• Concentratie

    Louis was van de trap gevallen. Ik kwam naar boven gestrompeld en ik kreeg het verhaal in twee zinnen te horen.

    Fade out.

    Fade in tien minuten later.

    Anna zit stilletjes tegen haarzelf te praten.

    – Geconcentreerd mannetje, geconcentreerd mannetje… eigenlijk zijn er hier een geconcentreerd mannetje én een geconcentreerd vrouwtje, want ik ben mij ook aan het concentreren, ah ja.

    Pauze.

    – …mama, wat is dat eigenlijk, concentreren?

  • Kleine, kleine desinformatie voor vandaag

    Ik sla De Standaard open, en ik lees:

    Een Vlaams Belangdelegatie met onder meer senaatslijsttrekker Filip Dewinter (Vlaams Belang) kreeg het vrijdag aan de stok met een groep gebedsgangers van de Tevhid Camiimoskee in Gent.

    Hoho, denk ik, ruzie! “Aan de stok krijgen”, da’s gevechten! Boks!

    De Gentse Vlaams Belanger Tanguy Veys ontrolde voor de moskee een spandoek met de slogan ’stop de islamisering’. Toen hij ook nog een toespraak wilde houden, kwamen de gebedsgangers naar buiten om hem op andere gedachten te brengen.

    Shit jong, de vrijheid van meningsuiting in het gedrang! Ik stel het mij al helemaal voor: Tanguy Veys – een geschikte kerel in het echt, we hebben een mensenleven geleden samen cantussen gezongen, op straat knikken we naar elkaar in het voorbijgaan, op schoolfeesten slaan wij wel eens een praatje met elkaar, en dat belet niet in het minst dat ik zijn politiek gedachtengoed degoutant vind – Tanguy Veys dus, de ongekroonde volgende capo van het Vlaams Blok in Gent, is bezig aan een passioneel betoog waarbij hij vrijheid van meningsuiting en scheiding der machten in contrast brengt met godsdienst in het algemeen en met de Islam in het specifiek, schetst het historisch en maatschappelijk kader maar duidt dat dit geenszins een excuus kan zijn voor wat er op het terrein gebeurt, klaagt de wantoestanden aan terwijl hij tegelijk oplossingen aanreikt… als plots! een horde schuimbekkende wahabbieten de moskee uitspoelt, als waren het bruine ratten uit middeleeuwse riolen! Ze rukken hem het spandoek uit de handen! Ze halen vanonder hun djellaba’s fluks een beeltenis van Filip Dewinter dat ze symbolisch verhangen en letterlijk in brand steken, onderwijl terloops collectief op de verenigde vlaggen van Israël en Vlaanderen rochelend!

    Ze halen boksbeugels boven! Spektakel!

    Maar wacht, het wordt nog beter:

    Bij de actie was ook Filip Dewinter, in deze verkiezingen de kopman van de partij, aanwezig. Hij moest door een stel bodyguards uit de menigte gehaald worden en werd begeleid naar zijn campagne-mobilhome.

    Whoa! De capo di tutti capi zelve! Met bebloed gezicht en gescheurd maatpak, ligt hij naar adem snakkend bedolven onder een ziedende Allahu akbar! Allahu akbar!-scanderende mensenmassa . Zijn heldhaftige bodyguards, fris gewassen en geschoren Vlamingen, banen zich onverstoorbaar een weg door de met brandbommen en messen gewapende menigte, vormen op gevaar voor eigen leven en met ware doodsverachting een cordon, een baken van standvastige kalmte in een wereld die krankzinnig lijkt geworden. Keukenafval, een dode kat, vorken, riooldeksels, reservebanden, een ranzige mezze, conservenblikken, schoenen, papier maché asbakken, moon boots: onze Vlaamse vrienden doorstaan een regen van al wat de islamofascisten onder handen kunnen krijgen.

