Ik ben het vliegen een beetje beu. Een dag thuis, morgen, en dan een dag naar Parijs met den TGV, een hotel, en terug met den TGV.
Morgen een halve dag thuis en een halve dag in Brussel. Overmorgen een hele werkdag in Brussel, en dan een nacht werk in Parijs. En tegen dan zijn we vrijdag en denk ik dat ik een bijzonder lang weekend neem.
Dat doet dus echt zeer zeer raar, vertrekken naar het werk op zondag.
Het wordt mijn tweede nacht op hotel, en ik heb dus de indruk dat het al ergens tegen de helft van de week aan begint te schurken, maar dat is het dus niet.
Het heeft er ook geen goed aan gedaan dat we veldstudies aan het doen zijn bij mensen die eigenlijk een uur achter leven. Vorige week was het letterlijk een uur achter wegens Verenigd Koningkrijk, deze week is het Duitsland maar met alle klokken van alle computers wel op zulu time (oftewel UTC).
En dat wil dus zeggen dat de mens waar we zaten al goesting had om te gaan eten om halftwaalf (maar het was halféén en ik had het niet door) en dat de mens die gezegd had rond 16u nog eens langs te komen, langskwam om 15u30 (maar eigenlijk dus 16u30 en ik had het nóg niet door).
Afijn. Morgen nog een halve dag Hannover, en dan vliegtuig naar Amsterdam en van daar vliegtuig naar Brussel en dan thuis slapen hoezee.
Ja ik weet het, twee keer vliegtuig, dat had even goed één keer trein kunnen zijn of tenminste een keer trein en een keer vliegtuig. Het is zelfs nog erger: in het komen hebben we ook twee keer vliegtuig gedaan, van Brussel naar Frankfurt en van daar naar Hannover. We hadden de tijd niet om het met de trein te doen. En normaal gezien zou het een rechtstreekse vlucht geweest zijn, maar onze vliegtuigmaatschappij had helaas de geest gegeven:
Vreemd genoeg wisten we eerst dat onze terugvlucht afgeschaft was, en wisten we dat van onze heenvlucht maar net voor we vertrokken.
Maar alla. Alles in orde. Goed toegekomen, goede douche, goed geslapen, goed ontbeten, goed gewerkt, goed gegeten, goed verder gewerkt, nog eens goed gegeten, nog eens goede douche, en nu ongetwijfeld nog eens goed slapen, nog eens goed ontbijten en nog eens goed verderwerken.
Het inchecken was gisteren laat gebeurd, en het was al allemaal in kannen en kruiken: vertrekken rond een uur of twee of zo, toekomen in de luchthaven ruim op tijd, en dan om 17u05 de vlieger opstappen.
Tot mijn collega Johan belt, iets voor de middag, om te zeggen dat hij een SMS gekregen heeft dat de vlucht afgezegd was. Ik kijk in mijn telefoon: geen SMS. Ik kijk in mijn mail: geen boodschap. Ik ga naar de checkinwebsite: vlucht niet gevonden. Hrm.
Johan belt naar de maatschappij, ze stellen hem een vlucht om 15u voor via Frankfurt, dat is redelijk nipt voor iedereen, en na nog een belling is het een vlucht om 19u geworden. Rond 19u. Denk ik. Want ik heb nog niet kunnen inchecken.
Wat een interessante documentaire op Netflix: Behind the Curve, over de mensen die denken dat de Aarde plat is.
Ik was enorm gecharmeerd. Verre van met die mensen lachen, is het helemaal gevuld van mededogen. Zoals één van de mensen aan de “andere kant” die geïnterviewd werden het verwoordt:
I think what flat-Earthers can offer us is a way that 99.9 percent of people can say: “Well that’s ridiculous. Imagine believing that.” And then to turn it around and say: “How are you a flat-Earther? Where are you and your people the protagonists in a Disney movie? Where are you constructing your reality?”
Tim Urban
Schoon. Een beetje zoals deze xkcd, waar ik mij probeer aan te houden:
The Woman Who Successfully Performed Her Own C-Section | Reader’s Digest Perez took several swigs from a bottle of hard liquor to dull the pain and grabbed a knife with a six-inch blade. She had no medical expertise, but she relied on her experience butchering animals to operate on herself. Instead of making the customary horizontal cut along the bikini line, she made three separate incisions in her abdomen, cutting vertically next to her belly button while squatting. Later, doctors would later show that this technique kept her from damaging any of her internal organs—and likely kept her alive. After about an hour of grueling work, she was able to pull the baby boy out of her own womb. The baby began breathing immediately, and Perez grabbed a pair of scissors to cut his umbilical cord before falling unconscious.
