Het eerste onkruid

Ik heb gisteren al een beetje, en vandaag opnieuw, onkruid gewied in den hof.

Klein, klein onkruid. Het zou ongetwijfeld gemakkelijker geweest zijn als ik gewacht had tot er meer dan twee minuscule blaadjes op stonden, maar het stond al zó vol, dat ik er maar niet mee gewacht heb.

En verder heb ik al in de ligzetel gelegen die er staat, en onder de parasol gezeten op een stoel aan de tafel die er staat.

Een groot gemak, een hof. Een groot gemak.

Voorlaatste dag

Nog één dag werken en het is weer even vakantie. En Gentse Feesten.

Ik ga enorm graag op vakantie, maar op een andere manier zou ik ook heel graag (en nog wat intensiever) werken bij de klant waar ik vandaag was. Het waren belangrijke vergaderingen, de hele dag lang vandaag. En er is allerlei beslist, waardoor we nu eigenlijk op een tweetal nieuwe platformen gaan moeten werken (en er was er al een nieuw op komst). En nieuwe platformen ontdekken is altijd leutrig, vooral als ze u waarschuwen dat het een afgrijselijk platform is.

Ik heb iets voor dingen die niet perfect zijn. Voor dingen die slécht zijn, zelfs. Ik vind het enorm wijs om zo goed mogelijk werk te doen met slechte tools, of dingen te maken met tools waarvan het het eigenlijk niet de bedoeling is om ze daarvoor te gebruiken.

Een beetje zoals deze mens:

Niet dat ik mij daar (in de verste verte!) mee wil vergelijken, maar een ding maken waarvan mensen zich afvragen waarmee is dat gemaakt: heerlijk.

Ah, en ’t was briefing van Batastunt vandaag. Veel afgelachen. En veel uitkijken naar binnen drie dagen. 🙂

Vertraging, en Bijna Batastunt

Ik was vanavond later thuis dan anders, wegens een persoonsongeval in Gent Dampoort.

Dat gebeurt dus echt serieus veel te veel, als het sinds de examenperiode de derde is die ik persoonlijk meemaak op de treinreis van Brussel naar Gent. :/

We hebben een tijd stil gestaan, en dan is de trein uitzonderlijk naar Sint-Pieters gegaan. Er zouden bussen aan de voorkant van het station staan, maar blijkbaar is de voorkant tegenwoordig niet meer de voorkant, want ik heb geen NBMS-bussen gezien. Dan maar de normale bus gepakt naar de Dampoort, waar de politie en het parket en de ambulance en de brandweer nog aanwezig waren. En heel veel reizigers stonden te wachten.

Geen idee of er begeleiding was, nu de Dampoort bijna een spookstation is geworden (dank u, desinvesterende NMBS en Infrabel). Hrmpf.

In het naar huis gaan dacht ik: ik passeer eens langs de De Beersteeg, om te zien het het staat met Batastunt. En ziet! Op de hoek van de straat stond gewoon Gerard! Hij had zich vergist: hij dacht dat de Gentse Feesten vorige week al begonnen waren, en vond het al verdacht stilletjes in de stad. 🙂

We zijn samen naar het terrein gegaan, en ha! Het ziet er allemaal uit zoals ik het zou verwachten op een paar dagen vóór de Gentse Feesten: dat het wel in orde zal komen. Ik kijk rijkhalzend uit naar tien dagen onnozelheid, dit jaar.

Ah, en dan heb ik een simpel simpel databasetje gemaakt om records in te steken. Morgen eens zien of het gemakkelijk genoeg te gebruiken is (ik denk het wel, eigenlijk).

Verbouwingen: den hof: suite et fin

Een dag vroeger dan voorzien, lag plots dit voor onze voordeur:

De tuin, na bijna een week niet meer naar gekeken geweest te zijn, zag er zo uit:

…en als er daar verdacht veel groen in staat voor een tuin die nog moet aangelegd worden: yep! Allemaal (op de rozenstruik na) onkruid dat er op een paar dagen doorgekomen was.