    Na een kwartier dat wel een etmaal lijkt, krijgen ze Dewinter in zijn auto. De banden zijn doorgesneden en de wieldoppen gestolen, maar ze slagen er alsnog in om de jihadisten te ontkomen.

    Oef! Eind goed al goed! En wít een avontuur!

    *
    *      *

    Ach ja. De waarheid is wat minder spectaculair, vrees ik. Tanguy begint, onverwacht nerveus vind ik, aan een speech. Ik zie Filip Dewinter wat verveeld staan kijken en Johan Deckmyn een spandoek vasthouden van de Vlaams Belang Koepel Gent (neen aan minaratten! ja aan koepels!).

    Wat later – we krijgen niet te zien waarom Tanguy niet meer spreekt, en of hij onderbroken werd of niet – komen de mensen uit de kerk. Er staat aan de linkerkant blijkbaar een groep mensen van Vlaams Blok, iemand van de moslims zegt tegen zijn collega-gebedsgangers “allemaal naar rechts”, en dan is er eigenlijk niet eens genoeg verwarring om van tumult te spreken.

    Ik was wat kwaad op De Standaard, ja.

    Het soort protestacties die Tanguy en de zijnen deden, moeten kunnen. En zo’n acties moeten de mensen waartegen geprotesteerd wordt, ook kunnen verdragen.

    Dat is bij deze helemaal gelukt, als ik de videobeelden van Veys mag geloven: de twee kanten zijn rustig gebleven, een paar heethoofden links en rechts hebben misschien wat naar elkaar geroepen, maar dan nog, met nauwelijks verhefte stem.

    Een paar mensen bij de moslims zeggen vooral “rustig” en “shh” tegen andere moslims, ik hoor iemand “geen racisten” zeggen, en dan beginnen de moslims in hun handen te klappen. Waarop de andere dat ook doen.

    En ik vind dat uitstekend: geef elkaar allemaal een applaus. Zo hoort het onder beschaafde mensen in een beschaafd land.

    Er klaxonneert even een auto, maar ik weet niet of het een pro- of tegen-klaxon was, of misschien gewoon iemand die vindt dat er teveel volk op straat staat en hij niet door kan terwijl hij nu al te laat is om zijn dochter naar de muziekles te brengen.

    En een minuut nadat het “incident” begon, eindigt het filmjpje met een Vlaming die zegt, “kom, we gaan naar onzen auto". 

    *
    *      *

    Foei, De Standaard. Een berg maken van een molshoop. Opruiende taal waar er geen nodig is. Het zit in kleine dingen, maar dat neemt niet weg dat het een kwaliteitskrant onwaardig is:

    Toen hij [Tanguy Veys] ook nog een toespraak wilde houden, kwamen de gebedsgangers naar buiten om hem op andere gedachten te brengen.

    1) Zoals het er nu staat, is de implicatie dat Veys zijn toespaak zelfs niet is kunnen beginnen. De videobeelden bewijzen het tegendeel.

    2) Zoals het er nu staat, wordt geïmpliceerd dat de gebedsgangers naar buiten kwamen omdat Tanguy en zijn kornuiten daar stonden. Dat is zeer waarschijnlijk niet waar: de gebesgangers kwamen hoogstwaarschijnlijk gewoon naar buiten omdat ze gedaan hadden met gebedsgaan.

    3) Dat ze naar buiten kwamen “om hem op andere gedachten te brengen” is met een mooi belgiscisme, een intentieproces. Daar waarschuwen ze denk ik journalisten specifiek over in de journalistenschool: leg andere mensen geen woorden in de mond, wrijf andere mensen geen meningen of bedoelingen aan.

    Serieus jong. En dan zeggen dat mensen met een weblog niet betrouwbaar zijn en dat alleen echte journalisten echte journalistiek kunnen doen.

  • links for 2010-06-11

  • Try-out

    We zijn vanavond naar een try-out van een nieuw toneelstuk geweest.

    Um, ja.

