijfswereld kwam (electrische typmachines! kopieertoestellen! fax! draagbare telefoons! internet! e-mail!) en percoleerde naar de persoonlijke levenssfeer, gebeurt nu precies het omgekeerde.
In een puur digitale wereld persoonlijke wereld zijn de grote problemen opgelost. GMail voor massal grote hoeveelheden mail, Google Documents om eenvoudige documenten met veel mensen samen te bewerken, MediaWiki voor handleidingen en wat meer gestructureerde data, Drupal of andere voor content management, Vimeo, Youtube, Slideshare, Google Talk, Skype, YouSendIt, Facebook, Doodle.ch et les autres: voor zo ongeveer elk probleem is er wel een degelijke oplossing.
…maar probeer dat eens over te zetten in een bedrijfscontext?
Hoeveel grote bedrijven werken er nog met centrale fileservers, waar dan duizend versies van allerlei documenten in een woud van folders en subfolders zitten? raadvanbestuur_juli2009.doc? raadvanbestuur_juli2009_finaal.doc? raadvanbestuur_juli2009_opmerkingenJan.doc? raadvanbestuur_juli2009_definitief.doc? raadvanbestuur_juli2009_definitief-kopie.doc? raadvanbestuur_juli2009_echtdefinitief.doc?
Hoeveel bedrijven slagen er niet in om—vaak enorm confidentiële—documenten te delen met andere vestigingen of met externen, en zetten het dan maar op Google Docs? Hoeveel grote bestanden geraken niet door de interne mail en worden dan maar via YouSendIt of GMail verstuurd?
Hoeveel managers worden er horendol van dat hun jongere personeelsleden geen enkel respect meer hebben voor structuren en hiërarchie? Hoeveel jongeren personeelsleden lopen de muren op van het totaal gebrek aan flexibiliteit van “de bazen” en de compleet belachelijke manier waarop tijd en middelen verspild worden aan nonsens?
En in tegenstelling tot pakweg tien of twintig jaar geleden, leggen de mensen die gefrustreerd lopen op het werk, zich steeds vaker niét meer neer bij de situatie. Ze blijven niet bij de pakken zitten: ze hebben interne (e-mail) en externe (pakweg Facebook) communicatiemiddelen, én ze zijn veel mondiger geworden.
Het is echt boeiend om zien, hoe het er in de bedrijfs– en overheidswereld aan toe gaat, tegenwoordig. Want ze zitten allemaal met dezelfde problemen.