Maar bon, het zal onder nog wat grond zitten, het ergste onkruid (zevenknoopachtige vuilaards) is er op het eerste zicht niét doorgekomen, en we gaan hoedanook elke onkruid moeten wieden. We leven in hoop.

Zo zag het er een beetje later uit, met grond aanwezig:

…en toen werden de planten gezet waar ze gingen komen:

…en nog wat later was alles geplant, en lag er zand op de stenen die we in de loop van de volgende dagen tussen de voegen zullen vegen:

De tuin is klaar! Nu nog een jaar of twee wachten om te zien hoe het allemaal uitdraait. 🙂

Vakantie! (7) – Bayeux

We gingen vandaag naar huis, maar we wilden nog één ding doen: het tapijt van Bayeux gaan bekijken.

We hadden voor één keer een redelijk strak plan: vertrekken rond kwart na 7 ’s morgens, dat we in Bayeux zijn iets na negen uur, dat we binnen zijn met ongeveer de eerste lichting mensen, vóór de toeristen in dichte drommen toekomen.

En dat is helemaal gelukt.

’t Is een beetje surrealistisch om een tapijt te zien dat bijna duizend jaar oud is, vooral als ge dan weet wat het allemaal meegemaakt heeft: opgerold op een soort katrol in de negentiende eeuw, gebruikt als afdak tijdens de Franse Revolutie en bijna in stukken gesneden om in een optocht mee te rijden, en dan nog eeuwen en eeuwen ongedierte en vocht en watnogallemaal.

En al die leutige details! Koning Harold! LAchende paarden! Willem op zijn paard! Stuikende vechters! Harold is dood! Afgekapte koppen! De komeet van Halley!

Het kleine museumpje is ook de moeite waard, trouwens, al was het maar omdat er een paar echt wel mooie maquettes staan. I’m a sucker voor mooie maquettes.

De kathedraal van Bayeux stond daar in de buurt, dus die zijn we dan ook maar gaan bekijken: een romaanse kern en daarboven gotisch (en ja, ook weer leeggemaakt in de Franse Revolutie en alles, trr). Geen idee welke stukken origineel romaans zijn en welke niet, maar er waren wel een aantal zeer grappige details.

…en dan zat onzze vakantie erop. En zijn we naar huis gereden. En morgen is het weer werk. En overmorgen wordt onze tuin aangelegd, als ’t God belieft.

Vakantie! (6) – Saint-Malo & Mont-Saint-Michel

Het plan voor vandaag was: we slapen op ons gemak uit, en dan rijden we op ons gemak naar Mont Saint-Michel, en we gaan daar naar de nocturne gaan kijken, het klank- en lichtspel ’s navonds.

Op weg naar daar kwamen we voorbij Saint-Malo, en Sandra zei dat iemand haar gezegd had dat dat de moeite waard was, dus hey, waarom niet?

Saint-Malo is iets raars. De stad ziet er een gewone lelijke stad uit, en dan is er plots een muur van waarachter allemaal min of meer gelijke huizen opduiken:

…en dat is het dan: een lange vestingmuur (bijna twee kilometer), en daarbinnen allemaal redelijk uniforme huizen, het ene naast het andere. In een andere setting zoudt ge er zo voorbijlopen, maar het doet echt raar, al die huizen op elkaar in dat kleine dorpje binnen die muur. En soms staan er ook gewoon koterijen tussen, weird.

We zijn eerst ergens in Saint-Malo gaan eten — niet echt spectaculair bij Sandra (iets van zeesla maar met gewoon scampi’s uit de lokale supermarkt, had ik de indruk), maar bij mij was het wél in orde: andouille de Guémené met een mosterdsaus en gebakken patatten en ratatouille. Yum, opgerolde darmen! En met een drinkbare cider erbij, ha.