    Het had veel potentieel, dat wel. Maar er zullen nog veel boterhammen moeten gegeten worden om het een boeiend stuk te maken van begin tot eind.

    En daarna zijn we drank gaan drinken!

  • De toekomst van (user-centered) design

    Ik heb deze week wat na moeten denken over design, en wat de toekomst ervan zou kunnen zijn. Boeiend, zo nadenken. Ik zie wel waarom mensen boeken willen schrijven.

    Gisteren had ik nog één concept in mijn hoofd om als kader te gebruiken, en vanmorgen was dat al een ander geworden, en deze middag was het weer veranderd. En als ik er nog eens over nadenk, dan vind ik ongetwijfeld opnieuw gapende gaten in mijn denken, en herbekijk ik het allemaal opnieuw.

    Uiteindelijk heb ik het deze middag opgehangen aan twee citaten: de derde wet van Clarke en een (verzekert het internet mij) oud Chinees spreekwoord. Het blijft allemaal zeer algemeen, maar eigenlijk: het zit redelijk diep, ik loop er al een tijd mee rond. En ik heb stapels materiaal uit een leven lang science fiction lezen en visies op de toekomst hebben.

    Arthur C. Clarke zei in 1973 iets heel moois:

    Any sufficiently advanced technology is indistinguishable from magic.

    Voldoende ver gevorderde technologie is niet te onderscheiden van magie.

    Als ik zou omschrijven hoe mijn telefoon van 2010 werkt aan iemand van 1980, dan zou die dat waarschijnlijk niet eens goede science fiction vinden, wegens echt wel té ongelooflijk.

    Als ik aan een doorsnee beleidsvoerder van vijftig jaar geleden zouden vertellen dat ooit heel de wereld, van Amerika tot Zanzibar over Lochristi en Ulan Baator, op een soort gratis computernetwerk zou zitten en dat een groot stuk van alle mensen en bedrijven wereldwijd al hun werk zouden doen via technologie die ontwikkeld is en onderhouden door vrijwilligers en gratis aan de rest van de wereld gegeven is, dan zouden ze mij gek verklaren. Utopisten. Marxisten! (En dan zou ik het nog niet eens gehad hebben over een encyclopedie waar iedereen zomaar om het even wat in kan schrijven en wijzigen, die de eerste informatiebron is voor zowat iedereen ter wereld. Anarchisten!)

    Om nog niet te spreken van mensen in een dorp in een middeleeuwen. Als ik die vertel over World of Warcraft, dan denk ik dat ze maar één reactie hebben: ’T IS EEN HEKS! VERBRAND HEM!

    Ga er dus maar van uit dat op de duur (bijna) alles mogelijk zal zijn – met computers en quantumdinges en nanotechnologie en memristoren en genetische watnog. Als het Apolloprogramma on iéts geleerd heeft, dan is het wel dat als de wil er is, er altijd wel een weg zal gevonden worden. Als we erin slagen om met computers die minder krachtig zijn dan de rekenmachine in mijn uurwerk mensen op de maan te zetten, dan zijn er weinig limieten op wat we kunnen bereiken.

    Dat is trouwens bij zowat elke brainstorm in IT-projecten nu al een goede regel: ga er in eerste instantie van uit dat alles kan en dat de technologie magisch is. In een tweede fase zullen we wel een reality check doen.

    Aan de andere kant van de technologie staat de mens, en dat oud chinees spreekwoord (toch als ik het internet kan geloven), dat in een Engelse vertaling dit zegt:

    Rivers and mountains may change;
    human nature, never.

    Rivieren en bergen kunnen veranderen, de menselijke natuur niet.

    Ik vind dat mooi, en ik wil nog een voorbeeld van het tegendeel zien.

    De basiszaken die in mensen ingebakken zitten, die veranderen niet. Welke die basis-menselijke natuur is, daar heeft psychologie en biologie en sociologie veel over te zeggen – en dat is trouwens ook bij uitstek het domein van user-centered design.