A #100DaysOfCode Timeboxed Front-End Development Curriculum This is a somewhat opinionated curriculum for learning front-end development during #100DaysOfCode. As it covers a wide range of front-end development topics, it can be thought of as more of a “survey” style course rather than a deep dive into any one area. Ideally, your takeaway from completing this curriculum will be some familiarity with each topic and the ability to easily dive deeper in any area in the future when necessary.
Het was een fijne maar op haar eigen manier vermoeiende week, tot nog toe. Kijk, ik heb alvast vrijdag ook ingevuld, want ik weet precies hoe die zal verlopen:
Boeiend en interessant werk gehad, maar vier landen en vier luchthavens op vier dagen tijd: het is al minder hectisch geweest.
(Volgende week nog eens van dat, helaas. Te beginnen zondagnamiddag deze keer.)
(Schiphol met voorsprong de minst goeie luchthaven dit ik recent meegemaakt heb trouwens, van begin tot einde.)
Gisteren Kopenhagen, vandaag Leeds. Bit of a different vibe.
Het hotel in Kopenhagen was redelijk basic, maar het hotel hier is, euh, ahem.
Een lobby vol zatte Engelsmans die tegen middernacht luid zitten te kakellachen en te roepen naar mekaar, elk met lauwe schuimloze pints in verscheidene stadia van volheid.
Een hotel waar er geen stekkers van Europees naar UK zijn (okay, we hadden er moeten aan denken, maar toch: een hotel bij een luchthaven dat daar niet op voorzien is?).
Een hotel ook zonder wifi. Of beter: met wifi, maar met vouchers aan te kopen. Gah!
En dan kom ik mijn kamer binnen, en is het er 35 graden celsius. Gelukkig dat ik een raam open kon zetten. Wel vervelend dat ik daarvoor het halve meubilair moest verslepen.
Afijn. ’t Is maar één nacht. Het enig lastige zal zijn: morgen wakker geraken. Want mijn telefoon houdt het gemiddeld nog een uur of drie uit, zelfs als ik niets doe (planned obsolescence, joechei, een telefoon van vier vijf jaar oud, wie gebruikt dat ook nog?).
Eens kijken of ik wakker word van het alarm op mijn horloge. Spannend!
update 1u08: …en een zat ruziemakend mannelijk koppel in de kamer aan de andere kant van een bordkartonnen deur. Yay.
Zoals fijne collega Johan het verwoordde: wat we vandaag gedaan hebben is het dichtst dat ons werk bij journalistiek komt.
We zijn naar ergens gereisd, we hebben er met mensen gesproken, we hebben gekeken hoe ze werken, en we proberen te achterhalen wat ze nodig hebben. Dat is niet noodzakelijk wat ze zeggen dat ze nodig hebben, maar de hoop en de verwachting is dat als we genoeg mensen zien met voldoende verschillende profielen in een breed palet aan mogelijke omstandigheden, dat we het dan wel patronen gaan beginnen herkennen.
En dat we noden en verzuchtingen zullen ontdekken die we niet noodzakelijk hadden kunnen verwachten als we gewoon in ons bureau in Brussel waren blijven zitten en alleen met analysten en specialisten-ter-zake en ontwikkelaars zouden gesproken hebben. Dat het, met andere woorden, eigenlijk wel opbrengt als men vóór te beginnen programmeren eens zijn oor te luisteren legt bij de mensen voor wié we eigenlijk programmeren.
Klinkt allemaal voor de hand liggend, maar een mens moet er maar het recent-achtige rapport van McKinsey op nalezen om meteen te zien dat het allemaal niet zo is voor iedereen. Die mensen hebben wereldwijd een paar honderd (zeer) grote bedrijven onderzocht die (zeer) veel omzet hadden, en zelfs daar komen ze tot griezelige vaststellingen. Zoals deze, bijvoorbeeld:
De helft van de grote (gróte!) bedrijven heeft geen idee hoe ze een design objectief kunnen evalueren (een eenvoudige gebruikerstest bijvoorbeeld, dat kan toch al objectief zijn? objectieve metingen of mensen taken gedaan krijgen?). Vier van de tien spreken zelfs niet met eindgebruikers tot ze hun ding (product, dienst) ontwikkeld hebben! Die gaan van “hier, we smijten iets naar de mensen toe en we zien wel wat er gebeurt” of zo, denk ik dan.