Daarna zijn we de hele stad rondgelopen op de vestingsmuur, met in het begin nog een spannend moment wegens een babyzeemeeuw die vast zat op een platform en geen aanloop genoeg kon nemen om weg te vliegen (okay, geen baby, maar ook nog geen volwassen beest). We hebben er een tijd naar staan kijken, en het zag er niet naar uit dat het beest weg zou raken, dus heb ik het maar vastgestekt en op het muurtje gezet. Daar heeft het een tijd gezeten, en toen we een paar minuten verder waren, was het al helemaal naar boven geklommen. We kunnen maar hopen dat ofwel de ouder het gevonden hebben, ofwel dat het uiteindelijk naar ergens is geraakt.

…en dan dus de rest van de muur afgelopen. En serieus: wat een uitzicht aan de zeekant! De zee is bijna doorschijnend en er liggen allemaal eilanden en vestingen voor de kust, ’t is echt wel wijs. (Het was ook echt wel warm, zo met een zwart kostuum aan rondlopen.) (Maar dat geheel terzijde. Ik had niets anders van kleren mee.)

Na Saint-Malo in de auto gesprongen richting Mont Saint-Michel. Ik was eerst van plan om een ticket voor een nocturne te kopen, iets van klank- en lichtspel met een verhaal en alles, maar de bank werkte niet mee. Ik had mijn tiketten al gekocht en al wat ik moest doen, was mijn kredietkaartaankoop bevestigen, maar plots lukte het niet meer met mijn wachtwoord waarvan ik zeker ben dat het zeker juist is, en voor ik het wist had ik drie pogingen gedaan en waren betalingen met de kredietkaart via de app geblokkeerd, grrr.

Plan B was dat we naar Mont Saint-Michel zouden gaan om daar de tiketten te kopen, maar toen we daar waren, hebben we maar besloten om overdag te gaan kijken in plaats van ’s avonds.

Ook indrukwekkend, Mont Saint-Michel, maar miljaar zo toeristisch. We waren het niet gewoon, komende uit Bretagne, maar als Saint-Malo al een beetje tegenstekelijk toeristisch was, was Mont Saint-Michel echt belachelijk. Het begint al aan de parking, waar gelijk zestienduizend auto’s in kunnen. En dan zijn er speciale hightechbussen om naar de berg zelf te gaan, waar alles nog peis en vree lijkt aan de buitenkant:

…maar eens ge daar binnen zijt: oy vey. Jaren geleden moet het er enorm wijs geweest zijn, met middeleeuwse straten en huizen en alles. Tegenwoordig: allemaal toeristische zever. En druk! En brol! En arnaque! En had ik al gezegd: toeristen? Takkoord, wij zijn ook toeristen, maar toch.

…maar behalve dat: hoe meer we naar boven gingen, hoe rustiger het werd en hoe minder toeristisch, en op een immens irritante groep Hollanders na was het helemaal kalm in het klooster en de kerk helemaal bovenaan. (Kan iemand mij eigenlijk verklaren waarom Hollanders altijd zo luid spreken met elkaar? ’t Is gelijk dat die maar één stand hebben — spreken zoals een leraar zou spreken voor een volledige klas — en niet gewoon op normale toon met elkaar kunnen babbelen.)

En zeer, zeer indrukwekkend, jazeker.

Het enige is: hoe hoger ge geraakt, hoe meer lawaai de meeuwen maken. Er wonen daar dus echt mensen — als ik het zou zijn, ik zou zot worden van die vliegende ratten. Geniet anders even mee en zeg nu zelf:

…maar behalve dat: zeer schoon hé. Zeer schoon. Surrealistisch dat ge al een eeuw naar boven aan het klimmen zijt en dan pas in de crypte van de kerk komt. Of dat er plots een complete kloostergang is. Of een enorme katrol om dingen naar boven te hijsen. Of een enorme refter. Of een zaal rijp voor gebruik door een koning en zijn hofhouding.

Machtig. Spijtig van de toeristen. En de meeuwen.

We waren, euh, redelijk moe na al dat op- en neergedoe, en uiteindelijk wel content dat we niet ’s avonds gegaan zijn: eens ge de toeristen voorbij zijt, is het daar zo schoon dat we ons moeilijk konden inbeelden wat voor toegevoegde waarde zo’n klank- en lichtspel zou gehad hebben.