    Dan gaat het bijvoorbeeld over gestalt en perceptie, met praktische toepassingen in typografie en grafisch ontwerp. Over spelgedrag en patroonherkenning en beweging en 2D en 3D, over wat we goed kunnen (Moeder Theresa zien in een natte dweil) en wat we niet goed kunnen (kansberekening).

    Of over leven in groep en sociaal zijn: dat we accounts kunnen hebben op een dozijn sociale netwerken, en clans en guilds en dingen hebben in een dozijn MMORPGs of L4D of watnogs – dat dat allemaal niets verandert aan Dunbar’s number.

    Maar dat het fundamenteel bijna onmogelijk te veranderen van de menselijke natuur geen absolute hinderpaal moet zijn, dat technologie een soort buitenboordmotor van de mens kan zijn – denk maar aan de fly-by-wire-systemen die een Eurofighter in de lucht houden: zonder computers is zo’n modern gevechtsvliegtuig geen minuut te bedienen wegens inherent instabiel en dat een mens niet genoeg zintuigen heeft en niet in genoeg dimensies tegelijk kan nadenken om dat allemaal manueel (ha!) in de hand te houden.

    En dat díír de uitdaging ligt voor design: tot hoe ver gaat de mens zelf? Vanaf wanneer neemt technologie het over? En als we ervan uitgaan dat de mens intrinsiek niet zal veranderen, hoe kan technologie helpen? En wat is de rol van de designer in dit alles?

    Een andere manier om de wet van Clarke te verwoorden is deze:

    Any technology distinguishable from magic is insufficiently advanced.

    En dat is, denk ik, de taak voor designers in de toekomst: er (binnen aanvaardbare limieten) van uitgaan dat technologie magisch zal zijn, en kijken waar we de grens moeten trekken tussen menselijke natuur en technologie.

    We gaan kijken tot waar de menselijke natuur onveranderbaar is, welke buitenboordmotor we zouden kunnen inzetten, en hoe we die technologische buitenboordmotor zo magisch mogelijk kunnen maken, dat hij zoveel mogelijk verdwijnt.

    Gelukkig hebben we daar als user-centered designers al ettelijke decennia ervaring in. ’t Is nog dat gemak.

     

    Ach, en dat ik nog zoveel wou zeggen, over hoe Waldo en Nintendo’s Power Glove en remote surgery met elkaar verbonden zijn. Of waarom Robby of Robbie er niet gekomen is maar ondertussen wel de dingen van pakweg iRobot.

    En waarom het nooit zal lukken om iedereen een persoonlijke vliegende auto of jetpack te geven, hoe graag ik dat ook zou hebben.

    Teveel ideeën, meneer mevrouw.

  • Geef Rudi Vranckx een Pulitzer!

    Maar zo kippenvelprachtig, de laatste aflevering van Bonjour Congo.

    Het was van begin tot einde bij het beste dat ik recent op televisie gezien heb, en ik mag van harte hopen dat Rudi en zijn ploeg daar heelder bakken vol prijzen voor krijgen.

  • Daan

    Da’s nog eens wat anders dan Stijn Meuris, what?

    28686_400126344899_83807034899_4349460_5817319_n

  • Foei, Apache?

    Het was onlangs nog eens zo’n debat op televisie. Nu ja, “debat”, dus, want echte debatten worden tegenwoordig niet meer gevoerd heb ik de indruk, daar is onze aandachtsspanne te kort voor geworden.

    Deze keer ging het tussen Frank Vandenbroucke en Danny Pieters, over onder meer de sociale zekerheid en watnog in een Brussel dat al dan niet nog een gewest zou zijn, en wat de N-VA voor zou stellen.

    Ik ben geen specialist ter zake. Ik kan me inbeelden dat er afspraken mogelijk zijn of watdanook: als er een oplossing moet gevonden en de wil is er, dan wordt een oplossing meestal wel gevonden.