Enfin bon ja. Goed nieuws voor ons, vermoed ik: dat wil zeggen dat er nog veel mensen zijn waar we voor kunnen werken. 🙂
Te beginnen deze en volgende weken, wat ons betreft, hoezee!
Er zijn zo een aantal plaatsen in mijn stamboom waar het dood bloedt.
Philomena Van de Rostyne is de grootmoeder van mijn grootvader aan moederszijde. Ik weet waar en wanneer ze overleden is (15/2/1921 in Sint-Niklaas) en geboren (9/9/1841 in Lembeke). Ik weet wie haar ouders zijn, maar veel meer dan dat weet ik niet.
Haar vader is Pieter Bernard Van De Rostijne, geboren op 17 Nivôse VIII (7 januari 1800) in Lembeke, nog in leven bij de geboorte van Philomena, maar datum van overlijden onbekend. Haar moeder is Marie Thérèse De Backer, ergens in de buurt van 1812 geboren in Lembeke, datum van overlijden onbekend. Ik weet niet of Philomena broers of zussen had, en ik was met mijn hoofd tegen de muur gelopen toen ik zocht naar meer informatie over haar ouders.
Maar bij nader nadenken klopt er iets niet: als ik de geboortedatum zo exact weet, en die is van het begin van de Burgerlijke Stand (die Franse Revolutionaire datum), dan zou ik toch zéker ook de ouders moeten hebben? Die akten waren namelijk meestal zeer enthousiast uitgebreid.
Ik dus op zoek, en jawel. Ik vind niet alleen zijn ouders, maar blijkt ook dat zijn naam anders is dan ik dacht: Bernardus Francies Vande Rostijne. En dat zijn vader gewoon Judocus van de Rostijne was, een wever, en zijn moeder Joanna Verweire. En ik kan weer een eind verder.
Een heel eind, zo blijkt. Dit is wat ik had:
En als ik gewoon in rechte vaderlijke lijn naar boven ga, van document naar document, kom ik nu op dit uit:
Euh ja. Zeven generaties erbij. Ahem. Zeven redelijk zeer honkvaste generaties, ook. 🙂
En met een beetje zoeken over en weer heb ik dit voorlopig — nog te bevestigen met bronnen, maar ’t is al een serieus begin. En dus op drie namen na had ik geen enkele van deze mensen staan. Zot.
Niet dat alle vragen daarmee opgelost zijn, want er is iets met de echtgenotes van Bernard aan de hand. In de geboorteakte van Philomena uit 1841 staat duidelijk dat haar moeder Marie Thérèse De Backer is:
…maar in de overlijdensakte van Bernard in 1846 staat dat zijn vrouw Joanna Theresia Van Holderbeke hem overleeft:
Op vijf jaar tijd kan een vrouw natuurlijk doodgaan en kan hij hertrouwen, maar toch vreemd dat er niet staat dat hij weduwnaar was. Op zoek dus naar huwelijksakten en een overlijdensakte van zijn eerste vrouw.
Ik was toevalligerwijs door de Burgerlijke Stand van Turnhout aan het bladeren toen ik een ver familielid ontdekte dat ik nog niet in mijn boom had zitten: Hypolitus Jacobus Maria Dehouwer, de broer van mijn betovergrootmoeder Marie Dehouwer (mijn vader, zijn vader, zijn vader, zijn moeder, en daar de broer van).
Tot nog toe dacht ik dat er maar drie kinderen waren in het gezin Henri De Houwer – Adriana Van Hove: Maria Francisca Adriana (1858-1925), Josephina Maria Joanna (1856-1940) en Clementina Maria Antonia (1860-?). Blijkt er dus een vierde te zijn. Geen idee of hij het overleefd heeft en of hij zelf kinderen heeft gehad, dan wel of hij jong gestorven is. (Ik zet het op de lijst van “te zoeken dan eens”).
Maar de geboorteaaangifte is wel grappig:
De vader is, volgens de akte, “Cornelius Dehouwer, schoenmaker”, en de moeder “Dymphna Maria Verreet zijne huisvrouw, oud zes en veertig jaren, geboren te Vosselaer”. En in de marge staat er bij het eerste “zegge Henricus Dehouwer, meubelmaker” en bij het tweede “zegge Adriana Van Hove zijne huisvrouw, oud veertig jaren geboren en wonende te Turnhout”.
Hm.
Weird.