En bovendien zou dat maar begonnen zijn om halfelf ’s avonds, dus wie weet wanneer we in ons bed zouden gelegen hebben.

…en ’t is niet alsof onze slaapplaats veel overschot had. ’t Is ook niet alsof ons avondeten veel overschot had. We hadden op de TripAdvisor gezien dat er een Engelse pub was met een speciale landlord, en dat het eten er lekker was.

Er was inderdaad een café opengehouden door een expat. En hij was inderdaad speciaal, bijvoorbeeld dat hij om de paar minuten in de deuropening ging staan roken, of dat hij alleen de keuken en de bar bemande en dat de keuken aan de andere kant van zijn huis was dus dat hij over en weer moest lopen, waarbij het café zonder patron achterbleef. Of dat de mensen half stamgasten waren en half blijkbaar oude vrienden van lang geleden uit Engeland, en dat iedereen iedereen leek te kennen.

Eigenlijk hadden we het moeten weten. Ziet, een zeer ingezoomde foto van wat er naast de dartsmachine hing:

Truth in advertising: de cider was inderdaad niet koud en het eten was inderdaad zeer slecht (we hebben alletwee de cheeseburger genomen: diepvrieshamburgerbroodje, diepvrieshamburger, sneetje plastieken cheddar, verwelkte sla en tomaat aan de zijkant). De bediening was, euh, ideosyncratisch. Misery likes company: ik denk dat ik de man een fantastische review geef op TripAdvisor. Want het is wel degelijk een ervaring. En als wij het hebben moeten meemaken, dan moeten nog meer mensen dat ook doen.

Net zoals de AirBNB, die in dit geval een vermomde B&B was. Een echt goed vermomde B&B: op veertig minuten van de Mont Saint-Michel maar nog altijd met de naam “Mont Saint Michel Bed and Breakfast” op AirBNB. En redelijk rattig.

Geniet mee van het filmpje (met de eigenaar er ook op, ha!). Spoiler warning: de thumbnail van het filmpje is niet waar wij sliepen. Verre van.

Het was er zeer luidruchtig (kartonnen muren, aan een drukke baan), de wifi trok op niets, het bed was te klein, het bas stond om onverklaarbare redenen in de slaapkamer. Ahem.

Vakantie! (5) – Quimper, ruïnes en hoven

Er was weer niet echt iets gepland, vandaag. Behalve dat we naar het aardbeienmuseum gingen gaan.

Het bleek een leutig klein stadsmuseumpje te zijn, met een paar gereconstrueerde kamers van vroeger en veel kostuums op poppen en veel uitleg op pancartes.

Wel interessant. Welgeteld één echt zeer oud ding: een vruchtbaarheidsgod die in 1976 gevonden werd in de Chapelle de la Fontaine Blanche, helemaal in elkaar geslagen.

Het onderste deel was al in 1951 gevonden maar werd “jugée indécente” en begraven onder de kruisgang. Het bovenste stuk, toen nog met hoofd, moet eeuwenlang open bloot gestaan hebben, want er is een postkaart van begin de 20ste eeuw waar het op stond.

Het is wat moeilijk te zien, maar het is een standbeeld van een bebaarde mannelijke vruchtbaarheidsgod, rechtopstaand, met zijn kloppende vleespaal in de hand. Het is moeilijk te zeggen van wanneer het is, maar het zou van ergens tussen de eerste en de vijfde eeuw moeten zijn, en het stond bij die Fontaine Blanche, in het Bretoens Feunteun Ven, dat van het Keltische vindo komt, dat heilig betekent. Wijs!

Veel bijgeleerd dat ik niets wist. Veel over aardbeien natuurlijk, maar ook bijvoorbeeld dat Bretoenen nooit uitgestrekt sliepen wegens dat dat de dood zou uitnodigen, bijvoorbeeld: ze sliepen in elkaar gedoken of zittend, in kleine bedden in een kast.