    Vandenbroucke leek het goed te doen – voor één keer stoorde zijn monkellachend-superieur-overkomen me niet zo. Ik zag er geen “kipkap maken” in, ik herinner me vooral een gehaaide debater (VDB), een mens die duidelijk minder beslagen is als het op gevatte oneliners aankomt en teveel wafelt (Pieters), en een zoveelste journalist die haar publiek voor idioten houdt en de mensen geen volledige zin laat afmaken (Phara, en ik ben normaal een fan).

    Maar goed, dat is persoonlijke inschatting.

    Voor inzicht ga ik bij de betere geschreven pers. En dus las ik vandaag een stuk in Apache.

    Aargh! Verkeerde zet! Ik werd er zowaar nijdig van. Het begon al dat er “door de redactie” stond en niet “door de heer of mevrouw X”: ik weet graag wie de auteur is van iets, namelijk. Vooral als er onder het artikel een reclamebanner staat met "De auteur van bovenstaande tekst doet dat goed. Geef die mens 10 euro van me!".

    Afijn. Het begint zo:

    In Phara maakte Frank Vandenbroucke (sp.a) gisterenavond kipkap van professor Danny Pieters, expert sociale zekerheid van N-VA.

    Ik ben helemaal voor geëngageerde journalistiek, daar niet van. Okay, “maakte kipkap” is wel heel kort door de bocht, maar goed.

    Nee, waar figuurlijk een rode waas voor mijn ogen van kwam, was dit:

    pieters

    Rioolkranten doen dat, van die ’”subtiele” fotomanipulaties, en ik kan daar hoegenaamd niet tegen.

    Het is een kwestie van een minuut werk, een screenshot uit het interview nemen:

    fvdb1

    En dan Photoshop opentrekken, wat duwen en trekken met Liquify, een maskertje erop, een filtertje, en hopla:

     fvd2b

    Zijn oren wat groter, zijn hoofd wat waterhoofdachtiger, zijn schouders wat schlemielachtiger, en ha-ha-ha, hébben we gelachen!

    Hetzelfde is gebeurd met de afbeelding van Pieters, vergelijk de screenshot en wat online staat, waarbij ’s mans gezicht in elkaar gepinched werd – de  scheelkijkende-varkensoogjes-bewerking dat ze zeggen:

    pieters2

    10-06-08-danny-pieters

    Ik lees er misschien teveel in, en ja, ik weet dat het niet alleen bij Pieters gedaan werd maar ook bij Thyssen, Reynders, Dewever, en toch.

    Ik vind het de geloofwaardigheid van een publicatie aantasten.

    En het is raar, natuurlijk: was het een getekende karikatuur, dan zou ik er waarschijnlijk geen moment bij stil staan. Zou het zijn omdat het Photoshop is en dat de mensen daar tegenwoordig nogal gevoelig aan zijn?

    Nah: ik word warm noch koud van veel andere photoshopgemanipuleerde dingen. Waarom krijg ik een totaal onbehaaglijk gevoel bij die gephotoshopte Pieters en niet bij pakweg een cartoon van GAL, die het nog veel erger zou gedaan hebben? 

    Misschien is het wel omdat een goede cartoon tot nadenken kan aanzetten, of kritisch of grappig zijn:

    doubleyouinyurp

    …en dat ik de indruk kreeg dat die Photoshop-Pieters gewoon om te kwetsen gemaakt was, zonder enig mededogen?

    I dunno. Ik vind het in ieder geval een vieze illustratie.

    En het is een goed punt voor Apache, vermoed ik, dat mijn tweede idee, meteen na “aaargh! eikes!”, iets was als “maar allez, hoe is dat nu mogelijk, dat is iets dat ik op ex-Zatte Vrienden zou verwacht hebben, nooit vanzeleven bij de mannen van Apache.”

  • links for 2010-06-08

  • Alors on vote

    En soms denkt een mens dat het toch nog goed komt met België:

  • MRI

    Ik was vandaag aan het opzoekingen doen voor het werk. Het ging over allerlei toekomstige zaken, ook bijvoorbeeld in de medische wereld.