Hoe zou dat komen, vraag ik mij af? Cornelius De Houwer is een naam die in de familie al voorkomt: er is een Cornelius Dehouwer geboren in 1742, en die heeft een zoon Cornelius Franciscus geboren in 1770. Namen worden regelmatig gerecycleerd, en een Cornelius geboren in 1821-22, dat zou wel eens één of twee generaties verder kunnen zijn — meer nog, dat zou wel eens kunnen passen in de rij van broers en zussen van Henricus Dehouwer: Maria Dehouwer (1816) – Henricus Dehouwer (1819) – Hypolitus Jacobus Dehouwer (1829) (wat zei ik, van die recyclage van namen?).
En jawel, enig opzoekwerk later:
In het groen de nieuwe Hypolitus die ik vond, in het blauw de andere Corneliussen, in het rood de Cornelius die ik uiteindelijk op zijn juiste plaats kon zetten.
Maar waarom stond zijn naam in die akte? Hij is geen getuige of niets zelfs. En waar komt die Dymphna Maria Verreet uit Vosselaer vandaan? Zou dat zijn vrouw kunnen zijn? Spannend allemaal!
(Daar helemaal naast: dat gezin van Cornelius De Houwer en Anna Catharina Geerts! Elf kinderen, waarvan zeker vier en misschien zelfs tien jong gestorven? Brr.)
Update: tadam! Hierzie, Cornelius is geboren op 9 december 1821, en hij is inderdaad getrouwd met Dymphna Maria Verreet uit Vosselaer.
En moet ge het raarste van al weten? Cornelius Dehouwer is met zijn Dymphna getrouwd op 26 september 1855. Twee keer raden wie er ook op 26 september 1855 getrouwd is? Henricus Dehouwer en Adriana Vanhove, mijn rechtstreekse voorouders. Had ik tien jaar geleden naar het volgende blad gekeken in het register van de burgerlijke stand, had ik ze al lang gevonden. Tsk.
Hij zal wellicht de eeuwigheid ingaan als Adolf Hitler in Der Untergang (of meme fame), maar voor mij is hij voor eeuwig en altijd de engel Damiel.
Ik heb Der Himmel über Berlin in Londen gezien. In 1990, denk ik, dus da’s al bijna dertig jaar geleden. En hij is altijd bij mij gebleven. Om de paar jaar herbekijk ik de film, en hij blijft zo immens goed (en hoeveel mensen zouden samen met mij Nick Cave ontdekt hebben dankzij Wim Wenders?).
Misschien probeer ik eens om Zelie zo ver te krijgen dat ze meekijkt. Ze studeert tenslotte Duits, ’t is meteen een goede oefening.
En nu ik toch aan denk: bij wijze van verlate gedichtendag, Peter Handke’s Lied vom Kindsein:
Als das Kind Kind war, ging es mit hängenden Armen, wollte der Bach sei ein Fluß, der Fluß sei ein Strom, und diese Pfütze das Meer.
Als das Kind Kind war, wußte es nicht, daß es Kind war, alles war ihm beseelt, und alle Seelen waren eins.
Als das Kind Kind war, hatte es von nichts eine Meinung, hatte keine Gewohnheit, saß oft im Schneidersitz, lief aus dem Stand, hatte einen Wirbel im Haar und machte kein Gesicht beim fotografieren.
Als das Kind Kind war, war es die Zeit der folgenden Fragen: Warum bin ich ich und warum nicht du? Warum bin ich hier und warum nicht dort? Wann begann die Zeit und wo endet der Raum? Ist das Leben unter der Sonne nicht bloß ein Traum? Ist was ich sehe und höre und rieche nicht bloß der Schein einer Welt vor der Welt? Gibt es tatsächlich das Böse und Leute, die wirklich die Bösen sind? Wie kann es sein, daß ich, der ich bin, bevor ich wurde, nicht war, und daß einmal ich, der ich bin, nicht mehr der ich bin, sein werde?
Als das Kind Kind war, würgte es am Spinat, an den Erbsen, am Milchreis, und am gedünsteten Blumenkohl. und ißt jetzt das alles und nicht nur zur Not.
Als das Kind Kind war, erwachte es einmal in einem fremden Bett und jetzt immer wieder, erschienen ihm viele Menschen schön und jetzt nur noch im Glücksfall, stellte es sich klar ein Paradies vor und kann es jetzt höchstens ahnen, konnte es sich Nichts nicht denken und schaudert heute davor.
Als das Kind Kind war, spielte es mit Begeisterung und jetzt, so ganz bei der Sache wie damals, nur noch, wenn diese Sache seine Arbeit ist.