Of over de Heilige Blandina, die ze maar niet gemarteld kregen, en dat ze ze dan voor de leeuwen smeten maar dat de leeuwen ze niet wilden opeten, en dat ze ze dan eerst kapotgegeseld hebben en dan op een gloeiend rooster gelegd en dan in een net genaaid en door wilde stieren in de de lucht doen smijten hebben, en dat ze ze dan toch maar met een dolk hebben moeten dood doen omdat het nog niet lukte.

Of over de breuriez, een gebruik in Ploegastel dat wellicht minstens tot de Kelten teruggaat: iedereen in Plougasel behoort tot zo’n Breuriez, die tegenwoordig platsgebonden is. Vroeger was het een clan, en in de middelleeuwen is het een soort begrafenisgenootschap geworden, waar alle leden van een breuriez op 1 november bijeenkwamen in één huis (ongeveer om de veertig jaar was een huis terug aan de beurt), om de doden te gedenken. Iedereen nam een zo mooi mogelijk appel mee, om de ziel van de overledenen te verzinnebeelden, en die appels werden op een gestyleerde boom van anderhalve meter hoog geprikt. De boom werd dan per opbod verkocht. Op een tafel dichtbij liggen gewijde broodjes; na een gebed gaat iedereen een broodje halen, en betaalt hij/zij wat hij kan betalen. Iets verder staat een tafel waar iemand appels verkoopt; ook daar betaalt iedereen wat haalbaar is.

Dan gaat iedereen naar huis, en wordt het broodje verdeeld in zoveel stukken als er familieleden zijn — is er iemand niet thuis, dan wordt zijn of haar stuk op een droge plek gelegd. Als de persoon niet terug is tegen het volgende feest, wordt het stuk dan verbrand; als het zou beschimmelen of vochtig worden, is dat een teken dat er zeker een familielid zal sterven.

Ah, en al de opbrengsten van de openbare verkoop en het brood en de appels gaan naar de kosen van de begrafenissen van de leden van de breuriez.

Zot. Geen idee of dat nu nog gedaan wordt. Ik hoop het ergens wel, maar ik vrees ervoor. Het gebeurde in alle geval nog tijdens de Tweede Wereldoorlog, blijkbaar.

Ah, en er waren ook allemaal schilderijen van mensen van Plougastel van vroeger en ook een tentoonstelling van hedendaagse schilderijen. Een leutig klein museum, echt waar.

Toen we het museum waren binnengekomen, hadden we een soort spaarkaart gekregen van andere dingen waar we reductie op zouden krijgen, en dus waren we op weg naar wat het dichtsbijzijnde meest interessante leek — tot we de autostrade bijna op reden en er een duts stond te liften, en dat we die dan maar meegenomen hebben naar Quimper, een goeie 50 kilometer naar de andere richting van waar we van plan waren te gaan.

Quimper blijkt een aangename stad te zijn, duidelijk niet te veel aan gruzelementen gebombardeerd. 🙂

We zijn naar de kathedraal gaan kijken, en dan hebben we wat rondgewandeld in de straten, en dan zijn we naar een binnentuin gaan kijken.

En daarna zijn we dan naar onze oorspronkelijke bestemmingen gaan kijken: een kasteel oorspronkelijk uit de 11de eeuw en dan verbouwd en herbouwd in de loop der eeuwen maar nu totaal in ruïnes, en een fantastische kloostertuin met allemaal medicinale planten.

Het kasteel van Roche-Maurice is, euh, raar. Het is eigenlijk een heel klein kasteeltje bovenop een hoge rots, met allemaal verschillende bouwlagen naast en bovenop elkaar. En echt wel mini: zo is er één verdieping waar er een keuken is met een haardvuur en aan de andere kant van de muur een slaapkamer en een haardvuur. En dat is het zowat.

Er is een donjon, maar die is maar een paar meter op een paar meter. En het is dus niet helemaal duidelijk welke bouwlaag wat precies is.