    En toen kwam ik op Charlotte Gainsbourg uit, en vraag mij niet hoe.

    Synchroniciteit! Of zo!

    Want toen ik vanavond op de trein haar laatste plaat nog eens opzette, die ik een tijd geleden gekocht had maar nooit echt aandachtig beluisterd had, kwam ik voorbij het titelnummer, IRM, en klikte het plots:

    Het is gewoon het geluid van een MRI dat de basis vormt van het nummer. Dat ik, wegens eigenlijk wel meer dan genoeg MRI’s meegemaakt te hebben voor de rest van mijn leven, meteen zou moeten herkend hebben: dat gebonk en gepiep en gehamer dat van overal en nergens lijkt te komen.

  • Fietsenstalling

    Het is niet alle dagen dat ik een brief kan schrijven die begint met YO FUCKING STUK KLOOTZAK.

    Jammer dat ik het gezicht van die mens niet gezien heb, want ik herinner me dat ik heel erg hard mijn best gedaan heb om zo kwaad mogelijk te zijn. In de mate dat een slecht schrijvende stift op een verfrommelde broodzak dat mogelijk maakte.

    De fietsenstalling aan de Dampoort: het is meestal huilen met een hoofddeksel. Meestal stampvol, meestal fietsen boven fietsen en onder fietsen en door elkaar en in elkaar verstrengeld. De helft van de tijd moet ik een Chinese puzzel uitvoeren om mijn remkabels vantussen de sturen links en rechts te wurmen, om de fietstassen los te krijgen, of om mijn pedalen uit de spaken van de burne te krijgen, of omgekeerd, de pedalen van de buren uit mijn spaken.

    Fiets, vast

    Maar een week of twee geleden was het prijs: een kieken dat zich naast mij gezet had, op een plaats die geen plaats was, en die met zijn ketting over en door mijn frame zijn aftands wrak van een fiets aan de stalling had vastgemaakt. Mijn fiets stond niet vast met zijn ketting, maar zijn roestbak blokkeerde de mijne wel zó dat ik er niet meer uit kon.

    Het was al laat op de avond, er was niemand meer in de buurt, en ik had mijn fiets écht wel nodig de dag erna: ik vréés dat ik bij het proberen loswrikken van mijn fiets – uiteindelijk is het wel gelukt, met de hulp van een voorbijkomende goede Samaritaan – zijn fiets nog wat meer deuken bezorgd heb dan hij al had. En ik heb dus ook een bijzonder boze brief nagelaten, met mijn naam en email erbij.

    Vanavond was het weer van dattum, maar dan erger. Kijk, ingezoomd op de foto van hierboven:

    Fiets, vast

    Mijn wiel staat links, en rond mijn wiel? De fietsketting van de asociale hufter die het een interessant concept vindt om andere mensen te immobiliseren.

    De plaats om naartoe te gaan in dergelijke gevallen is het hok van Max Mobiel dat op de fietsparking staat. Dat zag er helaas al helemaal dicht uit, maar terwijl ik naar huis aan het bellen was, zag ik plots dat de deur open ging en dat er iemand stond – en vijf minuten later:

    Meh heh heh heh.

    (aan de andere kant: met zo’n miniem klein slijpschijfje duurt het twintig seconden om een uitstekend slot kapot te krijgen… creepy)

  • De kleine dingen

    Het is raar, de kleine dingen waar een mens gelukkig van kan worden.

    Ik liep al heel de dag lastig dat ik de USB-kabel van mijn Kindle mislegd had. Al gekeken hoeveel zo’n ding zou kosten (2.95 euro), en al geschat hoe lang mijn Kindle zou meegaan zonder opladen (een dikke tien dagen zonder netwerk), en of die periodes met shipping time zouden overlappen en of ik dus zou toekomen (misschien).

