Tot u spreekt een triestige persoon. Een ongelukkige mens. Een duts.
Maandag ben ik op mijn werk in Brussel. Ik neem de trein naar huis, ik kom geen controleur tegen, en dus moet ik ook mijn abonnement niet tonen.
Dinsdagochtend vertrek ik naar de trein, doe ik zoals elke morgen de ronde van mijn zakken, en: geen portefeuille te vinden.
Fietstassen: niets behalve lege flessen en papier. Rugzak: niets behalve computer en draden. Toog in de keuken: niets behalve papier en rommel. Naast mijn trekzetel: niets behalve een fototoestel en achtergelaten kabels. Naast mijn bed: niets behalve de afstandsbediening van het bed.
Geen paniek, geen paniek: niet moeten tonen ’s avonds, dus het zou wel eens kunnen dat mijn portefeuille gewoon op het werk is blijven liggen.
Controle dinsdagmorgen op de trein, uitgelegd dat ik mijn portefeuille op mijn werk heb laten liggen, gelukkig geen problemen (dankuzeer conducteur!), op het werk toegekomen: geen portefeuille.
Argl. Dan wordt het moeilijker.
Terugkeren ’s avonds: een controleur die het niet zometeen liet vallen. Of ik mijn identiteitskaart had? Of een SIS-kaart? Of een bankkaart? Nee, natuurlijk: een portefeuille, daar zit vanalles in.
“Haja,” zei de man lakoniek, “als ge geen identiteitskaart op zak hebt, dan zijt gij hier niet hé, en dan kan ik u niet controleren ook.”
Woensdag toch maar in Gent-Dampoort een formulier voor verloren voorwerpen gaan halen en mooi ingevuld. ’s Morgens dat getoond aan de controleur, die maakte geen probleem maar zei dat ik best een afschrift van mijn abonnement ging vragen.
’s Avonds was het station al gesloten, dus heb ik mijn ingevuld formulier voor verloren dink niet kunnen indienen. Donderdagochtend dan maar afgegeven, en gevraagd of ik geen afschrift van mijn abonnement kon krijgen.
Neen, dus: daar is geld voor nodig, maar vooral: daar is een identiteitspasfoto voor nodig. Die ik niet had. Donderdag zo’n ding afgeprint, dus maar. Ik was er nog altijd gerust in, dat mijn portefeuille wel zou uitkomen, thuis of bij de verloren voorwerpen.
Op het perron donderdagavond mijn situatie nog eens uitgelegd aan de controleur: die zei dat ik best naar de verloren voorwerpen in Brussel Noord zou gaan. Portefeuilles, dat komt meteen uit, of dat komt niet uit, wist hij.
Een dikke drie kwartier later (er stond een Limburger die een vraag had net voor mij aan het loket) was het duidelijk: portefeuille niét gevonden.
Op zo’n momenten ben ik dan niet in paniek, maar eerder in “crap. wééral.”-modus. Ik zeg het: ik ben écht een ongelukkige mens in dergelijke zaken.
Afijn. Om de één of andere reden, nu het min of meer vaststond dat ik mijn portefeuille niet zeer snel zou terugvinden, besloot ik dan maar een echt treinticket te kopen in plaats van de zoveelste keer het “verloren”-verhaal boven te halen.
Ik heb al het kleingeld dat ik in mijn rugzak had slingeren bij elkaar geharkt, en ik kwam, met stukken van tien en vijf cent, uiteindelijk op 8 euro 75 cent uit. Een ticket naar Gent was 8 euro 10.
Terug in Gent: donderdagavond, de avond dat de kuisvrouw langsgeweest is, en dat er risico is dat er links en rechts kleine hoopjes teruggevonden materiaal liggen. Kousen, afstandsbedieningen, heroplaadkabels, dat soort dingen.
De avond van de laatste kans gaf geen soelaas: portefeuille nergens gevonden. Niets aan te doen: vanmorgen gaan werken, en na het werk zou ik linea recta naar de plietsie en naar cardstop en watnog gaan.
Niet meer aan gedacht tot ik thuis kwam vanavond. En ik een random plastiekzak bekeek die op het aanrecht lag. Waar die stomme portefeuille in zat, natuurlijk.
Ik zeg het: een ongelukkige mens, ik.