’t Is te zeggen: het is wél duidelijk als ge de behulpzame plakkaatjes leest, maar op het blote oog is het absoluut verwarrend. Wel eens geestig om te zien, zo’n kasteel waar er nog aan honderd per uur aan ontdekt en gearcheologiseerd wordt: toen we er waren, waren een aantal universiteitsmensen stelling aan het plaatsen tegen een wand waar nog geen toegang toe was, en was er een heel stuk gelijk net blootgelegd.

Laatste halte van de dag (voorlaatste, als ge de plaatselijke GB voor proviand meerekent) waren de tuinen van de Abdij van Plougastel. Tuinen, effektief, want enerzijds is er de al zeer lang beroemde tuin met medicinale planten, maar anderzijds was er een groot park dat eigenlijk helemaal vervallen was, en dat recentelijk ook een tuin met nuttige planten geworden is, maar dan meer monumentaal (denk bomen in plaats van struiken). De eerste tuin is min of meer een kruidentuin en moet dus voortdurend bewerkt en ververst worden, de tweede is een al met al zeer jonge tuin, en moet dus nog veel groeien.

Ik vond ze allebei indrukwekkend en inspirerend.

We hadden ook het geluk dat er twee tentoonstellingen in de abdij waren: één van fotografie, verspreid over het terrein, en in één over vrijheid, gelijkheid en diversiteit. Allebei ook goed.

Een fijne dag gehad, andermaal.

Vakantie! (4) – Plougastel-Daoulas

Zondag, rustdag. Het plan was: niets doen.

Gewoon in ons huisje blijvven zitten, misschien eens de 50 meter naar het water doen. Misschien.

Net voor de middag bedachten we dat we nog minstens wat brood nodig hadden voor ’s avonds en liefst nog wat ander eten ook, en dus zijn we naar het dorp afgezakt.

Ongeplande dingen zijn altijd het wijst: bleek daar gewoon muziek en dans te zijn!

Eerst waren er kleine kindjes aan de beurt die dansles volgen, en dan wat oudere kinderen, en dan volwassenen, die een heel verhaal vertelden van de mannen die naar de oorlog moeten en dan terugkomen maar niet allemaal:

De mix van instrumenten was ook wel geestig, met onder meer ook een electrische gitaar en een bas — niet direkt wat een mens op het eerste gedacht met volksdans associeert.

Verder daar wat in het dorp rondgelopen, gezien dat er een aardbeienmuseum is en besloten daar dan maandag naartoe te gaan wegens dicht op zondag, de kerk bekeken en de kruisgang. De kruisgang is echt wel de moeite, gebouwd na een pestepidemie in 1598:

De kerk, tja. Weer van hetzelfde laken een broek: er stond eerst een 17de-eeuwse kerk, die was te klein geworden en afgebroken in de 19de eeuw, de 19de-eeuwse neogothische kerk is in de Tweede Wereldoorlog aan gruzelementen gebombardeerd en na de oorlog raprap heropgebouwd in beton. Het heeft iets, maar daarmee is het ook gezegd.

En dan naar huis en in bed gaan liggen tot ’s avonds. De buit van ’s middags bij een lokale traiteur opgegeten (onder meer zeer lekkere huisgemaakte rauwe zalmsla, uitstekende varkenstong in schijfjes, overheerlijke varkenssnuit in gelei).

En dan in bed gekropen en gewacht tot het filmpje van hierboven op Youtube stond — 2 gigabyte uploaden in Hol Van Pluto, Frankrijk: een werk van lange adem.

Vakantie! (3) – Brest

Welll… wat een reeks gemiste kansen, Brest.

Er schiet zo ongeveer niets over van de historische stad, met dank aan de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog (of beter, met dank aan de Duitsers om er een duikbootbasis te bouwen). Er is, zegt het internet mij, één stukje straat uit de zeventiende eeuw, en de rest is helaselijk beton uit de jaren 1950 en nieuwer.

We hadden het kunnen weten: hét toeristische beeld van de stad is een enorme betonnen boulevard met twee tramlijnen, en dat is het dan.

Maar echt: een betonnen woestenij, veel en veel te groot en te kaal om wat dan ook te zijn. Een mens zou er bomen verwachten: neen, hier en daar wat struiken, en een verloren pot met bloemen in.