Als das Kind Kind war, genügten ihm als Nahrung Apfel, Brot, und so ist es immer noch.
Als das Kind Kind war, fielen ihm die Beeren wie nur Beeren in die Hand und jetzt immer noch, machten ihm die frischen Walnüsse eine rauhe Zunge und jetzt immer noch, hatte es auf jedem Berg die Sehnsucht nach dem immer höheren Berg, und in jeder Stadt die Sehnsucht nach der noch größeren Stadt, und das ist immer noch so, griff im Wipfel eines Baums nach dem Kirschen in einem Hochgefühl wie auch heute noch, eine Scheu vor jedem Fremden und hat sie immer noch, wartete es auf den ersten Schnee, und wartet so immer noch.
Als das Kind Kind war, warf es einen Stock als Lanze gegen den Baum, und sie zittert da heute noch.
Er zijn van die films die iedereen moet gezien hebben. Top Secret hoort in die rij thuis.
Ik heb hem al gezien, maar ik was hem jarenlang uit het oog verloren. Tot ik er een re:view van zag op Red Letter Media:
En dus heb ik besloten om te proberen de rest van het gezin er verplicht naar te doen kijken. Het is half gelukt: Louis en Sandra hebben hem helemaal gezien, Zelie een stuk. Anna en Jan hadden geen zin.
De velo heeft batterijproblemen. En dus doe ik er geen afstanden meer mee.
In plaats van over en weer naar het Sint-Pietersstation te gaan ’s morgens (het huis uit om 6u30 om ruim op tijd te zijn voor de trein van 6u55), ga ik nu naar Gent-Dampoort (vertrek om 6u20 om de trein van 6u35 te halen die toekomt om 6u45 om te trein te halen van 6u55).
Want dan ben ik rond pakweg 7u40 aan Brussel-Centraal (normaal gezien zou het 7u32 zijn, maaar ha! ha! ha! 7u32! ha! ha!), en kan ik de bus pakken naar het werk om 7u45 dat ik daar ben rond 8u35.
Natuurlijk was het vanmorgen weer prijs: de trein stond een kwartier of zo stil in Brussel-Zuid, eerst aan het wachten op iemand die hem zou door laten, en dan op de reparateur. Het is dus de volgende trein geworden, waardoor het ook de volgende bus geworden is, waardoor het 9u15 was.
De missie: kijken of het nog de moeite is om de velo te repareren, dan wel dat er een nieuwe zou moeten komen.
Geschatte reparatiekosten voor koplamp (of beter het hele voorspatbord omdat er twee kleine plastieken stukjes afgebroken zijn en dus de lamp niet meer werkt), computer en computerhouder, versnellingsmechanisme rechts (moet helemaal vervangen worden omdat ze dat type niet meer maken), tandwielen vanvoor en vanachter en ketting (tot op de draad versleten allemaal): 900 euro. Als de batterij er bij zou moeten vervangen worden: nog eens 750 euro.
Belachelijk, natuurlijk, voor een stokoude velo.
Dus een nieuwe? Ik keek naar die schone nieuwe velo’s die er stonden, en dan dacht ik aan een situatie waar ik mijn toestel elke dag van de week ongeveer twaalf uur in een fietsenstalling aan Gent-Dampoort of Gent-Sint-Pieters zou moeten laten staan.
Ik ben er redelijk van overtuigd dat zo’n ding van meer dan 2000 euro er geen halve dag blijft staan.
En dus dilemma: nieuw kopen is eigenlijk nog minder verantwoord.
De batterij, zei de technieker, is nog 100% in orde. De foutboodschap die ik kreeg, was iets dat er alleen maar gekomen was omdat het zeer koud was geweest en dat er iets ontgereld was geraakt, en dat hij het met één druk op een knop kon wissen en dat het allemaal weer in orde zou zijn.
En dus maar besloten om de lamp niét te repareren maar gewoon met plakband er aan te laten hangen. En de computer ook niet te repareren maar gewoon met duct tape vast te laten plakken. En alleen de tandwielen en de ketting te vervangen.
En dus op een wrak verder te blijven rijden. Maar een wrak dat tenminste wat minder kans heeft om gestolen te worden.
Allemaal goed en wel, tot ik thuiskwam van de velomaker en de draad in de batterij stak om op te laden. Wat graadt ge? Inderdaad: ERROR-0048.
Ik heb dan maar gebeld naar de meneer om het hem te laten weten. Als het de batterij is, is er nog garantie wegens geen jaar oud. Allez ju.