    Maar hey: we kwamen thuis van wezen eten zijn, en wat is het eerste dat ik op mijn nachtkast zie liggen? Juist: de bewuste kabel.

    Yay!

    Voor de rest hadden we vanavond een fijne avond, en is koude Jupiler Taunus eigenlijk wel drinkbaar.

  • Banana split

    Handen naar omhoog al wie nog altijd verliefd is op Lio!

  • Even geleden kreeg ik een mail van Joke van bij Talking Heads, dat zij in opdracht van Boondoggle in opdracht van Tiense Suiker  op zoek waren naar mensen die hun Quick & Fruity-ding willen testen.

    Confituur

    Executive summary: met Quick & Fruity maak je snel uitstekende confituur. Als mijn testpakket op is, loop ik meteen naar de winkel om nieuwe te kopen.

    *
    *      *

    Ah, confituur.

    Toen wij klein waren, maakte mijn grootmoeder confituur met bakken tegelijkertijd. Niet alleen voor de leute en omdat het zo lekker was, maar ook omdat het de enige manier was om al het fruit de winter door te krijgen.

    Fruit plukken of rapen, kuisen, met suiker koken in een grote kom, en schuim afspanen, en bokalen steriliseren in zo’n grote steriliseerketel, en dan de confituur in de bokalen en paraffine erboven en dingen!

    Nostalgie! Een tijd later is mijn moeder ook in de confituur geslaan, maar dan de meer ingewikkelde en exotische dingen: caloriebomgewijze melkconfituur staat mij vooral nog zeer levendig bij.

    Toen ging het er meer wetenschappelijk aan toe dan bij mijn grootmoeder, met suikerthermometers en zo. Het punt: eigen confituur is bijzonder lekker, maar op een paar uitzonderingen na ben ik er altijd al ver van gebleven, wegens op het eerste zicht bijzonder moeilijk, en dat een mens zich ontziet om eraan te beginnen.

    Met al dat koken en pectine en watnog.

    Quick & Fruity maakt daar helemaal komaf mee. Volg even mee, het verloop van heet maken van een pot confituur:

    Ten eerste. 250 gram gekuist fruit nemen en in de mixer doen (of in een pot waar een staafmixer in kan). Ik had niets in huis behalve een restje rood diepvriesfruit, en om het gewicht vol te maken een halve gele kiwi:

    Confituur

    Ten tweede. Een zakje Quick & Fruity (suiker, pectine, citroenzuur) bij het fruit dumpen. Het fruit moest in mijn geval eerst nog wat smelten:

    Confituur

    Confituur

    Ten derde. Fruit en suiker 45 seconden mixen:

    Confituur

    Ten vierde. Er is geen “ten vierde”.

    Yup. That’s it: de confituur is klaar. Met 250 gram fruit en 125 gram Quick & Fruity maak je exact één potje confituur.

    In de pot doen, en hoppakee de koelkast in:

    Confituur

    Het resultaat is een een fruitpuree die niet helemaal stijf staat, maar ook absoluut niet lopend. De textuur is, tja, zoals confituur zonder stukken in. Ik heb liever confituur met stukken, maar hey, een onderdeel van dit proces is dat het allemaal in de mixer gaat, dus stukken zijn out of the picture.

    Met zeer sappig fruit zoals aarbeien kan het resultaat te lopen zijn: als het stijver moet, zegt de verpakking, kan dat door de pot even in de microgolf te zetten.

    Als de confituur nog eens langs de microgolfoven passeert, is een niet-geopende pot zes maand te houden.

    En anders is de koudbereide confituur acht weken houdbaar in de koelkast. Ik voorzie dat de pot op zal zijn binnen de week: doordat het fuit nooit gekookt is, spat de smaak ervan af. En het suikergehalte, toch in wat ik vandaag klaarmaakte, is nét goed: niet te zuur, niet te zoet.

    Een plezier, soms, die producttesten.

    Confituur