In het midden waren op een bepaald moment fonteinen. Ha, verfrissing, denkt een mens. Een speels element, wat interactiviteit? Pech, er staan omheiningen rond, een mens kan er zelfs met geen vinger aan het water komen:

We hadden aan de eigenaars van het huis waarin we slapen, gevraagd wat we in Brest zeker moesten zien, en dat bleek L’Atelier des Capucins te zijn.

Dat dan wel weer: een enorme gereconverteerde fabriek, met allerlei ruimtes, de stadsbibliotheek, winkels en alles. Zeer duidelijk zeer nieuw, en zeer duidelijk dat het immens veel geld moet gekost hebben. Maar wel indrukwekkend.

Daarna zijn we iets gaan eten in het restaurant met de meest gay eigenaar/kok ter wereld — we spreken La cage aux folles-niveau. Goeie toeristen dat we zijn, hebben we ons eten gefotografeerd natuurlijk. Een gebakken camambert en een mengeling van gebakken rundsvlees en foie gras als voorgerest, vis en iets pikants uit Madagascar als hoofdgerecht:

We dachten na de middag het centrum van Brest te doorwandelen, maar dat bleken dus die eindeloze troosteloze betonnen vlaktes te zijn.

Alles is groot, in Brest. Kijk, een groot droogdok:

En kijk, een wijds uitzicht aan dat droogdok:

…maar ’t is allemaal zo doods.

We hebben dan maar gekeken op het internet om te zien wat we konden doen, en dat bleek Oceanopolis te zijn: het grootste openluchtaquiarium in verre omstreken.

Eum. Tja. Het leek echt wel op de groei gekocht te zijn, Oceanopolis. De infrastructuur was er om tienduizenden bezoekers te ontvangen; het zou mij verbazen als er in totaal een honderdtal aanwezig waren.

En verder: we zijn echt wel verwend als het op zoo en dingen aankomt in België, vrees ik. Het was wel wijs, maar niet echt wow. Otters en zeehonden en pinguïns gezien, en vissen en alles.

Er waren drie grote onderdelen: tropisch, polair en Bretagne. Bretagne was het meest moderne en het meest interessante.

Samenvattend: ne vaut pas vraiment le détour. Of we hebben zeer veel gemist, wat natuurlijk ook kan. 🙂

Carnac en geld

Ik had na ons bezoek aan Carnac nog wat gebabbeld met de archeologe die de rondleiding gaf, en ’t is blijkbaar niet allemaal koek en ei, in Carnac. Ze zijn hard aan het proberen om de site als UNESCO-werelderfgoed te laten erkennen (ik zie niet waarom dat niet zou lukken), en dat zou dan vooral nodig zijn om wat meer geld te laten binnenkomen.

Want van wat ik begreep, is het slecht gesteld met het wetenschappelijk onderzoek. Ik vroeg of ze niet eens al die duizenden stenen zouden kunnen 3D-scannen, en er dan een computer op loslaten om te zien of ze de 3D-puzzel konden maken en proberen kijken of ze geen verbanden tussen stenen konden vinden, om zo de volgorde te achterhalen van hoe ze uit de rots gekapt zijn.

Blijkt dat dat ooit de bedoeling was, maar dat er een probleem is (wat precies, geen idee), waardoor ze het wellicht opnieuw zouden moeten doen.

En het zou ook enorm handig zijn om grondradar te doen, zodat ze niet-invasief kunnen kijken wat er allemaal onder de grond zit — maar ook daar hebben ze geen geld voor.

Wat er allemaal toe leidde dat er de laatste decennia blijkbaar niet echt veel nieuws is van ontdekkingen en inzichten. Terwijl dat net de ene constante is die ik overal zie, als het op oude geschiedenis en archeologie aankomt: dat de laatste jaren de ontdekkingen elkaar in sneltempo opvolgen, wegens nieuwe technieken en commoditisering van oudere vroeger immens dure technieken.

Pijnlijk, eigenlijk.